Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ6322

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
03-700437-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Bewijs van valsheid in geschriften en oplichting.

Voortgezette handeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700437-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Raadsvrouw is mr. C. Maat, advocate te 's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: met anderen een werkgeversverklaring, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een salarisspecificatie/loonstrook valselijk heeft opgemaakt.

Feit 2: met een ander [naam benadeelde partij]. voor € 302.000,00 heeft opgelicht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Gelet op het tenlastegelegde medeplegen en gelet op de handelingen van verdachtes medeverdachte kan volgens hem een veroordeling voor het op artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gestoelde verwijt volgen, ook al past artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht meer bij de door verdachte zelfstandig verrichte gedragingen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 ten laste is gelegd. De gedragingen van verdachte passen meer bij een op artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht gestoeld verwijt, dan bij een op artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gestoeld verwijt zoals dat verdachte in dit geval wordt gemaakt.

Voorts voert de raadsvrouwe aan dat het onder 2 tenlastegelegde slechts tot het bedrag van € 45.000,00 als voltooid delict kan worden beschouwd, nu dit bedrag door het giraal ter beschikking te stellen ervan aan verdachtes medeverdachte , uit de beschikkingsmacht van de leningverstrekkende instantie, [naam benadeelde partij]., is geraakt. Van het resterende bedrag, € 257.000,00, kan dit niet gezegd worden. Ten aanzien van dat bedrag is er slechts sprake geweest van een poging.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Het betoog van de raadsvrouwe ten aanzien van hetgeen onder 1 ten laste is gelegd, faalt. De stelling dat alleen een veroordeling kan volgen wanneer het meest passende artikel uit het Wetboek van Strafrecht of verwante wetten ten laste is gelegd, vindt in een dergelijke algemeenheid geen steun in het Nederlandse straf(proces)recht.

De rechtbank stelt vast dat medeverdachte aan verdachte heeft gevraagd te zoeken naar een oplossing voor de financiële problemen waarin [medeverdachtes]bedrijf verkeerde. Hij heeft, met medeweten van [medeverdachte], valse stukken laten opmaken en met deze valse stukken een tweede hypothecaire geldlening aangevraagd bij [naam benadeelde partij]. kantoorhoudend te Heerlen. [naam benadeelde partij]. verstrekte op basis van deze stukken de geldlening aan [medeverdachte] en diens echtgenote . Het betrof een geldbedrag van € 302.000,00.

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] en hij uiteindelijk samen op het idee kwamen om diverse stukken valselijk op te laten maken om vervolgens met die stukken een nieuwe hypotheek verstrekt te krijgen. Verdachte heeft naar eigen zeggen voor het verkrijgen van deze stukken een persoon benaderd. De naam van deze persoon wil verdachte niet noemen. Nadat de stukken ontvangen waren, het betrof een salarisstrook een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring, heeft [medeverdachte] de valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst ondertekend. Met de stukken is bij [naam benadeelde partij]. een hypothecaire geldlening aangevraagd. Deze aanvraag is op 23 mei 2005 bij [naam benadeelde partij]. ingediend. De hypotheekakte is uiteindelijk gepasseerd op 12 augustus 2005 te Waalre. Verdachte heeft voor het regelen van de geldlening provisie ontvangen.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat verdachte en hij samen gepland en afgesproken hebben dat valse stukken zouden worden opgemaakt om een hypothecaire geldlening verstrekt te krijgen. [medeverdachte] heeft verder verklaard dat verdachte voor hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, d.d. 4 maart 2005, een loonstrook/specificatie, d.d. 19 mei 2005, en een werkgeversverklaring, ondertekend door [medewerker werkgever], d.d. 10 juni 2005, heeft geregeld. [medeverdachte] moest voor de stukken betalen, doch heeft dit nimmer gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte samen met anderen een werkgeversverklaring, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een salarisspecificatie/loonstrook valselijk heeft opgemaakt en deze stukken zijn gebruikt ter verkrijging van een hypothecaire lening, verstrekt door [naam benadeelde partij].

Met betrekking tot de bewezen verklaarde periode overweegt de rechtbank dat de verdachten geen uitsluitsel hebben kunnen geven wanneer zij exact hun plan zijn gaan beramen en zijn gaan uitvoeren. Ook de diverse processen-verbaal van verhoor en de overige in het dossier bevindende stukken geven daar geen exact uitsluitsel over.

