Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ7064

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
142521
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ouder om intrekking machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg van dochter. Brief dochter redt ontvankelijkheid verzoek. Verweving jeugd-en bestuursprocesrecht. Aan gronden voor intrekking van de machtiging voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 28 augustus 2009

Zaaknummer: 142521 / OT RK 09-1314

AFWIJZING OPHEFFING ONDERTOEZICHTSTELLING EN INTREKKING VAN DE MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstaande minderjarige:

[naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats minderjarige] op [geboortedatum minderjarige]

kind van:

[naam moeder minderjarige],

wonende te [adres moeder minderjarige],

advocaat mr. E.R.Th.A. Luijten.

Belanghebbenden:

- [naam stiefvader minderjarige], stiefvader,

wonende te [adres stiefvader minderjarige] en

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond.

1. Verloop van de procedure:

1.1.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 6 januari 2009 de ondertoezichtstelling met ingang van 6 januari 2009 verleend voor de tijd van één jaar en tevens een machtiging verleend tot plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg voor de termijn van een jaar.

1.2.

Bij beschikking van 10 april 2009 heeft de kinderrechter een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend met ingang van 10 april 2009 tot 6 januari 2010.

1.3.

Op 23 juli 2009 heeft de moeder ten aanzien van voornoemde minderjarige een verzoek met bijlagen, waaronder een ongedateerde brief van [de minderjarige] gericht aan de gezinsvoogd, ingediend tot:

primair:intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing al dan niet onder de voorwaarde dat de moeder bij de opvoeding van [de minderjarige] hulpverlening krijgt en accepteert.

Bureau jeugdzorg op te dragen de plaatsing bij Icarus in Heerlen met onmiddellijke ingang, althans zo spoedig mogelijk, te beëindigen en [de minderjarige] weer naar haar moeder terug te sturen en

subsidiair: de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te bekorten tot 4 september 2009, althans tot een zodanige datum als de kinderrechter geraden acht.

1.4.

Bureau Jeugdzorg heeft bij brief, met bijlagen, van 20 augustus 2009 een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.

1.5. De zaak is behandeld ter zitting van 25 augustus 2009.

2. Vaststaande feiten

2.1.

[de minderjarige] is op [geboortedatum minderjarige] in [geboorteplaats minderjarige] geboren. De biologische vader van [de minderjarige] is overleden.

De stiefvader, die gehuwd is geweest met de moeder van 1994 tot 2008, heeft [de minderjarige] mee opgevoed sinds zij één jaar oud was.

[de minderjarige] draagt de achternaam van de stiefvader, maar is niet door hem erkend.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

3. Verzoek, grondslag en verweer.

3.1.

De advocaat heeft namens de moeder het verzoek ter zitting aangevuld aldus dat tevens om opheffing van de ondertoezichtstelling is verzocht.

Als reden voor haar verzoek voert de moeder aan dat de gronden die destijds hebben geleid tot het verlenen van de verzochte maatregelen, namelijk de ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen van [de minderjarige], niet meer aanwezig zijn.

[de minderjarige] heeft van 19 mei 2009 tot 6 juli 2009 verbleven in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda wegens het ontbreken van een voor haar geschikte plek in Heerlen. Door haar verblijf in Den Hey-Acker kon [de minderjarige] niet starten met haar behandeling. Vanaf 6 juli 2009 is [de minderjarige] geplaatst bij Icarus, waar haar behandeling is gestart.

[de minderjarige] heeft veel tijd gehad in Breda om na te denken over haar gedrag, de gevolgen daarvan en haar toekomst. De band met haar moeder is inmiddels volledig hersteld. Zij wil weer terug naar huis en zij wil werken aan haar toekomst. [de minderjarige] is zeer gemotiveerd en met de leerplichtambtenaar is afgesproken dat zij met ingang van het nieuwe schooljaar opnieuw mag starten bij het [naam college] in de derde klas atheneum.

[de minderjarige] gebruikt geen drugs meer. [de minderjarige] ziet in dat zij hulp nodig heeft om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Zij wil die hulp ook hebben, maar die hulp kan ook vanuit de thuissituatie georganiseerd worden.

De problemen die destijds in het gezin speelden en die hun oorzaak vonden in de echtscheiding, zijn inmiddels opgelost. Beide ouders staan achter het verzoek.

3.2.

De stiefvader heeft ter zitting aangevoerd dat niet is bewezen dat de hulp en de bemiddeling van bureau jeugdzorg effectief zijn geweest. Het doel van de machtiging tot gesloten plaatsing was een heropvoeding van [de minderjarige], maar zover is het nooit gekomen. Bureau jeugdzorg heeft te weinig energie gestoken in de mogelijkheid om [de minderjarige] bij de stiefvader te laten wonen, waardoor [de minderjarige] is afgegleden. [de minderjarige] heeft in de afgelopen maanden veel meegemaakt, waardoor zij verhard is. Daar moet een einde aan komen. Zij heeft veel geleerd, de familiebanden moeten worden aangesterkt en zij verdient een kans om een nieuwe start te maken.

