Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ8250

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
326234 CV EXPL 09-1080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft een overeenkomst gesloten met een telecommunicatiebedrijf, welke overeenkomst door het telecommunicatiebedrijf wegens wanbetaling door gedaagde eenzijdig is beëindigd.

De betreffende vordering is middels rechtsgeldige cessie aan eiseres gecedeerd.

Het telecommunicatiebedrijf heeft - op grond van haar algemene voorwaarden - naast niet-betaalde abonnementskosten/verleende diensten ook de resterende abonnementstermijnen als schadevergoeding in rekening gebracht. De kantonrechter, die ambtshalve verplicht is tot toetsing van bedingen in algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten op eventuele onredelijke bezwarendheid of oneerlijkheid, acht in dezen de gevorderde schadevergoeding onevenredig hoog. Tegenover de verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst staan vanaf datum ontbinding geen diensten meer van het telecommunicatiebedrijf en er is onvoldoende aangetoond dat gedaagde voordeel zou hebben genoten dat kan worden afgezet tegen de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

Zaaknummer: 326234 CV EXPL 09-1080

typ: AodK

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak

INTRUM JUSTITIA B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eisende partij,

hierna te noemen Intrum,

gemachtigden: mr. P.L.J.M. Guinée te Den Haag (Intrum Justitia) en J.H.L. Sinkiewicz, deurwaarder te Maastricht,

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde],

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Intrum heeft bij dagvaarding van 16 februari 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde] onder medebetekening van twee producties bij het exploot.

Nadat tegen haar verstek was verleend, is [gedaagde] voordat het eindvonnis was gewezen, alsnog in rechte verschenen en heeft zij na verzocht en verkregen uitstel ter rolzitting van 15 april 2009 mondeling geantwoord.

Vervolgens heeft Intrum een conclusie van repliek met producties ingediend.

Hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [gedaagde] daarop niet meer gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is vastgesteld op heden.

MOTIVERING

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist staat het volgende vast:

Vodafone Libertel B.V. te Maastricht (verder te noemen: Vodafone) is gespecialiseerd in het verlenen van (tele)communicatiediensten, zoals toegang verlenen tot netwerken van mobiele en vaste telefonie. [gedaagde] heeft zich bij Vodafone aangemeld om tegen betaling van deze diensten gebruik te mogen maken en tussen Vodafone en [gedaagde] is dienaangaande een overeenkomst gesloten. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Vodafone van toepassing. In het kader van deze overeenkomst was [gedaagde] maandelijks een vast bedrag alsmede de kosten van de gevoerde telefoongesprekken aan Vodafone verschuldigd. De door [gedaagde] afgenomen diensten zijn door Vodafone maandelijks aan [gedaagde] gefactureerd. De overeenkomst is door Vodafone (blijkens summiere mededeling in de repliek) per 28 september 2008 eenzijdig beëindigd

Intrum legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is jegens Vodafone. [gedaagde] heeft ondanks diverse aanmaningen een bedrag van € 1.233,70, zoals nader omschreven in de door Vodafone aan [gedaagde] gezonden facturen, onbetaald gelaten. Intrum heeft deze vordering van Vodafone gekocht en [gedaagde] is van die “overname” schriftelijk in kennis gesteld.

Op grond van het vorenstaande vordert Intrum om [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.419,44, waarvan € 1.233,70 aan hoofdsom, een bedrag van € 35,74 wegens tot 12 februari 2009 vervallen rente en een bedrag van € 150,00 wegens buitengerechtelijke kosten.

[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat bedrag niet te willen betalen, omdat zij het nummer “waarnaar gebeld is” niet kent.

Intrum heeft bij repliek daarop tamelijk uitvoerig en onder toevoeging van extra producties gereageerd. Ofschoon [gedaagde] uitdrukkelijk en duidelijk in de gelegenheid is gesteld bij dienstbrief d.d. 11 juni 2009 van de griffier om mondeling dan wel schriftelijk te reageren op de conclusie van repliek, heeft zij van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Uit de door Intrum bij repliek overgelegde nota’s blijkt dat naar diverse nummers is gebeld. Onduidelijk is op welk nummer het verweer van [gedaagde] betrekking heeft. Voor het geval [gedaagde] heeft bedoeld te zeggen dat zij het mobiele nummer niet kent dat gebruikt is om te bellen, oordeelt de kantonrechter dat dit onwaarschijnlijk voorkomt. De overgelegde nota’s zijn allemaal aan [gedaagde] gericht. [gedaagde] heeft de ontvangst daarvan niet betwist en ook niet gesteld daartegen te hebben geprotesteerd, hetgeen in de lijn van de verwachting zou liggen als het een voor haar onbekend nummer betrof. De kantonrechter is daarom van oordeel dat aan het oorspronkelijke verweer ten aanzien van de hoofdvordering, als [gedaagde] dit al heeft willen handhaven, moet worden voorbijgegaan. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om gemotiveerd in te gaan op de conclusie van repliek, nu de inhoud daarvan tot aanvullende stellingname of toespitsing van het verweer alleszins aanleiding gaf.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de vordering op het hoofdonderdeel niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat deze en de grondslag waarop deze berust, in beginsel vaststaan. Dit betekent overigens niet (zonder meer) dat de vordering geen beoordeling meer behoeft.