Nu echter de aanvraag voor het verkrijgen van de hypothecaire geldlening op 23 mei 2005 bij [naam benadeelde partij]. is ingediend en verdachten voor het moment van de indiening de diverse benodigde bescheiden hebben moeten verkrijgen en met dit verkrijgen enige tijd gemoeid zal zijn geweest, oordeelt de rechtbank bewezen dat het voormelde bewezen verklaarde feit in de periode 1 maart 2005 tot en met 12 augustus 2005 heeft plaatsgehad.

Ten aanzien van feit 2

[medewerker 1 benadeelde partij] heeft namens [naam benadeelde partij]. bij de politie aangifte gedaan van oplichting. In een bij de aangifte gevoegde brief heeft zij verklaard dat [medeverdachte] en [echtgenote medeverdachte] op 23 mei 2005 bij [naam benadeelde partij]. een hypotheekaanvraag hebben ingediend. Deze aanvraag is door [naam benadeelde partij]. geaccepteerd en de hypotheekakte is 12 augustus 2005 gepasseerd te Waalre.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat na de aanvraag van de hypothecaire geldlening, [naam benadeelde partij]. een offerte stuurde. Het aanvraagformulier, de offerte en alle opgevraagde stukken waaronder de valselijk opgemaakte stukken, zijn samen op 23 mei 2005 opgestuurd naar [naam benadeelde partij]. [naam benadeelde partij]. verstrekte op basis van deze stukken, waaronder de valselijk opgemaakte bescheiden, de hypotheek aan [medeverdachte] en diens echtgenote. Het betrof een bedrag van € 302.000,00, waarvan [medeverdachte] een bedrag van € 45.000,00 op een bankrekening kreeg gestort, waar hij meteen aan kon.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij willens en wetens een hypothecaire geldlening via verdachte heeft geregeld, wetende dat er valse stukken waren opgemaakt voor het verkrijgen daarvan. [medeverdachte] en zijn echtgenote hebben van [naam benadeelde partij]. een hypothecaire geldlening gekregen van € 302.000,00. Van dit bedrag heeft [medeverdachte] € 45.000,00 op zijn bankrekening gestort gekregen, waar hij direct over kon beschikken.

De rechtbank volgt de raadsvrouwe niet in haar betoog ter zake feit 2.

Uit de hypotheekakte volgt dat [medeverdachte] en diens echtgenote van [naam benadeelde partij]. een hypothecaire geldlening van € 302.000,00 euro hebben ontvangen. [medeverdachte] en verdachte hebben beiden verklaard dat [medeverdachte] een geldbedrag van € 45.000,00 op zijn rekening gestort gekregen, waar hij direct over kon beschikken. Uit een e-mail van [medewerker 2 benadeelde partij]van [naam benadeelde partij]., d.d. 19 oktober 2005, blijkt dat de hypothecaire geldlening is overgesloten van [naam verz.mij.]naar [naam benadeelde partij]. De rechtbank leidt hieruit af dat het resterende geldbedrag (€ 257.000,00) naar [naam verz.mij.]is overgemaakt.

Uit het voorgaande volgt dat het gehele bedrag van € 302.000,00 uit de beschikkingsmacht van [naam benadeelde partij]. is geraakt. Dat verdachtes medeverdachte slechts over een gedeelte van dat bedrag vrijelijk kon beschikken, rechtvaardigt niet de conclusies dat er ten aanzien van het gehele bedrag geen sprake kan zijn van “afgifte van een goed” en dat er slechts sprake is van een voltooid delict voor zover aan verdachtes medeverdachte een bedrag van € 45.000,00 ter beschikking is gesteld. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte samen met een ander [naam benadeelde partij]. voor € 302.000,00 heeft opgelicht.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. in de periode van 1 maart 2005 tot en met 12 augustus 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een Werkgeversverklaring in verband met hypothecaire financiering en een Salarisspecificatie/ loonstrook - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders valselijk die Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en die Werkgeversverklaring en die Salarisspecificatie/loonstrook opgemaakt en ondertekend, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. in de periode van 23 mei 2005 tot en met 12 augustus 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [naam benadeelde partij]. heeft bewogen tot de afgifte van Euro 302.000,00, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid een Werkgeversverklaring en een Salarisspecificatie/loonstrook en een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd opgesteld en ondertekend en vervolgens afgegeven bij [naam benadeelde partij]., waardoor voornoemde [naam benadeelde partij]. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

