Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ6891

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
03-700509-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: De rechtbank neemt aan dat de ontuchtige handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden. Niet alleen is verdachte (39 jaar) veel ouder dan het slachtoffer (11jaar) dat ook verstandelijk gehandicapt is, bovendien heeft het slachtoffer meerdere malen gezegd dat verdachte moest stoppen waaraan hij geen gevolg heeft gegeven. Verdachte heeft gebruik gemaakt van de overwichtsituatie die hij op het slachtoffer had en aldus dwang uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700509-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Raadsman mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2009 en op de zitting van 22 juli 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: meerdere malen seksueel is binnengedrongen bij een meisje onder de leeftijd van 12 jaar

Feit 2: ditzelfde meisje heeft aangerand

3 De voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de handelingen zoals omschreven in feit 2 al begrepen zijn in feit 1, zodat de officier van justitie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Dit standpunt deelt de rechtbank niet. De rechtbank is met de officier van justitie van oor¬deel dat door de manier waarop feit 1 ten laste is gelegd, dit feit alleen ziet op het binnen¬dringen van het lichaam van het slachtoffer en niet op andere handelingen. Feit 2 ziet der¬halve wel op die andere handelingen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verwor¬pen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, met uitzondering van het binnendringen met de penis, en feit 2, met uitzondering van het likken van de borsten, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen de ontuchtige handelingen te ondergaan door tegen het slacht¬offer te zeggen dat zij niemand over de ontuchtige handelingen mocht vertellen en door ge¬bruik te maken van een overwichtsituatie, nu hij een volwassen man is met een IQ tussen 89 en 99, terwijl het slachtoffer een jong meisje is met een IQ van 49.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 en feit 2 bepleit. Ten aanzien van feit 1 is de raads¬man van mening dat niet vaststaat dat verdachte met zijn penis is binnengedrongen in het lichaam van het slachtoffer. Eveneens staat volgens de raadsman niet vast dat verdachte met zijn vinger in de vagina van het slachtoffer is binnengedrongen. Volgens de raadsman is slechts sprake geweest van het betasten van de vagina. De raadsman heeft naar voren ge¬bracht dat het twijfelachtig is of de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting strookt met de werkelijke gang van zaken, aangezien verdachte zeer veel moeite heeft zijn gedachten en gevoelens verbaal tot uitdrukking te brengen, hetgeen blijkt uit zijn houding ter terechtzitting. Dit blijkt tevens uit de wisselende verklaringen van verdachte wat betreft het binnendringen van de vagina. Zo heeft verdachte zowel ter terechtzitting als bij de rech¬ter-commissaris verklaard dat hij twee keer met zijn vinger in de vagina is geweest. Bij de politie daarentegen heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij niet met zijn vinger is bin¬nengedrongen in de vagina, maar dat hij met zijn vinger tot aan de clitoris is geweest. Pas later tijdens zijn verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij wel met zijn vinger in de vagina is geweest.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat geen sprake is van het ten laste gelegde “dwingen door geweld of een andere feitelijkheid of het bedreigen met geweld”, nu het gedrag van verdachte niet van dusdanige aard is geweest dat het voldoende intensiteit heeft gehad om de weerstand van het slachtoffer te breken. De raadsman brengt naar voren dat verdachte ontkent dat hij tegen het slachtoffer heeft gezegd dat zij er met nie¬mand over mocht praten en dat voorts niet duidelijk is wanneer dit door verdachte zou zijn gezegd. Eveneens blijkt niet dat verdachte het slachtoffer onverhoeds heeft betast. Het ver¬schil in leeftijd en/of IQ tussen verdachte en het slachtoffer levert naar de mening van de raadsman geen dwang door een andere feitelijkheid op, nu blijkens rechtspraak van de Hoge Raad ook het enkele bestaan van een afhankelijkheidsrelatie daartoe onvoldoende is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij tweemaal, in december 2007 en in febru¬ari 2008, met zijn vinger in de vagina van het slachtoffer is binnengedrongen. Dit gebeurde bij haar moeder thuis op de slaapkamer.

Het slachtoffer heeft tijdens het studioverhoor eveneens verklaard dat verdachte op twee verschillende momenten op haar moeders slaapkamer zijn vinger in haar vagina heeft gestopt.

Uit de geboorteakte van [slachtoffer] blijkt dat zij is geboren [in 1996]en aldus was zij ten tijde van het seksueel binnendringen door verdachte beneden de leeftijd van 12 jaar.

De rechtbank is, in tegenstelling tot de raadsman, van oordeel dat de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd een geloofwaardige verklaring is, mede gelet op het gegeven dat deze verklaring overeenkomt met hetgeen het slachtoffer heeft verklaard over het binnendringen van de vagina.

Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen seksu¬eel is binnengedrongen bij [slachtoffer], terwijl zij de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt.

Feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft aangerand gelet op het volgende.

Ter terechtzitting heeft verdachte toegegeven dat hij het slachtoffer heeft gewreven over de borsten en de vagina. Het slachtoffer spreekt hier ook over in haar verklaring die zij in de verhoorstudio heeft afgelegd. Deze handelingen kunnen daarom wettig en overtuigend be¬wezen worden geacht.

Verdachte ontkent echter de overige ontuchtige handelingen die hem onder feit 2 verweten worden. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor deze handelingen onvoldoende wettig en overtui¬gend bewijs voorhanden is.

Die bewezen ontuchtige handelingen zijn bij een tenlastelegging op grond van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar indien het slachtoffer als gevolg van op haar uitge¬oefende dwang er toe gekomen is een en ander te dulden. Met andere woorden, ingeval van een volledig vrijwillig meewerken aan de handelingen door het slachtoffer, zijn de hande¬lin¬gen op grond van dit wetsartikel niet strafbaar. Daarom heeft de rechtbank zich gebogen over de vraag of van dwang sprake is geweest.

In de tenlastelegging wordt in dit verband aan verdachte in de eerste plaats verweten dat hij de ontuchtige handelingen onverhoeds heeft uitgevoerd. Op zich kan het onverhoeds uitoe¬fe¬nen van een ontuchtige handeling – waardoor het slachtoffer wordt overdonderd en geen tijd krijgt om zich te verzetten – een vorm van dwang opleveren die onder de werking van artikel 246 Wetboek van Strafrecht valt. In dit geval is echter van een dergelijk onverhoeds handelen geen sprake. Op grond van de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer neemt de rechtbank aan dat de handelingen voor het slachtoffer niet zodanig onverwacht kwamen dat zij zich er daarom niet meer tegen kon verzetten.

Ook wordt in de dagvaarding gesteld dat verdachte tegen het slachtoffer heeft gezegd dat zij: “aan niemand mocht vertellen dat zij die handelingen heeft ondergaan”. Ook hiervan zou dwang uitgegaan zijn. Verdachte ontkent deze woorden, of soortgelijke, tegen het slacht¬of¬fer gesproken te hebben. Maar zelfs als het wel gebeurd zou zijn, dan zijn het woorden die volgens de tekst van de tenlastelegging gesproken zouden zijn nadat de ontuchtige hande¬lingen hadden plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat die woorden in ieder geval niet aan de ontuchtige handelingen vooraf gegaan zijn en dus ook niet hebben kunnen bijgedragen aan enige dwang op het slachtoffer om de handelingen te dulden.

Ten slotte wordt in de dagvaarding gewezen op het grote leeftijdsverschil tussen verdachte, 39 jaar oud, en het slachtoffer, 11 jaar oud, evenals de verstandelijke handicap van het slacht¬offer. Ook hier zou dwang vanuit gegaan zijn.

De raadsman van verdachte heeft er terecht op gewezen dat het enkele bestaan van een groot leeftijdsverschil of een verschil in verstandelijke capaciteiten onvoldoende is om aan te kun¬nen nemen dat dwang op het slachtoffer is uitgeoefend (vgl. onder andere HR 27 maart 2007, LJN AZ5707). Dat overwicht moet ook daadwerkelijk zijn gebruikt om enige vorm van weerstand te breken alvorens van dwang sprake is.

In de door haar in de verhoorstudio afgelegde verklaring heeft het slachtoffer enkele malen aangegeven dat zij tegen verdachte heeft gezegd dat hij moest stoppen. Verdachte trok zich hiervan echter niets aan en ging verder. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de waarheid van deze verklaring van het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank leverde dit geen gevolg geven aan de wens van het slacht¬offer om te stoppen, gelet op haar beperkte geestelijke capaciteiten en het grote leef¬tijdsverschil, voor haar een geestelijke overwichtsituatie op waaraan zij geen weerstand kon bieden. Daardoor werd zij gedwongen de ontuchtige handelingen te ondergaan en aldus is er sprake van “dwang door enige feitelijkheid”.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat bij de verfeitelijking van de dwang in de dagvaarding enkel het grote leeftijdsverschil en de geestelijke handicap van het slachtoffer worden genoemd en niet de wijze waarop dwang is uitgeoefend. Dat laatste zou juridisch zuiverder zijn geweest. Anderzijds blijkt die dwang wel uit het dossier en moet de dag¬vaar¬ding in samenhang met het dossier gelezen worden. Uit dat samenstel volgt voor verdachte op heldere wijze wat hem verweten wordt. Bij de behandeling ter terechtzitting is ook niet gebleken dat een en ander voor verdachte onduidelijk zou zijn geweest.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 december 2007 tot en met 29 februari 2008 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, met [slachtoffer]geboren [in 1996], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, vinger in de vagina van [slachtoffer] geduwd;

2.

in de periode van 1 december 2007 tot en met 29 februari 2008 in de gemeente Sittard-Geleen, door feitelijkheden [slachtoffer]heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het wrijven over de borsten van [slachtoffer] en het wrijven over de vagina van [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheden uit het verschil in leeftijd en ontwikkelingsniveau tussen hem, verdachte (leeftijd: 38 jaar) en [slachtoffer] (leeftijd 11 jaar), verstandelijk gehandicapt met een IQ van 49.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaar¬delijk met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte een behandeling ondergaat bij de Forensisch Psychiatrische Polikliniek De Horst.

De raadsman heeft bepleit om ingeval van een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het door verdachte ondergane voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft tevens bepleit om naast de gevangenisstraf een werkstraf op te leggen. De raadsman heeft naar voren gebracht dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het door verdachte ondergane voorarrest ertoe zal leiden dat verdachte zijn baan kwijtraakt.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de per¬soon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van seksueel getinte handelingen bij een kind dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog geen twaalf jaar oud was. Het gaat om het binnendringen in de vagina met een vinger en het wrijven over de borsten en de vagina. Deze feiten zijn op zich al ernstig maar worden in dit concrete geval nog ernstiger door de navolgende omstandigheden:

? verdachte is al enkele jaren de vriend van de moeder van het slachtoffer. Het slacht¬offer is verdachte als haar vader gaan beschouwen. Daarmee neemt verdachte een heel belangrijke vertrouwenspositie in het leven van het slachtoffer in. Zij hoefde niet te ver¬wachten dat dat vertrouwen beschaamd zou worden en al helemaal niet op de wijze zoals nu is gebeurd;

? verdachte is 39 jaar oud, het slachtoffer pas 11. Het slachtoffer is bovendien geestelijk gehandicapt. Verdachte behoort zich dan nog meer van zijn verantwoordelijkheden be¬wust te zijn dan in een situatie dat het leeftijdsverschil kleiner zou zijn of het slachtof¬fer op een meer gelijkwaardig niveau zou functioneren. Verdachte is hierin echter op grove wijze tekort geschoten;

? de bewezen verklaarde handelingen hebben op twee verschillende data plaatsgevonden. Als verdachte de eerste keer al overrompeld zou zijn door handelen van het slachtoffer en zijn eigen reactie daarop, dan is er toch geen enkele verklaring waarom het daarna nog een keer is gebeurd. Toen was hij immers gewaarschuwd.

