Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ5377

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
17-08-2009
Zaaknummer
330269 CV EXPL 09-2600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

7:629 BW en (geen) rechtmatig verblijf vreemdeling

Brengt de omstandigheid dat de verblijfsvergunning niet meer geldig is met zich dat de werkgever niet langer meer gehouden is het loon op grond van artikel 7:629 BW door te betalen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2009/240
AR-Updates.nl 2009-0643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Rolno/zaakno: 330269 CV EXPL 09-2600

typ: AH

Vonnis van de kantonrechter van 5 augustus 2009

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.L. Crutzen;

tegen

de besloten vennootschap ISS CLEANING SERVICES B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E. von Weiler.

1. Procesverloop

Partijen hebben de volgende stukken in het geding gebracht c.q. proceshandelingen verricht:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

Met de dagvaarding en de conclusies zijn diverse producties in het geding gebracht.

Hierna is de zaak voor vonnis gezet waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. Geschil

2.1 Eiseres is sedert 22 mei 2002 in dienst bij gedaagde in de functie van schoonmaakster voor 10 uur per week. Haar huidige brutoloon bedraagt € 10,- per uur, € 232,65 netto per vier weken. Op het moment van indiensttreding beschikte eiseres over een geldige verblijfsvergunning op basis waarvan het haar was toegestaan arbeid te verrichten. Deze vergunning liep in 2006 af maar is verlengd tot 30 april 2007 en vervolgens nog een keer verlengd tot 20 september 2007.

2.2 Eiseres stelt dat zij op 27 juli 2007 de huisarts heeft bezocht en dat haar echtgenoot haar op 30 juli 2007 telefonisch ziek heeft gemeld. Gedaagde heeft haar over deze periode, periode 8/2007, slechts € 11,66 als loon overgemaakt, in plaats van € 219,03. Ondanks het feit dat haar echtgenoot nog tweemaal bescheiden heeft gestuurd naar gedaagde en ondanks diverse malen telefonisch contact te hebben gezocht, heeft gedaagde het achterstallige loon over die periode niet betaald.

2.3 Eiseres is sinds 30 juli 2007 ziek. Gedaagde heeft tot 1 november 2008 het loon/ziekengeld doorbetaald; daarna is de betaling gestaakt. Schriftelijke verzoeken om de betaling te hervatten, hebben niets opgeleverd. Volgens eiseres handelt gedaagde hiermee in strijd met artikel 7:629 BW.

2.4 Op grond van het vorenstaande vordert eiseres dat de kantonrechter bij vonnis, gedaagde veroordeelt:

1. tot betaling van het restloon over de periode 8/2007, zijnde € 207,37, te verhogen met

€ 103,68 conform artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2007 tot de dag van de voldoening;

2. tot onmiddellijke hervatting van de loonbetalingen aan eiseres met ingang van de periode 11/2008 te verhogen met € 339,46 conform artikel 7:625 BW over de periode 11, 12 en 13/2008 en te verhogen met € 348,98 conform artikel 7:625 BW over de periode 1,2 en 3/2009;

3. tot betaling van een dwangsom van € 250,- per dag, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat gedaagde niet voldoet aan het gevorderde onder “1” en/of “2”;

4. in de kosten van dit geding.

2.5 Gedaagde voert gemotiveerd verweer en stelt -zakelijk samengevat- het volgende.

2.5.1 Nadat op 20 september 2007 de geldigheid van de verblijfsvergunning van eiseres is verstreken, is aan eiseres verzocht een kopie te verstrekken van een geldige verblijfsvergunning. Ook na een aanmaning te hebben verstuurd, ontvangt gedaagde echter niets. Pas op 24 oktober 2008 ontvangt gedaagde een kopie van een verblijfsdocument waarop vermeld is dat sprake is van een procedure voor het treffen van een voorlopige voorziening; dat uitzetting hangende de beslissing daarop achterwege blijft en waarop staat dat arbeid niet is toegestaan. Na meer dan een jaar loon te hebben doorbetaald heeft gedaagde het loon met ingang van 1 november 2008 stopgezet.

2.5.2 Eiseres is sinds 6 augustus 2008, bij dupliek gecorrigeerd in 6 augustus 2007, arbeidsongeschikt. In de Memorie van Toelichting over artikel 7:629 BW is vermeld dat de werknemer geen recht heeft op loon tijdens ziekte indien hij ook zonder ziek te zijn daarop geen recht zou hebben gehad. De verhindering om de bedongen arbeid te verrichten moet een gevolg zijn van ziekte. De verhindering om arbeid te verrichten is met ingang van 20 september 2007 gelegen in het feit dat eiseres niet beschikt over de juiste papieren. Er is voorts geen sprake van een oorzaak in de zin van artikel 7:628 BW, nu gedaagde tijdig geverifieerd heeft of eiseres beschikte over een geldige verblijfsvergunning.

3. Beoordeling

3.1 In de eerste plaats oordeelt de kantonrechter dat de vordering tot betaling van een dwangsom dient te worden afgewezen in het licht van artikel 611a lid 1 tweede volzin Rv, nu de hoofdvordering ziet op betaling van een geldsom.

3.2 Daarentegen ligt de vordering onder “1” voor toewijzing gereed. Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde dit onderdeel van de vordering niet weersproken. Pas bij conclusie van dupliek voert gedaagde daartegen verweer. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde daarmee in strijd handelt met de eisen van een goede procesorde omdat aan eiseres de mogelijkheid is ontnomen hiertegen verweer te voeren. Hetgeen gedaagde ter zake bij conclusie van dupliek aanvoert, wordt dan ook als zijnde tardief gepasseerd.

3.3 Ingevolge artikel 2 lid 1 Wet arbeid vreemdelingen (Wav) mag een werkgever een vreemdeling in Nederland geen arbeid laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Dit verbod is -onder meer- niet van toepassing op de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 met de aantekening van de Minister van Justitie dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid (art. 4 lid 1 Wav).

3.4 Eiseres stelt dat zij met ingang van 31 oktober 2000 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning met de beperking verblijf bij echtgenoot. De vergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ is door de minister van Justitie geweigerd. Hiertegen heeft eiseres een beroepsprocedure en een voorlopige voorziening aanhangig gemaakt bij de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Maastricht.

3.5 Op grond van artikel 8 eerste volzin, onder h Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft een vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf “in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist”. Ingevolge artikel 73 eerste lid Vw 2000 wordt de werking van de intrekking van een verblijfsvergunning opgeschort totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Op grond van artikel 78 Vw 2000 beslist de voorzieningenrechter bij een verzoek om voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of administratief beroep, zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar of administratief beroep.

3.6 Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW houdt de werknemer zijn recht op loon indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid wegens -onder meer- ziekte daartoe verhinderd was. Indien de verhindering primair een andere oorzaak heeft, geldt de loondoorbetalingsverplichting niet (blz. 51 en 59, Kamerstukken II 1995/96, 24439, nr. 6). In het onderhavige geval staat vast dat eiseres in ieder geval sinds 6 augustus 2007 ziek is. Nadien, op 20 september 2007, heeft de reguliere verblijfsvergunning van eiseres haar geldigheid verloren. De vraag die beantwoord dient te worden is of deze omstandigheid met zich brengt dat de werkgever niet langer meer gehouden is het loon op grond van artikel 7:629 BW door te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit afhangt van de omstandigheden van het geval. Toen eiseres in dienst is getreden bij gedaagde had zij een geldige verblijfstitel. Bij brief van 2 oktober 2007 heeft gedaagde eiseres erop gewezen dat de geldigheid van haar verblijfsvergunning is verstreken. Daarbij is eiseres er tevens op gewezen dat het verlengen van een verblijfsvergunning zeker twee maanden zal duren en dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om te zorgen voor ‘geldige papieren’. Gedaagde verzoekt eiseres om binnen twee maanden een kopie van de nieuwe verblijfsvergunning of een formeel gestempelde aanvraag voor een nieuwe verblijfsvergunning te overleggen. Bij brief van 23 november 2007 herhaalt gedaagde haar verzoek aan eiseres. Een reactie blijft uit totdat op 24 oktober 2008 het onder ‘2.5.1’ beschreven document door eiseres wordt overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde als een goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW heeft gehandeld. Dat brengt echter nog niet mee dat in het onderhavige geval de loondoorbetaling gestaakt kon worden. Dit hangt af van de beantwoording van de vraag of eiseres nog rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 Vw 2000. In dat geval is de verhindering om arbeid te verrichten immers (nog steeds) gelegen in de ziekte van eiseres. Indien de voorziening door de voorzieningenrechter is toegewezen en eiseres nog steeds rechtmatig verblijf heeft, zal gedaagde worden veroordeeld het loon over de maanden november 2008 tot en met maart 2009 te betalen. Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter eiseres in staat stellen bij akte stukken over te leggen waaruit blijkt dat eiseres nog steeds rechtmatig verblijf heeft. Gedaagde zal een antwoordakte mogen nemen.

3.7 Het was aan eiseres geweest om gedaagde op de hoogte te stellen van de voortgang van de procedure in verband met de verlenging van haar verblijfsvergunning. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Hierin ziet de kantonrechter in ieder geval reden om in het geval dat gedaagde nog steeds rechtmatig verblijf heeft, te oordelen dat de verhoging op grond van artikel 7:625 BW gematigd dient te worden tot nihil.

3.8 In afwachting van de bewijslevering door eiseres, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4. Beslissing

De kantonrechter:

Stelt eiseres in staat om bij akte stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij nog steeds rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 Vw 2000.

Verwijst de zaak naar de rol van 30 september 2009 voor het nemen van een akte in voormelde zin aan de zijde van eiseres.

Stelt gedaagde in staat om vier weken nadat eiseres voornoemde akte heeft genomen, een antwoordakte te nemen.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen, kantonrechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.