Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ6277

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
341105 EJ VERZ 09-1400
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BO6780, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

7: 685 BW en 20 EEX-Verordening. Samenloop van ontbindingsprocedure met kortgeding. Omdat de Belgische werknemer in het kortgeding voor de Nederlandse rechter heeft gekozen, neemt de Nederlandse kantonrechter aan dat op grond van de preambule en artikel 28 lid 3 van de verordening in weerwil van het bepaalde in artikel 20 lid 2 EEX-Verordening, alsmede op grond van artikel 3: 13 BW hij wel bevoegd is tot kennisneming van het ontbindingsverzoek hoewel de werknemer woonachtig is in een andere lidstaat dan Nederland.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2009/242
JIN 2009/781
JIN 2009/840 met annotatie van Grootveld
AR-Updates.nl 2009-0656
RAR 2009, 154
JAR 2009, 242

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard-Geleen

beschikking: 30 juli 2009

zaaknummer: 341105 / EJ VERZ 09/1400

typ: hg

coll:

De kantonrechter heeft de navolgende beschikking ex art. 7:685 BW gegeven

inzake

de besloten vennootschap FROMATECH INGREDIENTS BV,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Industriestraat 13 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. P. Caris, advocaat;

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats] terzake domicilie kiezende aan de [adres],

gemachtigde mr. M. Super, advocaat,

verwerende partij.

1. het procesverloop

Gezien de stukken, waaronder speciaal het inleidend verzoekschrift met bijlagen d.d. 9 juli 2009, ingekomen ter griffie op 10 juli 2009, de bijlagen bij het verzoekschrift en de nadere toelichting, het verweerschrift met bijlagen d.d. 21 juli 2009, ingekomen ter griffie op 22 juli 2009, het aantekeningenblad van de mondelinge behandeling d.d. 29 juli 2009, en de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde stukken, uitgezonderd een vijftal producties welke verweerder op de dag van de mondelinge behandeling aan de griffier en de wederpartij heeft gefaxt, waarvan verzoekster noch haar raadsvrouwe in redelijkheid geen kennis meer hebben kunnen nemen en waartegen door de gemachtigde van verzoekster bezwaar gemaakt is.

2. Het verzoek en de motivering daarvan, het verweer en de beoordeling

2. 1. De verzoekende partij verzoekt op de in het verzoekschrift gestelde gronden de tussen haar en verweerder bestaande arbeidsovereenkomst indien en voorzover nodig te ontbinden op grond van gewichtige redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat billijkheidshalve het dienstverband dadelijk, althans op de kortst mogelijke termijn behoort te eindigen, zonder aan de verweerder ter zake een vergoeding toe te kennen met veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure.

Vooreerst stelt de verzoekende partij dat hoewel verweerder in België woonachtig is en volgens de letter van artikel 20 lid 1 van de EEX-Verordening de Belgische rechter bevoegd is om al van dit verzoek kennis te nemen, in dit specifieke geval wel sprake is van bevoegdheid van de Nederlands kantonrechter. De verwerende partij heeft bij dagvaarding van 18 juni 2009 verzoekster voor de kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen gedagvaard teneinde jegens verzoekster de in de dagvaarding vermelde voorzieningen te verkrijgen. Die zaak is verweven met het onderhavige verzoek omdat het kortgeding en de ontbindingszaak als samenhangend beschouwd moeten worden in de zin van artikel 28 lid 3 van de EEX verordening. Wanneer de ontbindingszaak voor de Belgische rechter wordt aangebracht zal deze de zaak naar dezelfde rechter moeten verwijzen die ook het kortgeding behandelt, de kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen.

Het voorwaardelijke verzoek is, zakelijk weergegeven, op de navolgende gronden gebaseerd.

Verweerder is sinds 1 januari 2007 bij Fromatech in dienst als Public Relations Manager voor 28 uur per week tegen een salaris van € 4000,-- bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag.

Verweerder is door de heer [partner van verweerder], verweerders partner, bij Fromatech aangenomen. [partner van verweerder] was op dat moment General Manager en aandeelhouder van verzoekster. De heer [partner van verweerder] bepaalde de feitelijke invulling van de arbeidsverhouding. Verweerder hoefde alleen aan de General Manager verantwoording af te leggen.

