Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ8236

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
331221 CV EXPL 09-1858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzen vordering betreffende niet-betaalde autorijlessen. Afwijzen vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten wegens het niet (expliciet) vermelden van een verzuimdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 331221 CV EXPL 09-1858

typ: MO

vonnis van 16 september 2009

in de zaak van

vennootschap onder firma [eisende partij],

gevestigd te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij],

gemachtigden: een onbekend gelaten persoon ten kantore van Graydon Nederland B.V., deurwaarderskantoor te Amsterdam en een evenzeer onbekend gelaten persoon ten kantore van LAVG, deurwaarderskantoor te Roosendaal

tegen

[gedaagde partij],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde partij],

gemachtigde: mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eisende partij] heeft bij dagvaarding van 2 april 2009 een vordering ingesteld tegen [gedaagde partij] en heeft zich daarvoor mede beroepen op aan het exploot van dagvaarding gehechte producties.

[gedaagde partij] heeft schriftelijk geantwoord.

[eisende partij] heeft daarop voor repliek geconcludeerd onder toevoeging van twee (deels meervoudige) producties. Hoewel onduidelijk is wiens handtekening onder de conclusie prijkt, zal dit processtuk aan [eisende partij] worden toegerekend.

[gedaagde partij] heeft vervolgens voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag is gesteld.

MOTIVERING

In voormeld exploot van dagvaarding vordert [eisende partij] de veroordeling van [gedaagde partij], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 412,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 330,00 met ingang van de dag van dagvaarding, onder verwijzing van [gedaagde partij] in de kosten van het geding.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 330,00 hoofdsom (niet-betaalde autorijlessen)

€ 7,45 (vergoeding van) rente vanaf de dag van opeisbaarheid van de

hoofdsom tot op de dag van dagvaarding

€ 37,00 (vergoeding van) buitengerechtelijke kosten exclusief btw.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eisende partij] aangevoerd dat zij in of omstreeks november 2008 in opdracht, althans voor rekening van gedaagde autorijlessen heeft verzorgd. [gedaagde partij] heeft een deel van het verschuldigde lesgeld niet voldaan. Omdat betaling van het niet-betaalde lesgeld ad € 330,00 uitbleef, heeft [eisende partij] [gedaagde partij] diverse malen aangemaand. Wegens deze werkzaamheden vordert [eisende partij] vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

[gedaagde partij] stelt bij conclusie van antwoord dat uit de aantekening op de lesovereenkomst volgt dat zij de gehele cursus heeft betaald. Ook stelt [gedaagde partij] zich op het standpunt dat niet is gebleken van een aanvullende overeenkomst of facturen waarop de vordering van [eisende partij] zou zijn gebaseerd. [gedaagde partij] betwist de in verband met de vermeende buitengerechtelijke kosten opgevoerde werkzaamheden. Wel erkent [gedaagde partij] dat zij een aantal brieven van Graydon heeft gekregen. Verder voert [gedaagde partij] aan dat zij met LAVG is overeengekomen dat de uitspraak van de onderbewindstelling zou worden afgewacht alvorens nadere stappen omtrent de onderhavige vordering zouden worden genomen.

[eisende partij] persisteert bij conclusie van repliek bij haar vordering en voegt hier – samengevat en voor zover hier van belang – het navolgende aan toe. Zoals vermeld in de aantekening op de lesovereenkomst heeft [gedaagde partij] de kosten van het basispakket voldaan. Naast het basispakket heeft [gedaagde partij] nog elf extra praktijklessen gevolgd, die onbetaald zijn gelaten. Ter zake de buitengerechtelijke kosten merkt [eisende partij] op dat Graydon – na de door [eisende partij] zelf verstuurde herinnerings- en sommatiebrieven – ook “diverse werkzaamheden heeft verricht”.

Bij conclusie van dupliek erkent [gedaagde partij] dat zij nog aanvullende lessen heeft genoten die nog betaald dienen te worden. Wat betreft de buitengerechtelijke kosten persisteert [gedaagde partij] bij haar stelling dat was overeengekomen dat de uitspraak van de onderbewindstelling zou worden afgewacht alvorens nadere stappen omtrent de onderhavige vordering zouden worden genomen.

Vaststaat dat [gedaagde partij] een vergoeding van de genoten autorijlessen is verschuldigd aan [gedaagde partij]. De hoofdsom ad € 330,- zal dan ook worden toegewezen.

Vergoeding van de post “vervallen rente” tot een bedrag van € 7,45 zal worden afgewezen, nu [eisende partij] niet heeft gesteld met ingang van welke datum [gedaagde partij] met betaling van de hoofdsom in verzuim is. [eisende partij] vermeldt weliswaar dat tussen partijen een krediettermijn van dertig dagen gold en dat [gedaagde partij] in verzuim was nadat voornoemde termijn was verstreken en betaling uitbleef, maar [eisende partij] heeft nagelaten te vermelden op welke grond zij van oordeel is dat tussen partijen een dergelijke krediettermijn gold en of en waarom een dergelijke termijn een fataal karakter heeft. Verder is gesteld noch gebleken dat er andere redenen zijn om aan te nemen dat in dit geval ingebrekestelling voor het intreden van verzuim achterwege kon blijven en blijkt uit de door [eisende partij] ontwikkelde stellingen evenmin een concrete verzuimdatum als uitvloeisel van enigerlei ingebrekestelling. Derhalve is niet komen vast te staan dat [gedaagde partij] eerder dan per datum dagvaarding in verzuim is geraakt. Hiermee is onduidelijk gebleven over welke periode en krachtens welke feitelijke en juridische gronden rente is berekend. Wel is de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding toewijsbaar, omdat [gedaagde partij] in ieder geval vanaf die datum in verzuim was.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal in verband hiermee eveneens worden afgewezen. De met die kosten samenhangende werkzaamheden zijn immers verricht tijdens een periode waarvan niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde partij] in verzuim was. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde activiteiten hebben geleid tot (naar noodzaak en omvang) redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW.

[gedaagde partij] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van [eisende partij] gevallen proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] tegen bewijs van kwijting een bedrag te voldoen van

€ 330,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2009 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eisende partij] tot op heden begroot op € 289,25, waaronder een bedrag van € 120,- aan salaris van de gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier.