Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ6799

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-08-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
03-610042-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Omstandigheden waaronder een gebroken neus zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/610042-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens]

wonende te [adresgegevens].

Gedetineerd in de P.C. JHvB De Sprang te 's-Gravenhage.

Raadsman is mr. T. Boumans, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem vast te pakken en hem een kopstoot te geven, dan wel heeft geprobeerd aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel [slachtoffer 1] opzettelijk heeft mishandeld waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Feit 2 : zijn oma, [slachtoffer 2], heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 primair brengt de officier van justitie naar voren dat een neusbreuk in beginsel niet altijd als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd hoeft te worden, maar in dit geval wel. Er is namelijk operatief ingrijpen nodig om het letsel te herstellen, hetgeen ook blijkt uit de stukken die het slachtoffer in het kader van zijn vordering benadeelde partij heeft ingediend.

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van mening dat, ondanks de ontkennende verklaring van verdachte, er voldoende bewijs is voor een bewezenverklaring. In het dossier bevindt zich een aangifte/klacht van de oma van verdachte, genaamd [slachtoffer 2]. Als ondersteunende bewijsmiddelen bevinden zich in het dossier een letselbeschrijving van het letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen en de verklaringen van [getuige 1] en van de verbalisanten, die ter plekke zijn geweest, dat [slachtoffer 2] zichtbaar hulpbehoevend was. Het scenario dat [slachtoffer 2] het letsel op een andere manier heeft opgelopen wordt door deze verklaringen uitgesloten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank wat betreft feit 1. Hij brengt hierbij wel naar voren dat verdachte het niet eens was met de medicatie welke hij moest innemen en dat hij zich in het nauw gedreven voelde omdat hij in separaat zat. Over feit 2 merkt de raadsman op dat enkel bewezen verklaard kan worden dat verdachte [slachtoffer 2] met kracht bij de polsen heeft gepakt, waardoor zij pijn heeft ondervonden. Bovendien geeft de raadsman aan dat het feit in de familiaire sfeer heeft plaatsgevonden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair:

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 26 januari 2009 verbleef in de separaatcel van de gesloten afdeling BC van de Mondriaan Zorggroep in Heerlen.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling bij de politie. Hij heeft verklaard dat hij zag en voelde dat verdachte hem met zijn beide handen vastpakte aan zijn schouders en hem een kopstoot gaf. Ten gevolge van deze kopstoot zakte [slachtoffer 1] door zijn knieën en bloedde zijn neus. [slachtoffer 1] ondervond hiervan hevige pijn aan zijn gelaat en heeft hierdoor zijn neus gebroken. Dit letsel wordt bevestigd in de geneeskundige verklaring van [naam arts], werkzaam op de afdeling Chirurgie in het Atriumziekenhuis te Heerlen. [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte [slachtoffer 1] vasthield. Verdachte deed zijn hoofd naar achter en bracht daarop zijn hoofd met kracht naar voren, waardoor hij met zijn voorhoofd [slachtoffer 1] raakte op zijn neus. [slachtoffer 1] ging daarop onderuit. Zijn neus bloedde. De verdachte heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat hij [slachtoffer 1] een kopstoot heeft gegeven.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] met beide handen heeft vastgepakt en hem een kopstoot heeft gegeven.

De vraag die resteert is of [slachtoffer 1] door deze kopstoot zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank beantwoordt deze vraag, net als de officier van justitie, bevestigend en baseert zich daartoe op de geneeskundige verklaring en de aangifte van [slachtoffer 1]. De neus vertoont een scheefstand naar rechts en is manueel rechtgezet door de KNO-arts. Dit heeft echter niet het gewenste resultaat gehad. Operatief ingrijpen is nodig om het letsel te herstellen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Feit 2:

De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met zijn oma, [slachtoffer 2], op 19 januari 2009 in haar woning op de [Pstraat]te Kerkrade aanwezig was.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de geneeskundige verklaring is ondertekend met de naam [D.]. De rechtbank begrijpt dat [slachtoffer 2] en [D.] een en dezelfde persoon is. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat [D.] de achternaam is van de overleden echtgenoot van [slachtoffer 2].

