Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ8025

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-09-2009
Datum publicatie
18-09-2009
Zaaknummer
03-700336-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Vrijspraak vader van (zware) mishandeling baby. Rechtbank twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van horen zeggen van vertrouwensarts omdat deze gesproken heeft met de buitenlandse verdachte, die aangeeft het Nederlands onvoldoende machtig te zijn, zonder tussenkomst van een tolk. Daardoor zijn misverstanden niet uit te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700336-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 september 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Raadsvrouw is mr. D.M.H.R. Garé, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 september 2009, waarbij de officier van justitie, de raadsvrouw en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn kind zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel zijn kind heeft mishandeld (waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen). Het letsel bestaat uit een breuk in een been en in beide armen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Ze stelt dat sprake is van het aan [slachtoffer](verder te noemen: [slachtoffer]) opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, te weten de fracturen aan een been en beide armen, door hem opzettelijk meermalen omhoog te trekken of te rukken, door hem aan zijn been vast te pakken, door hem met kracht te schudden en door het been te draaien en te buigen.

De officier van justitie baseert haar standpunt op de volgende bewijsmiddelen:

- de brief van radioloog [R.] aan [getuige 1]d.d. 8 februari 2008;

- de brief van [radioloog]aan [getuige 2] d.d. 18 augustus 2008;

- de verklaring van getuige [naam oppasmoeder] d.d. 17 mei 2008;

- de verklaring van verdachte afgelegd tegenover de vertrouwensarts d.d. 28 januari 2008;

- het rapport raadsonderzoek civiele zaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 11 april 2008.

In de brieven van [radioloog] wordt het letsel beschreven dat aan [slachtoffer] werd toegebracht.

Uit de verklaring van oppasmoeder [naam] volgt dat het letsel in de loop van de avond van 17 januari 2008 moet zijn toegebracht.

Tegenover de vertrouwensarts heeft verdachte het feit bekend. Hij verklaarde gewelddadig te hebben opgetreden.

Ten slotte heeft verdachte op 20 februari 2008 tegenover de raadsonderzoeker aangegeven de inhoud van het verzoek tot raadsonderzoek te hebben begrepen en het daarmee eens te zijn. Die inhoud behelst de bekentenis van verdachte tegenover de vertrouwensarts.

Uit de grote krachten die nodig zijn om de breuken te veroorzaken, leidt de officier van justitie af dat sprake is geweest van opzettelijk handelen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging pleit voor een vrijspraak van verdachte. Dit doet ze op verschillende gronden.

In de eerste plaats stelt de verdediging zich op het standpunt dat het bewijs voor het schudden, voor het bij het bovenbeen pakken en met kracht draaien of buigen van dat been en voor het met kracht aan de armen omhoog trekken of rukken niet mag worden gebaseerd op de verklaring van horen zeggen van de vertrouwensarts [naam].

Onder het kopje ‘rechtmatig verkregen’ stelt de verdediging dat:

- het gesprek met [vertrouwensarts] niet bedoeld was om strafrechtelijk bewijs te genereren;

- de vertrouwensrelatie tussen [vertrouwensarts] en verdachte zich verzet tegen het als bewijs gebruiken van verdachtes verklaring.

Onder het kopje ‘betrouwbaarheid van vermeende verklaring van cliënt tegenover AMK-arts’ stelt de verdediging dat de verklaring onbruikbaar is. Allereerst is de AMK-arts zelf nooit gehoord en is er ook geen schriftelijke verklaring van hem beschikbaar. De verklaring waarop de officier van justitie zich beroept is een zogenaamde “verklaring van horen zeggen” en betreft de weergave van hetgeen een medewerker van het Meldpunt Kindermishandeling gehoord zou hebben van de vertrouwensarts [naam]. Daarnaast is het gesprek tussen verdachte en [vertrouwensarts] gevoerd in de Nederlandse taal die verdachte onvoldoende beheerst. Verdachte ontkent juist de gestelde mishandelingen en de verklaring van [vertrouwensarts] moet het gevolg zijn van misverstanden als gevolg van communicatieproblemen tussen verdachte en [vertrouwensarts].

In de tweede plaats stelt de verdediging zich op het standpunt dat bij verdachte zowel boos opzet als voorwaardelijk opzet op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel en/of pijn aan het been ontbreekt.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Dat [slachtoffer] het gestelde letsel heeft opgelopen staat voor de rechtbank vast. Bewijs daarvoor is aanwezig in de vorm van de verklaringen van de behandelende artsen en in het bijzonder in de verklaring van de radioloog [naam].

