Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ8254

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
316553 CV EXPL 08-5150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Levering van televisiediensten. onredelijk bezwarend beding. zonder waarmerking of parafering met pen bijgeschreven teksten in het exploot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 316553 CV EXPL 08-5150

typ: RK

Vonnis van 16 september 2009

in de zaak van

LINDORFF PURCHASE B.V., voorheen handelend onder de naam TRANSFAIR PURCHASE B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eisende partij,

hierna te noemen: Lindorff,

gemachtigden: F.G.C. Vaessen en J.A.P.M. Kerckhoffs, deurwaarders te Sittard

tegen

[gedaagde partij],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij],

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het eerdere procesverloop wordt verwezen naar het op 29 april 2009 gewezen tussenvonnis.

Ter voldoening aan dit tussenvonnis heeft Lindorff ter rolzitting van 24 juni 2009 een akte genomen.

[gedaagde partij] heeft op de daarvoor aangewezen roldatum niet gereageerd (mondeling of schriftelijk) en heeft evenmin om uitstel verzocht of anderszins van zich doen horen.

Daarna is wederom vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag is gesteld.

MOTIVERING

Voor wat betreft de inhoud van het gevorderde, het gevoerde verweer en de voorlopige beoordeling aan de hand van de tot dan toe vastgestelde feiten wordt verwezen naar het voornoemde tussenvonnis van 29 april 2009.

Bij voornoemde akte van 24 juni 2009 heeft Lindorff het volgende aangevoerd (waarbij de kantonrechter op plaatsen waar Lindorff de aanduiding “eiseres” gebruikt Canal+ zal lezen).

Lindorff maakt overigens in haar processtukken niet of nauwelijks onderscheid tussen de oorspronkelijke contractante/schuldeiseres Canal+ en zichzelf als door cessie gerechtigd geworden eisende partij.

Canal+ heeft, toen betaling van het verschuldigde uitbleef, de overeenkomst met [gedaagde partij] op 8 december 2004 beëindigd wegens wanbetaling. Canal+ was daartoe gerechtigd op grond van artikel 12 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Daarbij heeft Canal+ op grond van artikel 13 van de toepasselijke algemene voorwaarden een zogenoemde ‘disconnected fee’ van € 16,00 in rekening gebracht.

Door de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst met [gedaagde partij] heeft Lindorff schade geleden, bestaande uit ‘het verlies’ en gederfde winst. De door Canal+ geleden schade is niet beperkt gebleven tot winstderving. De door Canal+ en [gedaagde partij] gesloten overeenkomst staat immers niet op zichzelf en is juist tot stand gekomen doordat Canal+ een netwerk onderhoudt met betrekking tot de doorgifte van haar televisiesignaal aan haar abonnees. De kosten die daarmee gemoeid zijn, zo stelt Lindorff, kunnen alleen worden opgevangen dan wel terugverdiend indien daarvoor abonnementsgelden worden betaald door abonnees.

Voorts stelt Lindorff zich op het standpunt dat, nu de onderhavige overeenkomst op

8 december 2004 werd beëindigd, [gedaagde partij] in elk geval de abonnementsgelden over de maanden november en december 2004 ad € 71,76 verschuldigd is aangezien de overeenkomst met [gedaagde partij] ‘op dat moment’ nog niet beëindigd was.

Allereerst merkt de kantonrechter op dat Lindorff in haar akte van 24 juni 2009 heeft nagelaten antwoord te geven op de in het tussenvonnis door de kantonrechter expliciet gestelde vraag vanaf welke datum Canal+ is gestopt met de levering van de televisiesignalen.

Lindorff specificeert niet welke kosten (door Canal+) naar aard en omvang zijn gemaakt in verband met het onderhoud van het kabelnetwerk en toont met name niet aan dat, ook nadat Canal+ de levering van de televisiesignalen had gestaakt, onderhoudskosten zijn gemaakt die kunnen worden toegerekend aan een individuele gebruiker zoals [gedaagde partij]. De stelling dat kosten voor onderhoud zijn verdisconteerd in het maandelijkse termijnbedrag (zo begrijpt de kantonrechter dit onderdeel van het relaas van Lindorff althans) is in dit opzicht volstrekt onvoldoende. Lindorff laat ook na om te vermelden en waar nodig te bewijzen (aan te bieden) welke kosten worden bespaard nu [gedaagde partij] niet langer gebruik maakt van het netwerk van Canal+.

Nu Lindorff, behoudens de gestelde en door [gedaagde partij] niet betwiste zogenoemde ‘disconnected fee’ ad € 16,00, nalaat reëel ondervonden schade inzichtelijk te maken, dient het overige deel van de gevorderde hoofdsom ad € 334,56 te worden afgewezen.

In dit verband overweegt de kantonrechter nog dat het betoog van Lindorff dat ook de gederfde winst als schade dient te worden aangemerkt, faalt, omdat dit de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan EG-Richtlijn 93/13/EEG illusoir zou maken. Het beding in de algemene voorwaarden waar Lindorff haar hoofdvordering op baseert (althans dat deel dat betrekking heeft op de periode na het staken van de levering van de televisiesignalen), dient ambtshalve als onredelijk bezwarend te worden vernietigd.

Daar Lindorff geen duidelijkheid verschaft over de vraag tot welk moment Canal+ de onderhavige televisiesignalen heeft geleverd, kan ook haar standpunt, inhoudende dat [gedaagde partij] in ieder geval de abonnementsgelden over de maanden november 2004 en december 2004 ad € 71,76 verschuldigd is, niet worden gevolgd.

Gelet op het bovenstaande komt van de gevorderde hoofdsom slechts een bedrag van € 16,00 voor toewijzing in aanmerking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening. In het exploot van dagvaarding is onder punt 4 weliswaar met pen en zonder enige waarmerking of parafering bijgeschreven: “datum verzuim: 8 december 2004”, doch onduidelijk is van wie die opmerking afkomstig is, terwijl een eerdere verzuimdatum dan de dag van dagvaarding op geen enkele andere wijze expliciet is gesteld. Het niet-geautoriseerde bijschrift wordt als betekenisloos buiten aanmerking gelaten. Verzuim kan aldus eerst ingaande 13 november 2008 worden geacht te zijn ingetreden.

De gevorderde vergoeding van de incassokosten zal eveneens worden afgewezen. De met die kosten samenhangende werkzaamheden zijn immers verricht tijdens een periode waarvan niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde partij] in verzuim was. Hieruit volgt dat niet vastgesteld kan worden dat de gestelde activiteit heeft geleid tot (naar noodzaak en omvang) redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW.

Het komt de kantonrechter in het licht van het voorgaande juist voor om de met de procedure gemoeide kosten in het geheel te compenseren in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde partij] om aan Lindorff tegen bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van

€ 16,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier.