Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ5240

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
139618 / OT RK 09-658
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het licht van artikel 1:263 lid 2 BW is enkel het verzoek tot feitelijke beëindiging van de uithuisplaatsing van belang, welke uithuisplaatsing is gebaseerd op de bij beschikking van de kinderrechter van 8 januari 2009 verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Niet gesteld is dat zich sinds de beschikking van 8 januari 2009 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Daarmee heeft de moeder niet voldaan aan haar stelplicht, zodat zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 22 juli 2009

Zaaknummer: 139618 / OT RK 09-658

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende te [adres]

advocaat mr. A.M.H.E.G. Lemmens,

en:

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

wederpartij, verder te noemen: bureau jeugdzorg,

gevestigd te Roermond,

met betrekking tot de minderjarige:

[de minderjarige] geboren [geboortegegevens], verder te noemen: [de minderjarige],

wonende te [adres]

Belanghebbende:

[de vader], verder te noemen: de vader,

wonende te [adres]

advocaat mr. M. Bredius.

1. Verloop van de procedure

Het minderjarige kind staat onder toezicht van bureau jeugdzorg voornoemd.

Bureau jeugdzorg heeft op 6 april 2009 een afwijzende beslissing gegeven op het verzoek van de moeder tot niet formalisering van de plaatsing van de minderjarige [de minderjarige] tot een pleegzorgplaatsing en tot feitelijke beëindiging van de plaatsing.

De moeder heeft bij verzoekschrift van 17 april 2009 beroep ingesteld bij de kinderrechter tegen de afwijzende beslissing van bureau jeugdzorg.

De vader heeft een verweerschrift ingediend op 15 mei 2009.

De moeder heeft nog gereageerd bij faxbericht van haar advocaat van 18 mei 2009 met bijlagen.

De minderjarige heeft gereageerd bij brief van 18 mei 2009.

Bureau Jeugdzorg heeft nog gereageerd bij faxbericht van 18 mei 2009 met bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 mei 2009.

2. De feiten

[de minderjarige] is geboren uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft in een voorziening voor pleegzorg. [de minderjarige] staat sedert 9 april 1998 onder toezicht.

Bij beschikking van de kinderrechter van 8 september 2008 is een machtiging tot uithuisplaatsing van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg verleend met ingang van 8 september 2008 tot en met 8 april 2009.

Bij beschikking van de kinderrechter van 8 januari 2009 is machtiging verleend tot plaatsing van [de minderjarige] met ingang van 8 januari 2009 tot en met 8 april 2009 bij pleegouders, danwel plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg.

Bij beschikking van de kinderrechter van 9 april 2009 is de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 9 april 2009 voor één jaar en is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 9 april 2009 verlengd voor de termijn van één jaar.

3.1 Het verzoek

De moeder heeft verzocht om de uithuisplaatsing van haar dochter [de minderjarige] in de vorm van een pleeggezinplaatsing met onmiddellijke ingang te beëindigen.

De moeder heeft het navolgende gesteld.

De onderhavige pleeggezinplaatsing is niet in het belang van [de minderjarige] en voldoet niet aan de eisen die aan een dergelijke plaatsing gesteld moeten worden. De beslissing tot verlenging van de machtiging is gebaseerd op onjuiste informatie dan wel een onjuiste voorstelling van zaken hierover van de zijde van bureau jeugdzorg. Er bestaat onvoldoende grond voor een uithuisplaatsing.

Op het verzoek van de moeder aan bureau jeugdzorg om de uithuisplaatsing te beëindigen heeft bureau jeugdzorg schriftelijk afwijzend beslist, tegen welke beslissing de moeder thans opkomt.

Bij beschikking van de kinderrechter van 9 april 2009 is de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 9 april 2009 verlengd voor één jaar. De screening van het [gezin P.] waar [de minderjarige] verblijft, was op 9 april 2009 nog niet afgerond, terwijl het gezin door Xonar en bureau jeugdzorg geschikt werd bevonden als pleeggezin. Door bureau jeugdzorg werd niet aangegeven of in casu sprake is van pleegzorg in de vorm van opvoedingsvariant dan wel hulpverleningsvariant, waarbij de laatste variant het eerst dient te worden toegepast. Laatstgenoemde variant vraagt om intensieve ambulante hulp aan de ouders, hetgeen door bureau jeugdzorg op geen enkele wijze aan de moeder is geboden.

Naar de mening van de moeder heeft in casu slechts een formele screening plaatsgevonden en is er geen onderzoek gedaan naar de vraag of dit gezin geschikt is voor [de minderjarige].

De moeder maakt zich grote zorgen om [de minderjarige], doch heeft daarmee geen gehoor gevonden bij bureau jeugdzorg. De moeder heeft vanaf het begin gevraagd om een deskundig onderzoek naar de problemen van [de minderjarige] om te komen tot beantwoording van de vraag of en zo ja welke hulp [de minderjarige] nodig heeft. Daarvoor acht de moeder opname van [de minderjarige] noodzakelijk voor een observatie gedurende 6 tot 13 weken. Voorts heeft de moeder ook verzocht voor begeleiding van zichzelf, zodat zij [de minderjarige] op een goede wijze kan opvangen en begeleiden, doch ook dat is ondanks toezeggingen van bureau jeugdzorg niet van de grond gekomen. Moeder wordt door bureau jeugdzorg stelselmatig overal buiten gehouden.