[slachtoffer 2] heeft aangifte/klacht van mishandeling bij de politie gedaan. Zij heeft verklaard dat verdachte haar vastpakte aan haar polsen, waardoor ze heftige pijn aan haar polsen voelde. Verdachte tilde haar bij haar polsen omhoog en trok haar naar de gang. Zij is vervolgens naar haar slaapkamer op de eerste verdieping gelopen. Op de slaapkamer pakte verdachte haar opnieuw vast en trok haar hardhandig uit bed. [slachtoffer 2] heeft voorts verklaard dat zij hierna naar buiten is gelopen, omdat zij zich behoorlijk bedreigd voelde door verdachte in haar eigen woning. Toen heeft [slachtoffer 2] op de deur gebonkt bij de [Pstraat nr..]en om hulp geroepen. Buiten pakte verdachte haar vast bij haar middel en sleurde haar mee naar binnen. Binnen gooide hij haar tegen de trap. Opnieuw zag zij de kans om naar buiten te lopen. Voordat ze bij de buren kon komen werd ze wederom door verdachte vastgepakt en meegenomen naar de woning. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn oma aan de polsen heeft vastgepakt. De [getuige 1], wonende op de [Pstraat nr..], heeft verklaard dat [slachtoffer 2]bij haar op de deur klopte en paniekerig “help, help” riep. Zij zag dat verdachte een arm om [slachtoffer 2]heen sloeg en zei “kom mee, kom”. Toch bleef [slachtoffer 2]“help, help” roepen. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer 2] blauwe plekken heeft op de rechterflank, op de linker bovenarm en op de onderrug. Tevens heeft ze pijn ter hoogte van de achtste rib.

De rechtbank is van oordeel dat het onaannemelijk is dat [slachtoffer 2] op een andere wijze dan door toedoen van verdachte het geconstateerde letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 2] geloofwaardig, temeer nu het beschreven letsel overeenkomt met de wijze waarop het, volgens [slachtoffer 2], is ontstaan. Daarnaast wordt de aangifte gestaafd met het gegeven dat de [getuige 1] heeft waargenomen dat [slachtoffer 2] bij haar op de deur klopte, in bijzijn van verdachte paniekerig om hulp riep en vervolgens met verdachte meeliep. De rechtbank kan hieruit niets anders afleiden dan dat [slachtoffer 2] in een voor haar precaire situatie verkeerde. Gezien het geheel van het feitencomplex acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn oma, [slachtoffer 2], heeft mishandeld.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 26 januari 2009 te Heerlen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus die operatief ingrijpen nodig maakt) heeft toegebracht, immers heeft hij opzettelijk met beide handen [slachtoffer 1] vastgepakt bij de schouders en vervolgens een kopstoot gegeven;

2. op 19 januari 2009 te Kerkrade opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) met kracht bij de polsen heeft gepakt en meermalen met kracht voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en uit bed heeft getrokken en vervolgens met kracht tegen de trap heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.2 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte heeft ter observatie verbleven in het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht. Over de verdachte is op 3 juni 2009 gerapporteerd door de deskundigen H.A. van Kempen, psycholoog, en R.J.P. Rijnders, psychiater. Deze deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. De verdachte verkeerde volgens de deskundigen in een (paranoïde) psychotische toestand ten tijde van deze bewezenverklaarde feiten.

De raadsman heeft aangevoerd dat de rapportage tegenstrijdigheden bevat en dat de rapportage niet goed onderbouwd is. Omdat de verdachte geweigerd heeft mee te werken, net als de familiereferenten, is het grootste deel van de rapportage gebaseerd op de brief van vader die zich in het strafdossier bevindt. De raadsman is van mening dat er slechts tot verminderde toerekeningsvatbaarheid kan worden geconcludeerd.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de deskundigen een goed onderbouwde rapportage hebben geschreven. De rapportage is gebaseerd op diverse bronnen, waaronder de politiemutaties, de informatie verkregen van GGZ Mondriaan Zorggroep te Heerlen, de brief van vader en het strafdossier, met name de zich daarin bevindende aangifte van oma. Tevens staat in de rapportage duidelijk omschreven welke conclusies getrokken kunnen worden op basis van deze informatiebronnen en voor welke conclusie de informatie te beperkt is.

De rechtbank komt op grond van deze rapportage tot de conclusie dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. Hij zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 De maatregel

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert plaatsing van verdachte in de psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar niet op te leggen, omdat hij niet tot de conclusie van volledige ontoerekeningsvatbaarheid komt.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De deskundigen Van Kempen en Reijnders hebben gerapporteerd:

“Het risico op herhaling van gelijke feiten als de sub 1 en 2 ten laste gelegde wordt hoog geschat. De politiemutaties over 2008 en het begin van 2009 gegeven hiervoor mede een onderbouwing. Betrokkene heeft geen ziektebesef. De crisisdienst heeft in januari 2009 met de politie besproken hem gezamenlijk te bezoeken teneinde te beoordelen of een gedwongen opname was geïndiceerd vanwege gevaarzetting voortvloeiend vanuit een psychiatrische stoornis. Betrokkene zijn paranoïde psychose lijkt zich in de tweede helft van 2008 ook te hebben uitgebreid naar personen buiten zijn familie en -mogelijk- zijn ex-partner. Buren en personen in de tegenoverliggende school, maar ook niet nader geïdentificeerde instanties werden geïncorporeerd in betrokkene zijn waandenken. Uit politiemutaties blijkt ook dat hij zich jegens hen dreigend uitte.

Gegeven de overweging dat betrokkene ontoerekeningsvatbaar dient te worden gehouden voor de twee ten laste gelegde feiten in combinatie met de overwegingen over een hoog recidiverisico menen ondergetekenden dat betrokkene in een gedwongen kader dient te worden behandeld teneinde de gevaarzetting vanuit zijn stoornis te reduceren. Gegeven zijn afwezige ziektebesef en ziekte-inzicht, beide voortvloeiend uit zijn psychiatrische stoornis, alsmede zijn afwezige motivatie voor behandeling, is het onwaarschijnlijk dat een voorwaardelijk behandelingskader afdoende zal zijn. Derhalve zal een maatregel als terbeschikkingstelling met voorwaarden of een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel niet afdoende zijn. Een terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege lijkt een te massieve interventie afgezet tegen de ernst van de ten laste gelegde feiten en het in dit onderzoek niet duidelijk gebleken escalatiegevaar. Hoewel betrokkene thans vermoedelijk niet psychotisch is, menen ondergetekenden, op grond van het recidivegevaar zoals hierboven geschetst, dat de maatregel van last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar noodzakelijk is en adviseren Uw College deze aan betrokkene op te leggen.

Door dit gehele behandelings- en begeleidingspakket kan worden voorkomen dat betrokkene weer in een psychose -met daaraan gekoppeld hoog recidivegevaar- terechtkomt.”

De deskundigen verwachten dat de feitelijke opname in een forensische psychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis niet van heel lange duur hoeft te zijn. Er dient tijdens deze opname gewerkt te worden aan de psychose-kwetsbaarheid en verslavingsgevoeligheid van verdachte. Vanuit de forensisch psychiatrische afdeling kan tevens worden toegewerkt naar het creëren van een veilige woonomgeving en een sociaal steunsysteem, alsmede het situeren van verdachte in een dagactiviteitenprogramma.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen een goede afweging gemaakt omtrent het gegeven advies en hetgeen dat betekent voor het toekomst perspectief van verdachte. Derhalve zal de rechtbank dit advies overnemen en de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar opleggen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.727,96 terzake van feit 1 van de tenlastelegging. De schade bestaat uit de reiskosten (€ 72,96), het verlies van het eigen risico van de zorgverzekering (€ 155,00) en immateriële schade (€ 1.500,00).

De officier van justitie is van mening dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, indien er geen strafoplegging zal plaatsvinden.

De raadsman sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de raadsman, het gevorderde bedrag toewijsbaar.

Volgens de rechtbank dient de benadeelde partij in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard indien de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. In haar jurisprudentie heeft de Hoge Raad echter bepaald dat bij het opleggen van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis de benadeelde partij toch ontvankelijk in haar vordering kan worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de kostenposten zijn aan te merken als rechtstreekse schade door het bewezen verklaarde feit. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde immateriële schade een passend bedrag is voor de schade die de benadeelde partij tot heden heeft geleden. Derhalve zal de rechtbank de vordering benadeelde partij volledig toewijzen. Voorts veroordeelt de rechtbank verdachte tot het betalen van de gevorderde wettelijke rente van 26 januari 2009 tot aan de dag van volledige voldoening.

De rechtbank kan slechts een schadevergoedingsmaatregel opleggen, indien de verdachte wegens het schadeveroorzakende feit wordt veroordeeld. In casu is de verdachte echter ontslagen van alle rechtsvervolging. Het opleggen van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad geen veroordeling in de zin van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve zal de vordering voor zover die ziet op de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel worden afgewezen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

- verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem dientengevolge van alle rechtsvervolging;

- gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de duur van één jaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.727,96 (zeventienhonderdzevenentwintig euro en zesennegentig eurocent) voor de schade tot op heden, vermeerderd met de wettelijke rente van 26 januari 2009 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1]tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. A.M. Schutte en

mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van S.M.Th. Michon, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2009.

Buiten staat

Mr. Schutte is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 26 januari 2009 te Heerlen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus die operatief ingrijpen nodig maakt), heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk met beide handen [slachtoffer 1] vastgepakt bij de schouders en/of vervolgens een kopstoot gegeven;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 januari 2009 te Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer 1] met beide handen heeft vastgepakt bij de schouders en/of vervolgens een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 januari 2009 te Heerlen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een kopstoot heeft gegeven, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel (een gebroken neus die operatief ingrijpen nodig maakt), heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. hij op of omstreeks 19 januari 2009 te Kerkrade opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht bij de polsen gepakt en/of (vervolgens) een of meermalen met kracht voornoemde [slachtoffer 2] vastgepakt en/of (vervolgens) (uit bed) getrokken en/of vervolgens met kracht tegen de trap gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.