3.3.

[de minderjarige] heeft in haar gesprek met de kinderrechter aangevoerd dat de oorzaken die tot haar problemen hebben geleid hun oorsprong vonden in de echtscheiding van haar ouders. Zij werd vanuit een harmonieus gezin geconfronteerd met een gebroken gezinssituatie waarin zij haar stiefvader niet meer mocht zien. Ook haar zusje zag ze niet meer, omdat deze bij de stiefvader woonde. Inmiddels heeft zij weer volop contact met haar stiefvader, maar haar zusje ziet ze, door de gesloten plaatsing van [de minderjarige], maar sporadisch. De band met haar moeder was al hersteld voordat [de minderjarige] uit huis werd geplaatst. [de minderjarige] is destijds akkoord gegaan met een gesloten plaatsing omdat zij zich voelde wegzakken, zich niet meer veilig voelde en depressief was. In Den Hey-Acker in Breda zijn haar ogen geopend en heeft zij ingezien dat zij niet verder kon op de manier zoals zij bezig was. Zij gebruikt al geruime tijd geen drugs meer. [de minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om vanaf september 2009 opnieuw in 3 atheneum te starten bij het [naam college]. Zij wil die kans volop benutten en hard aan haar toekomst gaan werken. Naar haar mening is een gesloten plaatsing niet meer nodig. Zij wil de hulp vanuit Lionarus met beide handen aangrijpen omdat zij aan zichzelf wil werken en nog dingen moet verwerken. Zij ziet een gesloten plaatsing in Icarus niet zitten. Als zij van school thuiskomt moet zij vervolgens twee uur huiswerk maken, voordat zij kan aansluiten in de groep. Dat heeft in haar ogen geen meerwaarde. [de minderjarige] vindt het moeilijk dat er niet naar haar geluisterd wordt en dat beslissingen over haar genomen worden buiten haar aanwezigheid.

Zij pleit voor toewijzing van de verzoeken.

3.4.

Bureau jeugdzorg heeft bij monde van de aan [de minderjarige] toegewezen gezinsvoogdijmedewerker aangevoerd dat alle betrokkenen hetzelfde doel voor ogen hebben, maar dat de weg die naar dat doel leidt op een andere wijze ingevuld moet worden. Volgens de gezinsvoogdijmedewerker is het thans te vroeg om [de minderjarige] naar huis te laten gaan. Een thuisplaatsing van [de minderjarige] zal zorgvuldig moeten geschieden. De gezinsvoogdijmedewerker is van mening dat dit zeer geleidelijk moet plaatsvinden.

Volgens de gezinsvoogdijmedewerker staat iedereen aan het begin van de hulpverlening en is er nog een lange weg te gaan. Er zijn nog voldoende taken voor bureau jeugdzorg weggelegd en het is jammer dat dit niet gezien wordt door de betrokkenen.

Hoewel in het begin alle betrokkenen dezelfde weg wilden bewandelen, is gaandeweg de rit een strijd ontstaan die niet ten goede komt van [de minderjarige].

In de afgelopen periode is gebleken dat [de minderjarige] veel geleerd heeft maar dat er nog voldoende aandachtspunten overblijven.

4. Beoordeling

4.1. Het verzoekschrift

De kinderrechter heeft de advocaat van de moeder voorgehouden dat uit de aanhef en het lichaam van het verzoekschrift blijkt dat de moeder tevens de bedoeling heeft te verzoeken dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt opgeheven. Dit verzoek is echter niet in de conclusie van het verzoekschrift opgenomen. De advocaat heeft ter zitting verzocht de conclusie zo te lezen dat deze mede het verzoek om opheffing van de ondertoezichtstelling inhoudt. De kinderrechter heeft dit verzoek ingewilligd, omdat uit de aanhef en het lichaam van het verzoekschrift onmiskenbaar volgt dat het verzoekschrift mede ziet op de opheffing van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en voorts niet gebleken is dat de overige belanghebbenden door deze lezing in hun procesbelangen zijn geschaad.

