Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ5195

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
03/703605-08, 610135-08, 700368-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BO7655, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 10 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging. Verdachte heeft met een pistool op korte afstand een man door het hoofd geschoten die zijn vriendin en kind zou bedreigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703605-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Gedetineerd Penitentaire Inrichting Tilburg, Huis van Bewaring Koning Willem II te Tilburg

Raadsman is mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 juli 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 1 november 2008 te Heerlen, [naam slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachte rade heeft gedood door hem met een vuurwapen, in/door het hoofd te schieten;

Feit 2 subsidiar: op 1 november 2008 te Heerlen, [naam slachtoffer 1] opzettelijk heeft gedood door hem met een vuurwapen in/door het hoofd te schieten;

Feit 2: op 23 februari 2008 te Heerlen zijn ex-vriendin heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

Voor moord is voorbedachte rade en opzet nodig. De voorbedachte rade wijst op een moment van kalm overleg, bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Verdachte heeft er eerder die bewuste nacht er voor gekozen om een geladen wapen mee te nemen toen hij ging stappen. In de auto heeft verdachte met het wapen gespeeld en het wapen doorgeladen. Hij is toen nog gewaarschuwd door zijn metgezellen. Bij het tankstation heeft verdachte wel doordacht een geladen pistool uit de auto gehaald, heeft het vervolgens doorgeladen en is daarna naar het slachtoffer toegelopen. Verdachte slaat het slachtoffer eerst met de loop van het pistool, doet een pas terug en schiet gericht en met een gestrekte arm in het hoofd van het slachtoffer. Gelet op bovenstaande is sprake van opzet en voorbedachte rade, zodat moord bewezen kan worden.

Feit 2

Verdachte heeft zijn ex-vriendin opzettelijk mishandeld. Een medewerker van KFC verklaart bij de politie dat de man de vrouw zeker vijf maal tegen de arm slaat. Bij de rechter-commissaris verklaart dezelfde getuige dat zij vanaf het loket goed zicht had op de auto’s en dat zij ziet dat er geslagen wordt, maar niet precies waar. Wel heeft de getuige gehoord dat de vrouw ‘Au’ en ‘Laat me los’ riep. Samen met de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen is er voldoende bewijs voor mishandeling.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsman heeft vrijspraak voor de ten laste gelegde moord bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het wapen niet van verdachte was en dat verdachte niet wist dat het wapen was doorgeladen. Verdachte wilde het slachtoffer alleen bang maken en heeft daarom het slachtoffer geslagen, alvorens hij een stap terug deed. Het wapen is afgegaan ten gevolge van een ongecontroleerde spierbeweging, die het gevolg was van het syndroom van Gilles de la Tourette. Verdachte had geen opzet op het schieten. Er is ook geen sprake van voorwaardelijk opzet, aangezien verdachte niet meer heeft nagedacht, ook niet over de consequenties van het syndroom waar hij aan lijdt. Verdachte had een waas voor de ogen. Tevens is het moment tussen het slaan en het schot heel kort. Gezien de zeer korte tijdsduur en het gegeven dat verdachte zwakzinnig is, moeten er hogere eisen gesteld worden aan de termijn voor kalm beraad en rustig overleg, zeker als deze erg kort wordt. Gelet op bovenstaande kan moord niet bewezen worden. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Feit 2

De mishandeling kan niet bewezen worden verklaard, aangezien de getuige bij de rechter-commissaris verklaard heeft dat zij niet kon zien of de man de vrouw raakte en daardoor alleen nog de verklaring van verdachte tegenover de verklaring van zijn ex-vriendin staat. De verdachte dient te worden vrijgesproken van de mishandeling.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, moord, bewezen.

Op 1 november 2008, omstreeks 5:45 uur, komt een melding binnen bij de Regionale Meldkamer van de politie te Maastricht dat er een schietpartij heeft plaatsgevonden bij een tankstation aan de Schelsberg te Heerlen. Als de verbalisanten ter plaatse komen, zien zij een auto met het kenteken [nummer kenteken auto] op de plaats waar de Schelsberg overgaat in de Bokstraat met de achterzijde tegen een in de middenberm geplaatste boom staan. De bestuurder van deze auto bloedde aan de rechtervoorzijde van zijn voorhoofd. De verbalisant ziet dat de ogen geopend maar levenloos zijn en kan geen polsslag meer constateren. Het ambulancepersoneel constateert dat het slachtoffer overleden is. Het slachtoffer wordt geïdentificeerd als [naam slachtoffer 1]. Als doodsoorzaak wordt vastgesteld hersenfunctieverlies en weefselschade ten gevolge van enkelvoudig schotletsel. De schootsafstand bedroeg tussen de 10 en 150 cm. Verdachte verklaart op 5 november 2008 dat hij de dader is van de schietpartij bij de benzinepomp in Heerlerheide en dat hij weet dat het slachtoffer dood is.

Voorbedachte raad

Verdachte verklaart dat het slachtoffer kort voor het lossen van het schot gedreigd had mensen op zijn gezin te zetten, terwijl de vriendin en het kind van verdachte eerder zijn overvallen. Toen verdachte dit hoorde, brak, volgens eigen zeggen, zijn hart. Hij kon daardoor niet helder meer denken toen hij het slachtoffer met het pistool bedreigde. Een dergelijke gemoedstoestand sluit weliswaar uit dat gehandeld zou zijn in koelen bloede, maar sluit niet uit het “in kalm beraad en rustig overleg” beramen en ten uitvoer brengen van het plan een ander van het leven te beroven.