Echter, in zowel het primair als ook het subsidiair ten laste gelegde feit zijn de gewelddadige handelingen omschreven als:

- het (met kracht) aan de armen (omhoog) trekken en/of rukken en/of

- het (met kracht) schudden en/of

- het vastpakken van het (boven)been en/of (vervolgens) het (met kracht) schudden en/of het draaien en/of buigen van dat been.

Door deze wijze van verfeitelijking van het gehanteerde geweld ziet de rechtbank zich geplaatst voor de opgave bewijs te vinden voor een of meer van die handelingen, gepleegd door verdachte. Dit bewijs zou gevonden kunnen worden in de verklaring van horen zeggen van [vertrouwensarts]. Zoals door de verdediging al is aangevoerd is van [vertrouwensarts] zelf in het dossier geen verklaring voorhanden. Wel komt in twee andere stukken naar voren wat verdachte tegen de vertrouwensarts zou hebben gezegd. Dit betreft de aangifte van [naam aangever] en de brief van het AMK aan de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 14 februari 2008 met als onderwerp ‘verzoek tot raadsonderzoek’ .

In haar aangifte van mishandeling van [slachtoffer] door verdachte verwijst [naam aangever] naar dit gesprek tussen verdachte en de vertrouwensarts.

[aangever] verklaart: “In dit gesprek verklaarde vader dat de fracturen van het kind veroorzaakt zijn tijdens een woede-uitbarsting van vader. Vader verklaarde dat hij het kind op dat moment met kracht aan de armen omhoog getrokken heeft. Tevens zei hij het kind bij een van de bovenbenen vastgepakt en geschud en/of gedraaid te hebben waardoor het been gebroken is. Een gedetailleerde beschrijving van wat er precies gebeurd is kan vader op dat moment niet geven. Wel zegt vader er zeker van te zijn dat de fracturen door zijn gewelddadig optreden ontstaan zijn.”

In de brief van het AMK aan de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 14 februari 2008 met als onderwerp ‘verzoek tot raadsonderzoek’ wordt het gesprek tussen verdachte en de vertrouwensarts in bijna dezelfde bewoordingen beschreven.

De rechtbank twijfelt echter aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. Dit baseert de rechtbank op de volgende omstandigheden.

- In de eerste plaats ontkent verdachte dat hij tegen [vertrouwensarts] heeft gezegd dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld.

- In de tweede plaats heeft het gesprek plaats gehad zonder bijstand van een tolk. Zoals meerdere getuigen verklaren is verdachtes beheersing van de Nederlandse taal gebrekkig. De verdediging heeft zelfs aangevoerd dat verdachte sommige van de in de aangifte van [aangever]gebruikte woorden voor het eerst zag. De rechtbank acht het dan ook onwaarschijnlijk dat de woorden die uiteindelijk op papier zijn gekomen, de woorden zijn die verdachte heeft gebruikt.

Feitelijk is er sprake van een dubbele “vertaling”. [vertrouwensarts] heeft datgene wat hij van verdachte heeft begrepen in zijn woorden doorgegeven aan een medewerker van het Meldpunt Kindermishandeling en die medewerker heeft dat vervolgens weer in haar woorden op papier gezet. Met name de kans dat in de eerste “vertaling”, tussen verdachte en [vertrouwensarts], sprake is geweest van misverstanden en/of miscommunicatie acht de rechtbank zeer wel denkbaar.

De stelling van de officier van justitie, dat van misverstanden tussen verdachte en [vertrouwensarts] geen sprake is omdat verdachte op 20 februari 2008 tegenover de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven dat hij het eens was met het verzoek tot raadsonderzoek en daarmee dus ook met de weergave van het gesprek tussen hem en [vertrouwensarts], onderschrijft de rechtbank niet.

Voor de rechtbank is niet zonder meer duidelijk waarmee verdachte heeft ingestemd. Mogelijk heeft hij ingestemd met de weergave van zijn verklaring in het verzoek tot raadsonderzoek. Maar het is evenzeer mogelijk dat hij slechts heeft ingestemd met de gemaakte afspraken in het kader van de hulpverlening. Dat verdachte zich niet kan vinden in de rapportage van [vertrouwensarts] blijkt immers al uit een mailbericht d.d. 15 februari 2008 van verdachte aan de vertrouwensarts.

Gelet op bovengenoemde twijfels heeft de rechtbank overwogen om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde [vertrouwensarts] als getuige te horen. De rechtbank ziet hiervan af nu zij niet twijfelt aan de oprechtheid van de vertrouwensarts, maar aan het feit of verdachte heeft gezegd wat de vertrouwensarts meent te hebben gehoord. Het horen van [vertrouwensarts] zal om die reden niets veranderen aan voornoemde twijfels aan de betrouwbaarheid van de verklaring en de rechtbank ziet evenmin een andere mogelijkheid om die twijfels weg te nemen.