4.2. Ontvankelijkheid

Zoals blijkt uit de aanhef van het verzoekschrift heeft de moeder de kinderrechter verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in te trekken door toepassing te geven aan artikel 1: 263 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het tweede tot en met vierde lid van dit artikel, in onderling verband gelezen, blijkt dat de rechtsingang bij de kinderrechter niet eerder openstaat dan nadat bureau jeugdzorg heeft beslist op een verzoek van een of meer van de in het tweede lid genoemde belanghebbenden om - voor zover hier relevant - de uithuisplaatsing te beëindigen of de duur daarvan te bekorten. Uit de door de advocaat van de moeder overgelegde stukken blijkt dat [de minderjarige], die belanghebbende is in de zin van artikel 1: 263 lid 2 BW, in een ongedateerde brief aan de aan haar toegewezen gezinsvoogdijmedewerker, de heer [S], heeft meegedeeld naar huis terug te willen gaan, omdat zij een besloten behandelplek voor haar niet geschikt vond en zei open te staan voor vrijwillige hulpverlening. Desgevraagd heeft de heer [S] ter zitting verklaard dat bureau jeugdzorg niet schriftelijk heeft gereageerd op deze brief. Naar het oordeel van de kinderrechter brengen de bewoordingen van de brief van [de minderjarige] mee dat deze beschouwd moet worden als een verzoek aan bureau jeugdzorg haar uithuisplaatsing te beëindigen. Aangezien bureau jeugdzorg een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder a Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de brief van [de minderjarige] te beschouwen als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb en de door bureau jeugdzorg op deze aanvraag te nemen schriftelijke beslissing als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb. Uit artikel 6:2 aanhef en onder b Awb volgt dat het niet (tijdig) nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. In het in artikel 1: 263 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 1: 260 lid 4 BW is meer in het bijzonder bepaald dat het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door bureau jeugdzorg voor de toepassing van deze bepaling wordt gelijkgesteld met een afwijzing van het verzoek. Omdat vast staat dat bureau jeugdzorg niet schriftelijk heeft beslist op voornoemd verzoek van [de minderjarige] brengt laatstgenoemde wettelijke bepaling mee dat bureau jeugdzorg geacht moet worden dit verzoek te hebben afgewezen. Met deze afwijzing staat de rechtsingang tot de kinderrechter voor de moeder, die eveneens belanghebbende is in de zin van artikel 1: 263 lid 2 BW, open. De moeder is dus ontvankelijk in haar verzoek.

4.3. Inhoudelijke beoordeling

Uit artikel 1: 263 BW volgt dat de kinderrechter op verzoek de machtiging geheel of gedeeltelijk kan intrekken of de duur ervan bekorten, als er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De kinderrechter zal het verzoek dienen toe te wijzen als de gewijzigde omstandigheden tot het oordeel leiden dat niet langer is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de machtiging tot uithuisplaatsing, in het geval van [de minderjarige] een uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg. Voor zover voor deze zaak van belang zijn deze wettelijke voorwaarden opgenomen in artikel 29b lid 3 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Hierin is bepaald dat de machtiging voor gesloten jeugdzorg slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de problemen voor [de minderjarige] zijn begonnen rond haar 14e jaar toen de relatie tussen haar moeder en stiefvader ernstig verslechterde, wat uiteindelijk heeft geleid tot hun echtscheiding. [de minderjarige] heeft ter zitting verteld dat haar wereld ten gevolge van het uiteen gaan van haar ouders “in duizend stukken is gevallen”. Daar komt bij dat ze in deze periode heeft vernomen dat de stiefvader niet haar biologische vader is. Door de machtsstrijd tussen haar moeder en stiefvader raakte [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict. [de minderjarige] heeft voorts verklaard dat zij stiefvader na de echtscheiding enige tijd niet meer van haar moeder mocht zien. In april 2008 is [de minderjarige] vrijwillig in de Jeugd Opvang Groep (JOG) van Xonar geplaatst, omdat de situatie thuis onhoudbaar was geworden. Tot en met het schooljaar 2007-2008 zat zij op het gymnasium. Omdat haar schoolresultaten verslechterden is zij bij de aanvang van het schooljaar 2008-2009 op het atheneum gestart, maar sinds eind 2008 is zij geheel niet meer naar school gegaan. In de periode dat ze in het JOG verbleef kwam ze in aanraking met softdrugs. Voorts heeft ze in het JOG een aantal traumatische gebeurtenissen meegemaakt. Nadat de kinderrechter niet had ingestemd met het bepalen van haar hoofdverblijfplaats bij de stiefvader heeft ze begin 2009 een suïcidepoging ondernomen. In het vroege voorjaar van 2009 werd zij zo onhandelbaar in de groep dat bureau jeugdzorg hulpverlening in het kader van gesloten jeugdzorg als enige uitweg zag. Een daartoe strekkende machtiging werd met instemming van alle belanghebbenden, inclusief [de minderjarige] zelf, bij beschikking van de kinderrechter van 10 april 2009 verleend.