Verzoekster kwalificeert de arbeidsverhouding met verweerder als zijnde een niet reëel dienstverband: verweerder verrichtte niet voor 28 uur per week werkzaamheden, maar voerde alleen bij tijd en wijle opdrachten uit die hem door [partner van verweerder] werden gegeven. Binnen de onderneming heeft verweerder geen reële werkzaamheden verricht, kwam en ging wanneer het hem goeddunkte, maar werd wel iedere maand betaald. In de zomer van 2008 heeft [partner van verweerder] zijn aandelen in Fromatech overgedragen aan de huidige General Manager van verzoekster, de heer [opvolger]. Bij deze verkoop is door [opvolger] bedongen en overeengekomen dat het dienstverband met verweerder zou worden beëindigd met wederzijds goedvinden per 1 maart 2009. [partner van verweerder] begreep dat wanneer zijn band met Fromatech ten einde kwam dit ook automatisch zou leiden tot het einde van de arbeidsovereenkomst met verweerder. [partner van verweerder] heeft dienovereenkomstig met verweerder gecommuniceerd. Over de noodzaak te komen tot beëindiging van het dienstverband met verweerder heeft nimmer enige discussie bestaan. Op verzoek van [partner van verweerder] is dit onderwerp niet in de overeenkomst tot overdracht van de aandelen geregeld, maar zou een afzonderlijke vaststellingsovereenkomst worden opgemaakt.

Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft verzoekster op 8 januari 2009 een vaststellingsovereenkomst aan verweerder verzonden met het verzoek een ondertekend exemplaar te retourneren.

Tot verbazing van verzoekster liet verweerder op 12 januari 2009 weten verwonderd te zijn over het mailbericht van 8 januari voordien, inhoudende dat hij op de hoogte was van het voornemen om de arbeidsverhouding met wederzijds goedvinden te beëindigen, maar dat hij niet inzag dat daar een uitgebreide vaststellingsovereenkomst voor nodig was. Verweerder heeft naar mening van verzoekster in zijn e-mail van 2 januari 2009 wel aangegeven dat er toestemming bestond over de beëindiging van zijn dienstverband met wederzijds goedvinden per 1 maart 2009, waar hij schrijft "It is very easy to make an agreement and all that needs to be agreed upon can be written in a few sentences, only that we have terminated our working agreement as per end of february 2009 with mutual agreement that I will resign”. Naar mening van verzoekster is deze duidelijke en ondubbelzinnige verklaring de weergave van de overeenstemming tussen partijen.

De arbeidsovereenkomst is in de optiek van verzoekster per 1 maart 2009 beëindigd, zodat verweerder, anders dan door hem gesteld, geen aanspraken meer heeft op een loon en emolumenten. Voor het geval er wel sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst na 1 maart 2009 meent verzoekster dat sprake is van een gewichtige reden die zodanig is dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden.

De gewichtige reden is met name gelegen in het feit dat verweerder zich niet beschikbaar houdt om werkzaamheden te verrichten en dat naar informatie van verzoekster verweerder werkzaam is voor een concurrerende onderneming, The Food Corporation, welke onderneming wordt gedreven door de heer [partner van verweerder]. Indien er nog een arbeidsovereenkomst zou bestaan, is er naar mening van verzoekster in ieder geval sprake van overtreding van het verbod op nevenwerkzaamheden zoals vervat in de arbeidsovereenkomst van partijen.

Het handelen van verweerder leidt tot een zodanige breuk in de vertrouwensrelatie tussen partijen dat er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, indien en voorzover er al sprake zou zijn van een (reële) arbeidsrelatie. Ook daarin is een gewichtige reden gelegen.

Bij ontbinding zijn naar stelling van verzoekster geen termen aanwezig om aan verweerder een vergoeding toe te kennen. Verzoekster meent dat het gedrag van verweerder de verandering in de omstandigheden in het leven heeft geroepen, zodat het ontstaan daarvan in zijn risicosfeer ligt.

2.2. De verwerende partij stelt, zakelijk weergegeven, het volgende ten verwere.

Verweerder stelt dat de kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen zich in deze zaak onbevoegd moet verklaren. Ingevolge het bepaalde in artikel 20 lid1 EEX-Verordening is de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft bevoegd, in dit geval de Belgische rechter. De voorzieningenprocedure schept geen bevoegdheid. De uitleg die verzoekster geeft aan artikel 20 EEX-Verordening is niet juist, verwezen wordt naar de uitspraak van het Hof van Justitie EG van 24 juni 1981 (NJ 1981,546). Het is ook allerminst vanzelfsprekend dat de Belgische rechter de ontbindingsprocedure zal verwijzen naar de Nederlands kantonrechter. Het is niet mogelijk om een dagvaardingszaak te voegen met een verzoekschriftzaak: het Nederlands procesrecht kent die mogelijkheid niet. Aldus is de Nederlands kantonrechter, meer in het bijzonder de kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen, niet bevoegd om van deze zaak kennis te nemen en dient beslist te worden zoals door de kantonrechter te Sittard-Geleen op 12 mei 2009 in een eerder ontbindingsverzoek tussen partijen is beslist: de kantonrechter dient zich niet te bevoegd verklaren.