Ter staving van het door de moeder gestelde heeft zij diverse bescheiden overgelegd.

3.2 Het verweer

De vader van [de minderjarige] heeft een verweerschrift ingediend. Hij is het niet eens met het verzoek tot –kort gezegd – beëindiging van de uithuisplaatsing. [de minderjarige] heeft in het gezin waar zij thans verblijft een goede plek gevonden en is gelukkig. Er is geen schoolverzuim meer en op school gaat het goed. Er is in het pleeggezin rust en regelmaat en er zijn regels voor [de minderjarige], waaraan zij zich moet houden. Screening van het betreffende gezin heeft plaatsgevonden. Nergens is uit af te leiden dat dit slechts een formele screening is geweest. Het feit dat het zo goed gaat met [de minderjarige] duidt er al op dat dit gezin een geschikt gezin is voor [de minderjarige].

Moeder licht niet toe waarom het betreffende gezin niet goed zou zijn voor [de minderjarige].

Moeder dient deze plaatsing te accepteren en vanuit die situatie in overleg te treden met bureau jeugdzorg. De moeder begint steeds weer gerechtelijke procedures, waardoor [de minderjarige] zich juist meer van de moeder afkeert, terwijl de moeder beoogt meer contact te krijgen met haar dochter. [de minderjarige] is inmiddels 16 jaar en kan duidelijk aangeven wat zij wil. Het is niet in het belang van [de minderjarige] dat zij telkens wordt geconfronteerd met een zitting bij de rechtbank. Dat brengt voor haar veel onrust met zich mee. Aangegeven is dat het pleeggezin de vereiste geborgenheid en opvoedingsstabiliteit kan bieden aan [de minderjarige].

Het belang van [de minderjarige] dient voorop te staan. Vader is van mening dat de moeder het belang van [de minderjarige] achterstelt bij haar eigen belang. De moeder verwijst nog naar een niet gedateerde brief van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die naar de mening van de vader al behoorlijk oud moet zijn, gelet op het feit dat mevrouw Ross-Van Dorp tot 22 februari 2007 staatssecretaris is geweest bij dit Ministerie. In die brief wordt overigens melding gemaakt van het feit dat een kind juist meer gebaat is bij een pleeggezin dan een verblijf in een residentiële instelling.

4. Beoordeling

4.1

De moeder heeft verzocht de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in de vorm van een pleeggezinplaatsing met onmiddellijke ingang te beëindigen.

Zij heeft haar verzoek ingediend per fax op 17 april 2009.

4.1.1

De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de moeder haar verzoek tijdig heeft ingediend.

De moeder heeft binnen twee weken na de schriftelijke beslissing van bureau jeugdzorg, welke brief is gedateerd 6 april 2009, haar verzoek bij de kinderrechter ingediend en derhalve tijdig.

4.2

4.2.1

Onderwerp van geschil is de brief van 6 april 2009 van bureau jeugdzorg, waarbij bureau jeugdzorg afwijzend heeft beslist op het verzoek van de moeder om de plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin [P.] niet te formaliseren tot een pleegzorgplaatsing en de plaatsing ook feitelijk te beëindigen.

4.2.2

In het licht van artikel 1:263 lid 2 BW is enkel het verzoek tot feitelijke beëindiging van de uithuisplaatsing van belang, welke uithuisplaatsing is gebaseerd op de hiervoor genoemde machtiging die bij beschikking van de kinderrechter van 8 januari 2009 is uitgesproken.

4.2.3

Bij de beoordeling van het verzoek dienen twee vragen te worden beantwoord:

1.heeft zich sinds de beschikking van 8 januari 2009 een (feitelijke) wijziging van omstandigheden voorgedaan, en zoja

2.had die wijziging in de gegeven omstandigheden voor bureau jeugdzorg aanleiding moeten zijn de uithuisplaatsing in het pleeggezin te beëindigen.

Het verzoek van de moeder strandt reeds bij de beantwoording van de eerste vraag.

De kinderrechter constateert dat de moeder enkel nieuwe bezwaren heeft opgeworpen tegen de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in het huidige pleeggezin en zich daarmee richt tegen de beschikking van 8 januari 2009. Later heeft zij ook bezwaren gericht tegen de verlengingsbeschikking van 9 april 2009. Om daar tegen op te komen bestaat echter de mogelijkheid van het instellen van beroep bij het gerechtshof. Niet gesteld is dat zich sinds de beschikking van 8 januari 2009 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Daarmee heeft de moeder niet voldaan aan haar stelplicht, zodat zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.

5. Beslissing:

Verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.A. Schreinemakers, kinderrechter, en in het openbaar op 22 juli 2009 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

MD

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.