De daadwerkelijke plaatsing van [de minderjarige] in gesloten jeugdzorg heeft vervolgens enige tijd op zich laten wachten. Aanvankelijk verbleef [de minderjarige] nog in het JOG en op vrije momenten bij haar moeder of bij haar stiefvader. Om de beoogde plaatsing in Icarus - in de woorden van bureau jeugdzorg - “meer acuut te maken” is [de minderjarige] medio mei 2009 in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker in Breda geplaatst. Deze plaatsing heeft voortgeduurd tot

9 juli 2009, de datum waarop [de minderjarige] in Icarus is geplaatst. Gedurende de periode dat zij in Den Hey-Acker verbleef is zij niet behandeld. Uit een door bureau jeugdzorg overgelegd “verblijfsplan”, dat een verslag bevat van het verblijf van [de minderjarige] in Den Hey-Acker, komen geen ernstige gedragsmoeilijkheden naar voren. Zoals blijkt uit het verslag gaf [de minderjarige] bij het begin van haar verblijf aan dat ze blij was gesloten te zitten, omdat ze bang was anders steeds verder af te glijden. Aanvankelijk gedroeg ze zich zeer correct naar haar groepsgenoten en zorgde zij goed voor de eigen woon- en leefsituatie, voor haar gezondheid en uiterlijk en toonde zij zich behulpzaam. In het onderhouden van sociale contacten stelde zij zich in de loop der tijd dominanter op. Verder gaf ze blijk van een zeer sterke wil. Het verslag maakt geen melding van enig gebruik van softdrugs, terwijl deze haar, zoals zij ter zitting heeft verteld, wel werden aangeboden.

[de minderjarige] heeft herhaaldelijk, eerst richting bureau jeugdzorg en later in deze procedure aangegeven dat haar verblijf in Den Hey-Acker bij haar een schok teweeg heeft gebracht en dat dit haar heeft doen beseffen dat ze alles op alles moet zetten om haar leven weer op de rails te zetten. Ze stelt dat het contact met haar moeder en stiefvader is hersteld, wat door beiden wordt bevestigd. Ze is voorts doordrongen van het feit dat het voor haar van het grootste belang is haar schoolopleiding weer op te pakken. Ze is vastbesloten de haar bij uitzondering geboden kans haar schoolopleiding op het atheneum weer op te pakken aan te grijpen. Ze wil dit heel graag doen vanuit de thuissituatie, omdat zij dan weer samen met haar jongere zusje, die naar dezelfde school gaat en die zij nu zeer mist, kan optrekken. Zowel [de minderjarige] als haar moeder en stiefvader hebben in geschrift en ter zitting benadrukt dat zij zich er ten volle van bewust zijn dat [de minderjarige] nog hulp nodig heeft om de voor haar traumatische gebeurtenissen uit het recente verleden te kunnen verwerken. Ze is vastbesloten de voor haar geïndiceerde behandeling bij Lionarus vrijwillig te ondergaan. Ze maakt ter zitting een zelfbewuste en gezonde indruk. Naar het oordeel van de kinderrechter is er dan ook sprake van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1: 263 lid 2 BW.

De kinderrechter is verder van oordeel dat deze gewijzigde omstandigheden dienen te leiden tot het oordeel dat niet langer aan de wettelijke voorwaarden voor gesloten jeugdzorg is voldaan. De kinderrechter is weliswaar met bureau jeugdzorg van oordeel dat het prematuur zou zijn nu al te oordelen dat elke bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] is weggenomen - een standpunt dat trouwens ook niet door [de minderjarige], haar moeder en stiefvader wordt inge¬nomen - maar is wel van oordeel dat er voldoende garantie bestaat [de minderjarige] zich openstelt voor hulp in het vrijwillige kader. Bovenal acht de kinderrechter van belang dat de sterke wil van [de minderjarige] nu gericht is op het veiligstellen van een goede toekomst, te beginnen met het voltooien van haar schoolopleiding en dat zij daarbij steun ondervindt van haar moeder en stiefvader.

Gelet op de ernst van de nog betrekkelijk recente problemen die [de minderjarige] heeft onder-

vonden acht de kinderrechter het te ver voeren om nu ook al de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te beëindigen. De bij beschikking van 6 januari 2009 uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige] duurt voort tot 6 januari 2010. De resterende termijn valt daarmee min of meer samen met het eerste semester van het schooljaar. Het voortduren van de ondertoezichtstelling gedurende de resterende periode geeft de gezinsvoogdijmedewerker, die zich overigens zeer betrokken heeft getoond bij het wel en wee van [de minderjarige], nog enige tijd de gelegenheid de vinger aan de pols te houden.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing:

5.1.

Wijst het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling af.

5.2.

Trekt de verleende machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 4 september 2009 in.

5.3.

Wijst af het meer of anders verzochte.

5.3.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

LF

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a.door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b.door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.