Voor het geval de kantonrechter zich toch bevoegd zou verklaren stelt verweerder voorwaardelijk als volgt.

Juist is hetgeen wat is gesteld over de indiensttreding, de functie en de inhoud van de arbeidsovereenkomst. Verweerder had wel degelijk een takenpakket, hij organiseerde de jaarlijkse kerstborrel en vertegenwoordigde verzoekster op diverse beurzen. Voorts regelde hij visa voor werknemers in Dubai en onderhield contacten met de autoriteiten daar. Hij kon binnen de organisatie van verzoekster geheel zelfstandig opereren. Verzoekster heeft verweerder erop gewezen dat aan die zelfstandigheid door het vertrek van de heer [partner van verweerder] een einde was gekomen. Verzoekster heeft zonder enig overleg een vaststellingsovereenkomst inzake de beëindiging van arbeidsverhouding opgesteld en die aan verweerder toegezonden. Op die wijze nam verweerder kennis van het feit dat verzoekster hem kennelijk niet meer in haar organisatie wenste en afscheid van hem wenste te nemen. Verzoekster heeft daarover niet met verweerder gecommuniceerd, maar alleen met de heer [partner van verweerder].

Verweerder bestrijdt dat hij zich heeft ziekgemeld op het moment dat hij ontboden werd op het kantoor van verzoekster. Verweerder heeft nimmer van verzoekster vernomen bij welke Arbo-arts hij zich moest melden voor controle. Blijkens de in het geding gebrachte verklaring van zijn psychiater is er sprake van een ernstige arbeidsongeschiktheidssituatie.

Voorzover verzoekster aan de verstoring van de arbeidsverhouding ten grondslag legt dat verweerder het verbod op nevenwerkzaamheden zou overtreden weerspreekt verweerder dit: de relatie tussen verzoekster en The Food Corporation (TFC) bestaat al vele jaren, verzoekster kocht daar grondstoffen in en tot eind februari 2009 waren beiden met elkaar in gesprek om de lopende samenwerking met ingang van maart 2009 een andere vorm te geven.

Deze onderhandelingen zijn door de weinig coöperatieve houding van de huidige General Manager van verzoekster gestrand. De stelling dat verweerder wel voor de TFC zou kunnen werken maar niet voor verzoekster wordt niet feitelijk onderbouwd. De overgelegde e-mail-berichten dateren uit de tijd dat verweerder nog arbeidsgeschikt was.

Verweerder bestrijdt met nadruk dat er sprake is van een verandering in de omstandigheden die een gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst vormt. Voor het geval dit wel door de kantonrechter zou worden aangenomen, meent verweerder dat het ontstaan van de gewichtige reden ten volle voor rekening en risico van verzoekster dient te worden gebracht.

Verweerder stelt tot slot dat verzoekster niet tot het doen van een ontbindingsverzoek mag overgaan uit hoofde van de aandeelhoudersovereenkomst, de overdracht van de aandelen door [partner van verweerder] aan de huidige General Manager, waarin is bepaald dat verzoekster niet tot ontbinding of beëindiging van de arbeidsovereenkomst met verweerder kan overgaan anders dan na voorafgaande toestemming van de aandeelhoudersvergadering. Daarvan is niet gebleken, zodat dit verzoek in strijd ermee is gedaan.

Wanneer de kantonrechter onverhoopt tot ontbinding van de overeenkomst zou overgaan meent verweerder dat een passende vergoeding het bedrag van € 32.400,-- bruto is.

Verweerder concludeert echter primair dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren, althans verzoekster niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel het verzoek zal afwijzen, met verwijzing van verzoekster in de kosten van de procedure.

2.3. De kantonrechter beoordeelt het verzoek en het verweer als volgt.

2.3. 1. De bevoegdheidsvraag.

2.3.1.1. De vraag of de kantonrechter bevoegd is om van het onderhavige verzoek kennis te nemen wordt door de kantonrechter beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van dit geval, zijnde met name het feit dat ten tijde van de behandeling van dit verzoek eveneens een door verweerder geëntameerde procedure tot het treffen van voorzieningen bij dezelfde kantonrechter aanhangig is. In die procedure wordt, kort gezegd, gevorderd om verzoekster te veroordelen tot voortgezette loonbetaling. Verzoekster heeft op haar beurt in die procedure een reconventionele vordering tot het treffen van voorzieningen ingesteld, strekkende tot veroordeling tot naleving van het concurrentiebeding, dan wel het verbod tot nevenwerkzaamheden, te sanctioneren met dwangsommen, alsmede tot verkrijging van een voorschot van € 50.000,-- op de door verweerder inmiddels reeds verbeurde contractuele boetes. In deze voorzieningenprocedure, zaaknummer 337904 - rolnummer 09/2143, wordt op dezelfde dag waarop deze beschikking wordt gegeven, door de kantonrechter uitspraak gedaan.