De raadsvrouwe heeft bepleit dat mocht de rechtbank de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen verklaren, deze bewezen verklaarde feiten moeten worden beschouwd als een zogeheten voortgezette handeling. De raadsvrouwe heeft hierbij gewezen op artikel 56, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft bij zijn repliek niet gereageerd op dit onderdeel van het pleidooi.

In het midden latende of bij valsheid en gebruik maken van het vervalste of valselijk opgemaakte in theorie wel aan een voortgezette handeling te denken is, meende de wetgever dat het gebruik de uitvoering voltooit van hetzelfde misdadige besluit waarvan de uitvoering werd aangevangen door de valsheid.

Daarom bepaalde hij in het tweede lid van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht dat bij samenloop van beide slechts één strafbepaling mag worden toegepast. De wetgever noemde dit een wettelijke uitbreiding van het begrip “voortgezet misdrijf” in het algemeen voor de hier bedoelde misdrijven in het bijzonder.

Het artikellid zegt echter niet dat valsheid en het gebruik maken van een vals stuk als voortgezette handeling te beschouwen zijn. Het zegt enkel dat op beide slechts één strafbepaling wordt toegepast, dus dat zij in dit opzicht met voortgezette handeling worden gelijkgesteld.

De rechtbank leidt hieruit af dat artikel 56, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht alleen toegepast dient te worden in het geval dat aan deze verdachte zowel overtreding van artikel 225, eerste lid, als overtreding van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ten laste zou zijn gelegd. Dat is echter niet het geval. Het gebruik maken van het valse stuk is niet als overtreding van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte ten laste gelegd.

Artikel 56, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is daarom niet van toepassing.

Hiermee is echter de vraag of de bewezen verklaarde feiten als voortgezette handeling moeten worden beschouwd nog niet beantwoord.

Het is vaste jurisprudentie dat de handelingen die de voortgezette handeling uitmaken uiting moeten zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit. Met deze eis hangt samen dat er sprake moet zijn van gelijksoortigheid van handelingen.

De rechtbank acht hier één ongeoorloofd wilsbesluit aanwezig. Verdachte heeft immers tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte het plan gesmeed om met behulp van diverse valse stukken een hypothecaire lening voor [medeverdachte] en diens echtgenote te regelen.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of de handelingen die verdachte en zijn medeverdachte ter uitvoering van het ongeoorloofde wilsbesluit verricht hebben, gelijksoortig zijn geweest.

Wanneer gelet wordt op de plaats van artikel 225 en de plaats van artikel 326 in het Wetboek van Strafrecht en het rechtsgoed dat die artikelen direct beschermen, ligt het aannemen van ongelijksoortigheid voor de hand. Artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht dient immers het “openbaar vertrouwen” terwijl artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht het particuliere vermogen bescherming biedt tegen bedriegelijke aantastingen.

In lijn met de beschikking van de Hoge Raad van 30 januari 1990, nr. 2449 (NJB 1990, 81) oordeelt de rechtbank echter dat de strekking van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, ondanks het geplaatst zijn in verschillende titels, dezelfde is: de bevordering van betrouwbaarheid van zekere mededelingen in het maatschappelijke verkeer.

Het is derhalve dat de rechtbank de door verdachte en zijn medeverdachte verrichte handelingen gelijksoortig oordeelt.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een voortgezette handeling en dient artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in het oordeel omtrent de strafmaat te worden betrokken. De rechtbank kan daardoor geen hogere straf opleggen dan als maximum gesteld op overtreding van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het opleggen van die maximale straf is echter, wanneer gelet wordt op de feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, in het geheel niet passend.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op welke moeten gekwalificeerd als volgt:

Feit 1 en 2:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting, in één voorgezette handeling gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft op grond van hetgeen in haar visie bewezen kan worden verklaard, de invoelbare, menselijke overwegingen bij verdachte die geleid hebben tot de gedragingen, het zeer beperkte financiële gewin dat hij met de gedragingen genoten heeft en de gevolgen die een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte teweeg zouden brengen, bepleit de straf te matigen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij beroepsmatig, als erkend hypotheekadviseur de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Verdachte was zich door zijn functie bewust van de laakbaarheid van zijn handelen. Met dat handelen heeft verdachte het vertrouwen beschaamd dat professionele instellingen, zoals banken en verzekeringsmaatschappijen, in hem mochten stellen en heeft hij het aanzien van zijn beroepsgroep schade toegebracht.

Verdachte heeft daarbij de initiërende rol in de feiten gehad. Verdachte was degene die het concrete plan heeft bedacht, ervoor heeft gezorgd dat de stukken valselijk werden opgemaakt en hij heeft ze uiteindelijk ook ingediend.

Verdachte heeft ter zitting geprobeerd de gevolgen van zijn daden te bagatelliseren. Volgens verdachte zijn de financiële gevolgen van zijn gedragingen overkomelijk en heeft hij slechts een bescheiden bedrag aan provisie ontvangen. Deze opstelling baart de rechtbank zorgen. Verdachte heeft kennelijk onvoldoende besef van de strafwaardigheid van zijn handelingen.

De rechtbank heeft op verdachtes strafblad gezien dat hij eerder in contact is geweest met justitie wegens het gepleegd hebben van valsheid in geschrift.

De rechtbank houdt in de bestraffing rekening met de omstandigheid dat verdachtes vergunning om op te treden als hypotheekadviseur inmiddels is ingetrokken. Verdachte heeft daarmee ook op andere wijze de nadelige gevolgen van zijn handelingen ondervonden. De rechtbank houdt tevens in het voordeel van de verdachte rekening met het gegeven dat de feiten reeds in 2005 hebben plaatsgevonden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend is. Van die straf zullen vier maanden voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Voorts acht de rechtbank het opleggen van een geldboete van € 3.000,00 passend en geboden, nu dat bedrag overeenkomt met het voordeel dat verdachte uit de strafbare feiten heeft genoten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de maatschappelijke discussie die is ontstaan nadat bekend is geworden dat een aantal tot een korte gevangenisstraf veroordeelden de opgelegde gevangenisstraf niet behoefden te ondergaan. Deze veroordeelden zouden in plaats daarvan onder elektronisch toezicht zijn gesteld. De rechtbank zou een zodanige wijziging in de executie in de onderhavige strafzaak, als zeer ongewenst bestempelen. De rechtbank heeft bij het bepalen van het samenstel van straffen zeer bewust overwogen dat verdachte een beperkte periode een gevangenisstraf moet ondergaan en niet in plaats daarvan een langere, en in het algemeen als milder ervaren, werkstraf krijgt opgelegd. Een in het algemeen als nóg milder ervaren vorm van straf, te weten elektronisch toezicht, zou in het geheel niet voldoen aan de bedoelingen van de rechtbank. De rechtbank zal daarom in de beslissing bepalen dat (het opgelegde onvoorwaardelijk deel van) de gevangenisstraf moet worden ten uitvoer gelegd in een penitentiaire inrichting.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 56, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd in een penitentiaire inrichting;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor onder feit 2 bewezenverklaarde tevens tot een geldboete van € 3.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, in tegenwoordigheid van mw. S.M.T. Michon, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 juli 2009.

Buiten staat

Mr. P.H.M. Kuster is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 12 september 2007 in de gemeente Valkenswaard en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en/of een Werkgeversverklaring (in verband met hypothecaire financiering) en/of een Salarisspecificatie/loonstrook, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk die Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en/of die Wergeversverklaring en/of die Salarisspecificatie/loonstrook opgemaakt en/of ondertekend, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 12 september 2007 in de gemeente Valkenswaard en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam benadeelde partij]. heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten (ongeveer) Euro 302.000,-, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Werkgeversverklaring en/of een Salarisspecificatie/loonstrook en/of een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd opgesteld en/of ondertekend en/of (vervolgens) afgegeven bij [naam benadeelde partij]., waardoor voornoemde [naam benadeelde partij]. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.