Anderzijds heeft verdachte er blijk van gegeven het verkeerde van zijn handelen in te zien. Hij heeft zich aangemeld bij de Forensisch Psychiatrische Polikliniek De Horst waar hij trouw een behandeling volgt voor plegers van seksuele delicten. Verdachte onderhoudt ook contacten met de reclassering en volgt de adviezen daarvan op. De relatie met de moeder van het slachtoffer is beëindigd. Uit een uitgebrachte persoonsrapportage blijkt dat verdach¬te geen bijzondere persoonsproblematiek heeft. Al deze elementen samen maken dat de kans op herhaling als laag wordt ingeschat. Ook daarmee dient de rechtbank rekening te houden bij het bepalen van de juiste strafmaat.

Verder acht de rechtbank van belang dat de handelingen welke verdachte bij het slachtoffer heeft gepleegd wel ernstig verwijtbaar zijn, maar dat er in dit kader ook handelingen bestaan die vele malen ernstiger zijn en waaraan verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt. Ten slot¬te is er door verdachte geen fysiek geweld gebruikt.

Gelet op al deze omstandigheden, en de uitspraken in vergelijkbare zaken, acht de rechtbank de strafeis van de officier van justitie aanmerkelijk te fors.

Alles afwegend zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opleg¬gen, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Omdat de rechtbank het van belang acht dat ver¬dachte de behandeling bij De Horst afmaakt zal zij als voorwaarde waaraan verdachte gedurende de proeftijd moet voldoen onder andere bepalen dat hij deze behandeling vol¬tooit. Ten slotte acht de rechtbank een werkstraf van 180 uur passend.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2021,50 -te ver¬meerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade- ter zake van feit 1 en 2, waarvan € 21,50 ter zake materiële schade en € 2000,- ter zake van immate¬riële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd € 21,50 ter zake materiële schade toe te wijzen. Voorts heeft de officier van justitie, op basis van nummer 975 en 976 van de ANWB Smar¬tengeldgids 2006, gevorderd het toe te wijzen bedrag ter zake immateriële schade te matigen tot € 1500,-.

De raadsman heeft de hoogte van de materiële schade niet betwist. De raadsman is van me¬ning dat het gevorderde schadebedrag ter zake immateriële schade te hoog is en derhalve door de rechtbank dient te worden gematigd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [naam slachtoffer] door de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 750,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] door de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht ad € 21,50 ter zake van vervoerskosten kinderpsycholoog.

Nu aan de verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal de vordering daarom tot het totaal-bedrag van € 771,50 worden toegewezen. De rechtbank zal de vorde¬ring van de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor het overige afwijzen.

Nu de verdachte ter zake van de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 244 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen¬ver¬klaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proef¬tijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte de behandeling die hij thans volgt bij de Forensisch Psychiatrische Polikliniek De Horst zal voltooien;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer],

van € 771,50, waarvan € 21,50 ter zake van materiële

schade en € 750,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke

rente, berekend vanaf 29 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor het overige af;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer € 771,50 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Hazen, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 augustus 2009.

Buiten staat

Mr. A.J. Hazen en mr. R.A.J. van Leeuwen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 29 februari 2008 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met [slachtoffer](geboren [in 1996]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger en/of zijn, verdachtes penis in de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 29 februari 2008 in de gemeente Sittard-Geleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het wrijven over en/of betasten en/of strelen en/of likken van de borst(en) van [slachtoffer] en/of het wrijven over en/of betasten en/of strelen van de vagina van [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds en/of onverwachts wrijven over en/of betasten en/of strelen en/of likken van de borst(en) van [slachtoffer] en/of het wrijven over en/of betasten en/of strelen van de vagina van [slachtoffer] en/of uit het toevoegen aan

[slachtoffer] dat zij, [slachtoffer], niemand mocht vertellen dat zij die handelingen van hem, verdachte, heeft moeten dulden/ondergaan en/of uit het verschil in leeftijd en ontwikkelingsniveau tussen hem, verdachte (leeftijd: 38 jaar) en [slachtoffer] (leeftijd 11 jaar, verstandelijk gehandicapt met een IQ van 49);