De combinatie van een voorziening strekkende tot loondoorbetaling en een voorwaardelijk ontbindingsverzoek is algemeen gebruikelijk, evenals gezamenlijke behandeling van beide zaken algemeen gebruikelijk is. De grondslag voor dit gebruik is dat de partijen verdeeld houdende geschillen, de vraag of met enige zekerheid al dan niet een rechtsgeldig einde aan de arbeidsverhouding is gekomen en daardoor wel of niet de plicht tot loondoorbetaling bestaat enerzijds, en de wens zekerheid te verkrijgen omtrent een einddatum van de arbeidsverhouding anderzijds, door de kantonrechter feitelijk in één zitting behandeld kunnen worden en niet zelden leiden tot een definitieve regeling van der partijen geschillen.

Uit deze algemeen gangbare praktijk blijkt dat tussen de beide procedures door de kantonrechter en door partijen connexiteit wordt ervaren. Het Nederlands burgerlijk procesrecht kent echter geen wettelijke regel die de rechter bevoegdheid geeft om bij deze vorm van connexiteit de dagvaardingszaak en de verzoekschriftzaak op de wijze zoals voor de onderscheiden procedures geregeld in de artikelen 220 jo. 222 respectievelijk 285 lid 2 Rv. te verwijzen of te voegen.

Er is onder kantonrechters een praktijk van informele “kruisvoeging” van beide procedures gegroeid. Deze praktijk strookt met een basisbeginsel van het Nederlands procesrecht dat partijen zo min mogelijk gehinderd worden door formele procesrechtelijke barrières om op een doelmatige wijze binnen een redelijke termijn een rechterlijk oordeel over hun geschillen te verkrijgen. Sprekende voorbeelden van dit beginsel zijn de artt. 65, 66 en 69 Rv.

De kantonrechter beschouwt de voorzieningenprocedure en het verzoek tot de voorwaardelijke ontbinding als twee nauw samenhangende zaken die als zijnde informeel gevoegd gelijktijdige behandeling behoeven.

2.3.1.2. In de onderhavige zaak ligt vervolgens de vraag voor of artikel 20 lid 1 van de EEX-Verordening een informele voeging in de weg staat en ertoe moet leiden dat deze samenhangende procedures toch uit elkaar getrokken worden en op verschillende wijze in verschillende lidstaten los van elkaar moeten worden afgedaan. In de preambule van de verordening is onder (11) bepaald dat de internationale bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn, wat is neergelegd in het beginsel dat de woonplaats van de verweerder maatgevend is. Als uitzondering op dit beginsel is onder (12) van de preambule opgenomen dat naast de woonplaats van de verweerder er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. De verordening geeft als uitwerking hiervan de regeling voor voeging: afdeling 9, de artikelen 27 tot en met 30. In die afdeling wordt echter alleen gesproken over "vorderingen", waardoor ongewis is of verzoeken ook onder de werking van deze artikelen vallen. De kantonrechter moet daarom teruggrijpen op het onder (12) van de preambule gestelde, waarvan de uitwerking in geformuleerd in artikel 28 lid 3 van de verordening, zijnde dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling van de beide zaken.

De kantonrechter kan uit deze beginselen voor de bevoegdheidsregeling in de EEX-Verordening geen andere gevolgtrekking maken dan dat hij op basis van deze uitgangspunten, indien al van toepassing, in afwijking van het bepaalde in artikel 20 lid1 daarvan, bevoegd is tot kennisneming van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Letterlijke toepassing van artikel 20 lid 1 van het de verordening kan in gevallen als de onderhavige tot bewust frustrerend forumshoppen leiden: zo het de werknemer uitkomt kan deze door toepassing van artikel 21 van het verdrag de rechter die reeds een door hem zelf aangespannen andere procedure over het zelfde geschil bevoegd maken wanneer hij daar belang bij heeft, maar evenzogoed de rechtsgang traineren door zich op onbevoegdheid te beroepen in de wetenschap dat de zaak voor dat deel dan bij een andere rechter in een andere lidstaat moet worden aangebracht met als gevolg een ruime vertraging in de behandeling en afhandeling van de zaak.