Nu de rechtbank de verklaring van horen zeggen van [vertrouwensarts] niet voor het bewijs zal bezigen zal zij zich niet meer uitlaten over de door de verdediging opgeworpen vraag of die verklaring wellicht onrechtmatig is verkregen of wegens andere gronden niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt.

De vraag die dan rest is of zonder de verklaring van [vertrouwensarts] er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte de gewelddadige handelingen, zoals primair en subsidiair ten laste gelegd, heeft gepleegd.

Verdachte zelf heeft ook verklaard over het vastpakken en buigen van het been van [slachtoffer]. Hij zou dat gedaan hebben toen [slachtoffer] een beentje door de spijlen van de box had gestoken en vast was komen zitten. Hij buigt dan het beentje en duwt dat terug zodat [slachtoffer] zijn bewegingsvrijheid terug krijgt. Gelet op de door verdachte beschreven manier waarop hij dat gedaan zou hebben acht de rechtbank het hoogst onaannemelijk dat daardoor het letsel is ontstaan. En indien dat toch gebeurd zou zijn, dan kan uit die handeling opzet op het veroorzaken van letsel, eventueel in voorwaardelijke zin, niet afgeleid worden.

Voorts verklaart verdachte dat hij [slachtoffer] op 17 januari 2008 in bad heeft gedaan en dat zijn zoontje hem daarbij twee keer uit handen is geglipt en in het badje is gevallen. Verdachte heeft ter zitting voorgedaan hoe dit gebeurd zou zijn. Ook dit gebeuren lijkt in de ogen van de rechtbank niet te kunnen leiden tot het geconstateerde letsel. En ook hier geldt dat indien het daartoe toch geleid heeft daaruit geen opzet op het veroorzaken van letsel, eventueel in voorwaardelijke zin, afgeleid kan worden.

Ten slotte heeft verdachte toegegeven dat hij [slachtoffer] wel eens aan diens armen omhoog getrokken heeft. Of dit tot het letsel aan de armen geleid zou kunnen hebben is onduidelijk. De verdachte heeft echter ook ontkend dat hij [slachtoffer] op 17 januari 2008 op die manier heeft opgetild.

Op grond van de tekst van de tenlastelegging dient de rechtbank vast te stellen dat het letsel op of omstreeks 17 januari 2008 is toegebracht. Uit de brief van [radioloog]d.d. 8 februari 2008 ten aanzien van skeletfoto's en echografie van 17 en 18 januari 2008 blijkt niets over de ouderdom van de breuk aan de rechterarm. Over de breuk aan de linkerarm zegt [radioloog] dat deze niet ouder is dan één week. Dat impliceert dat er een periode is van zes dagen waarbinnen die breuk veroorzaakt kan zijn. Daarmee is er geen bewijs beschikbaar dat de breuk op of omstreeks 17 januari 2008 is veroorzaakt nu niet is uitgesloten dat de breuk eerder dan 17 of 16 januari 2008 is ontstaan.

Overigens merkt de rechtbank ook hierbij op dat er niets bekend is met betrekking tot de manier van optillen zodat wederom niets gezegd kan worden over de aanwezigheid van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig voor het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte dan ook van de gehele tenlastelegging vrijspreken.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit;

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. A.J. Hazen en

mr. F.A.G.M. Vluggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 september 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 januari 2008 te Elsloo, in de gemeente Stein, aan een persoon genaamd [slachtoffer](geboren op [geboortedatum]), zijnde zijn, verdachtes, kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (fracturen in zijn been en armen), heeft toegebracht, door [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

- (met kracht) aan de armen (omhoog) te trekken en/of te rukken en/of

- (met kracht) [slachtoffer] te schudden en/of

- het (boven)been van [slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) (met kracht) te schudden en/of dat been te draaien en/of dat been te buigen;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2008 te Elsloo, in de gemeente Stein, opzettelijk mishandelend zijn kind (te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]), meermalen, althans eenmaal,

- (met kracht) aan de armen (omhoog) heeft getrokken en/of gerukt en/of

- (met kracht) [slachtoffer]heeft geschud en/of

- het (boven)been van [slachtoffer]heeft vastgepakt en/of (vervolgens) (met kracht) heeft geschud en/of dat been heeft gedraaid en/of dat been heeft gebogen, tengevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten fracturen in zijn been en armen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.