Intrum zegt de onderhavige vordering te hebben gekocht van Vodafone. Deze koop alleen echter creeërt geen recht van Intrum jegens [gedaagde]. Pas nadat de koop ook tot levering of overdracht heeft geleid en nadat aan [gedaagde] dienaangaande een mededeling is gedaan, is sprake van een rechtsgeldige cessie en kan de gekochte vordering van Intrum leiden tot actie jegens de debiteur, in casu [gedaagde]. Intrum heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] van “de overname” schriftelijk op de hoogte is gesteld, zodat bij gebreke van tegenspraak op dit punt van een rechtsgeldige cessie moet worden uitgegaan.

Uit de bij repliek overgelegde producties blijkt dat de facturen van juli, augustus en september 2008 – gedateerd respectievelijk 11 juli 2008, 31 juli 2008, 26 augustus 2008 en 22 september 2008 – betrekking hebben op abonnements- en gebruikskosten. Het daarop gerichte onderdeel van de vordering ligt gezien het vorenstaande voor toewijzing gereed.

Anders is dat voor wat betreft de factuur van oktober 2008 – gedateerd 8 oktober 2008 – ten bedrage van € 212,72, die betrekking heeft op “resterende abonnementskosten tot einde contract i.v.m. beëindiging overeenkomst”. Vodafone heeft deze kosten op grond van haar algemene voorwaarden in rekening gebracht.

De kantonrechter is ambtshalve verplicht tot toetsing van bedingen in algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten op eventuele onredelijke bezwarendheid of oneerlijkheid.

In EG Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993, lid 3, is bepaald dat “een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.” Dat is het geval als er sprake is van bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: “de consument die zijn verbintenissen niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.”

Bij het in rekening brengen van de resterende termijnen als schadevergoeding kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding zoals hiervoor bedoeld. Tegenover de verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst staan vanaf datum ontbinding immers geen diensten meer van Vodafone.

In deze zaak heeft Intrum onweersproken gesteld dat [gedaagde] een telefoontoestel om niet heeft gekregen van Vodafone, waarvan de waarde volges haar onbekend is, en dat Vodafone een bonus van € 385,00 aan de betreffende dealer (BelCompany) heeft uitbetaald. Voor wat betreft dit laatste valt niet in te zien wat het voordeel voor [gedaagde] daarvan is. Afspraken tussen Vodafone en haar dealer regarderen [gedaagde] niet. Met betrekking tot het telefoontoestel dat [gedaagde] ter beschikking heeft gekregen, wil of kan Intrum niets zeggen over de precieze waarde, zodat onduidelijk is welke schade Vodafone dienaangaande daadwerkelijk heeft geleden. Voor de kantonrechter is het aldus onmogelijk het voordeel dat [gedaagde] zou hebben genoten af te zetten tegen de schade die Vodafone zou hebben geleden. Het bedrag dat als schadevergoeding in rekening is gebracht, dient dus volledig te worden teruggevoerd op in rekening gebrachte resterende termijnen en wordt in het licht van het vorenstaande door de kantonrechter onevenredig hoog geacht. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen en het onderliggend beding wordt ambtshalve vernietigd en buiten toepassing gelaten.

De post vervallen rente tot de datum van dagvaarding treft hetzelfde lot, nu niet gebleken is dat (en waarom) in concreto sprake is van verzuim als bedoeld in artikel 6:81 BW.

Het feit dat niet eerder is gebleken van verzuim dan per datum dagvaarding, 16 februari 2009, verzet zich tegen toewijzing van een op schadevergoeding ex artikel 6:96 BW gerichte vordering die de daaraan voorafgaande periode betreft. Om die reden zullen ook de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Terug redenerend is het om die reden zelfs de vraag of Vodafone op goede gronden tot een eenzijdige afsluiting en ontbinding van de overeenkomst heeft kunnen/mogen overgaan. Ook daarom zijn er goede gronden om een op schadevergoeding gerichte vordering met betrekking tot de periode die volgt op de datum van feitelijke afsluiting (28 september 2008) af te wijzen.

[gedaagde] zal als in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van de procedure.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan Intrum tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.020,98, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.020,98, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf 16 februari 2009 tot de dag van voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten ad € 437,25, waarin begrepen een bedrag van € 200,00 aan salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken ter civiele terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.