2 .3.1.3. Naast het vorenoverwogene oordeelt de kantonrechter dat er ook termen aanwezig te achten zijn tot een beroep op onbevoegdheid uit hoofde van de EEX-Verordening, aan te merken als misbruik van bevoegdheid ex artikel 3: 13 BW. De feiten die in de voorzieningenprocedure aan de orde centraal staan zijn precies dezelfde als die in de ontbindingsprocedure centraal staan. Dit geldt eveneens voor het geval verweerder een bodemprocedure aanhangig maakt. Honorering van het beroep op onbevoegdheid heeft enkel tot gevolg dat de verzoekster zich tot de Belgische rechter dient te wenden, in België anders dan in Nederland leidende tot een dagvaardingsprocedure op tegenspraak omdat het Belgische recht de Nederlandse 7: 685 BW-figuur niet kent, waarna de kans bestaat dat deze de zaak zal verwijzen naar de Nederlandse rechter, zeker voor het geval verweerder inmiddels een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt. Het beroep op onbevoegdheid is in niemands belang en frustreert enkel een doelmatige procesgang. Wanneer de verweerder geen beroep had gedaan op de onbevoegdheid van de kantonrechter, zou deze bevoegd zijn geweest krachtens (stilzwijgende) forumkeuze. Wanneer de kantonrechter het beroep op onbevoegdheid passeert ontstaat de situatie die daarmee gelijk te stellen is, waardoor wel een goede en doelmatige rechtsbedeling kan plaatsvinden.

2.3.1.4. Aldus oordeelt de kantonrechter dat deze op grond van het vorenoverwogene bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

2.3.2. De stelling dat de kantonrechter voorts onbevoegd zou zijn om van het verzoek kennis te nemen omdat er geen besluit van de aandeelhoudersvergadering ligt wordt aanstonds gepasseerd op grond van het feit dat artikel 7: 685 BW bepaalt dat ieder van de partijen "te allen tijde" bevoegd is zich tot de kantonrechter te wenden om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

2.3.3. De betwisting door verweerder dat sprake is van een verandering in de omstandigheden bestaande uit een teloorgang van de voor een zinvolle uitvoering van de arbeidsverhouding noodzakelijke vertrouwensband wordt door de kantonrechter verworpen.

Uit hetgeen over een weer is gesteld kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat de arbeidsverhouding van verweerder met verzoekster sterk is ingekleurd en vormgegeven door de persoonlijke verhouding van verweerder met de voormalige bestuurder van verzoekster. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt met welke arbeid hij de 28 uren een week heeft gevuld. Hij heeft volstaan met het globaal noemen van vage werkzaamheden zoals het organiseren van de jaarlijkse kerstborrel en vertegenwoordigen van verzoekster op diverse beurzen, regelen van visa voor werknemers in Dubai en het onderhouden van contacten met de autoriteiten aldaar. Niet weersproken is dat hij vrijwel nooit op kantoor was. De overgelegde e-mailberichten geven, anders dan verweerder stelt, geen duidelijk beeld van zijn activiteiten.

De kantonrechter acht hetgeen verzoekster omtrent het functioneren van verweerder heeft gesteld geloofwaardig en concludeert op basis daarvan dat er sprake is van een diepgaande verstoring in de vertrouwensband die noodzakelijk is om de arbeidsovereenkomst, wanneer deze nog zou bestaan, zinvol voort te zetten. Aldus is er sprake van een verandering in de omstandigheden die een gewichtige reden vormt om de arbeidsovereenkomst, zo deze nog zou bestaan, wegens een gewichtige reden per 1 augustus 2009 te ontbinden.

De kantonrechter heeft zich er van vergewist of het verzoek verband houdt met enig opzegverbod, in casu met name wegens verweerders ziekte, maar kan niet vaststellen dat een dergelijk verband aanwezig is.

2.3.4. De kantonrechter acht uit het over weer gestelde, en op grond van hetgeen onder 2.3.3. is overwogen geen termen aanwezig om aan verweerder een vergoeding naar billijkheid als door hem verzocht toe te kennen.

2.3.5. De kantonrechter oordeelt dat er termen aanwezig zijn om de proceskosten te compenseren.

Al wat partijen overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot een andere beslissing.

3. de beslissing

De kantonrechter beschikt als volgt:

Ontbindt, voor het geval deze op de datum van deze beschikking nog bestaat, de arbeidsovereenkomst tussen Fromatech Ingredients BV en [verweerder] wegens gewichtige redenen per 1 augustus 2009.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van de partijen haar eigen kosten dient te dragen.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. J.J. Groen, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.