Kalm beraad en rustig overleg, vereist voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade, moet niet zo zeer gezien worden als handelen in koelen bloede, maar meer als het tegenovergestelde van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de dader als het ware onvoorbereid treft en hem brengt tot de onmiddellijk gevolgde daad. Van een dergelijk handelen is in het onderhavige geval geen sprake.

Verdachte heeft verklaard dat hij van de auto van het slachtoffer naar de auto waarmee hij was gekomen, liep en het pistool van de achterbank van de auto pakte en het bij het openstaande achterportier doorlaadde. Vervolgens liep verdachte terug naar het slachtoffer en sloeg het slachtoffer met het pistool op zijn hoofd. Daarna deed verdachte een pas naar achteren en richtte het pistool op het slachtoffer. Hierbij hield hij zijn vinger aan de trekker en vervolgens viel het schot. Verdachte heeft tegenover verbalisanten verklaard dat hij zoveel haat en woede had dat hij schoot. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij het slachtoffer pijn wilde doen.

Op de camerabeelden van het tankstation is te zien dat verdachte omstreeks 05:46:25 uur naar de auto, waarmee hij was gekomen, liep en het rechterachterportier opende. Verdachte boog zich voorover ter hoogte van de achterbank. Verdachte ging rechtop staan en stak met zijn rechterhand kennelijk iets onder zijn geopende jas. De rechtbank is, gelet op de beelden en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, van oordeel dat verdachte omstreeks 05:46:25 uur kennelijk het wapen uit de auto heeft gepakt.

Verdachte liep vervolgens naar het slachtoffer en stak zijn hand in zijn geopende jas. Hij heeft zich bij het linker voorportier in de richting het slachtoffer gebogen en is omstreeks 05:46,48 uur weer rechtop gaan staan. Hij deed een pas naar achteren, strekte zijn linkerarm en wees daarmee in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer viel schuin naar voren richting de middenconsole.

Voor het bewijs van voorbedachte rade kan een tijdsbestek van enkele seconden voldoende zijn.

Het schot valt ongeveer 23 seconden nadat verdachte het wapen uit de auto heeft gepakt en enkele handelingen, waaronder het doorladen, heeft verricht. De rechtbank leidt hieruit af dat er ook tijdens het uitvoeren van het delict momenten zijn geweest waarop verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Dit wordt niet anders nu uit de rapporten van de gedragsdeskundigen blijkt dat de verdachte gezien de invloed van zijn persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid op zijn gedragskeuzes en handelen, als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

De opvatting dat slechts hij die de volledige beschikking heeft over zijn geestvermogens, tot kalm beraad en rustig overleg in staat is vindt geen steun in het recht. Verdachte was naar het oordeel van de rechtbank niet volledig stuurloos en beschikte over de mogelijkheid keuzes te maken met betrekking tot zijn gedrag en zijn handelen.

Opzet

De rechtbank acht, gelet op de inhoud van het dossier en de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, inhoudende dat het schot is gelost doordat hij een tic kreeg die veroorzaakt werd door het syndroom van Gilles de la Tourette, ongeloofwaardig. De rechtbak merkt in dit verband nog op dat tijdens de verhoren van verdachte het syndroom van Gilles de la Tourette nauwelijks door verdachte is benoemd en zeker niet toen hij indringend werd bevraagd over het lossen van het fatale schot. Ook indien de rechtbank uitgaat van de lezing van verdachte dat hij last had van een tic op het moment dat hij het schot loste, neemt niet weg dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer gehad heeft nu hij heeft verklaard zijn vinger aan de trekker te hebben gehad en zich aldus bloot heeft gesteld aan de aanmerkelijke kans dat er een schot zou afgaan.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte niet alleen met opzet heeft gehandeld maar ook met voorbedachte raad, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden verklaard.

Feit 2

Op 23 februari doet het slachtoffer [naam slachtoffer 2] aangifte van mishandeling door haar ex-vriend. Verdachte is bijrijder in de auto van het slachtoffer, ex-vriendin van verdachte. Als verdachte tegen het slachtoffer zegt: “Vanavond laat ik het slecht voor je aflopen...”, trekt het slachtoffer de sleutels uit het contactslot en wil uit de auto stappen. Verdachte pakt daarop het slachtoffer vast bij de haren. Tevens voelt het slachtoffer dat zij een harde klap op haar hoofd krijgt, waardoor zij pijn ondervindt aan haar hoofd. Verdachte verklaart dat hij het slachtoffer toen zij uit de auto wilde stappen, bij de bovenarmen vastpakte en hierbij misschien haar haren per ongeluk vast had.

Een medewerker van KFC te Heerlen verklaart op 24 februari 2008 bij de politie dat zij gezien heeft dat verdachte het slachtoffer zeker vijf maal heeft geslagen.

Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen wordt de onder 2 ten laste gelegde mishandeling bewezen worden verklaard.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 1 november 2008 in de gemeente Heerlen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen van zeer nabij in/door het hoofd van die [naam slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2. op 23 februari 2008 te Heerlen opzettelijk mishandelend een persoon te weten [naam slachtoffer 2], met kracht geslagen heeft en met kracht aan haar haren heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

Moord,

Feit 2:

Mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

4.1 De strafbaarheid van verdachte

Door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog en C.M.J.H. Vermeulen, psychiater, beiden vast gerechtelijke deskundige, is een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater een rapport, gedateerd 18 februari 2009 respectievelijk 5 maart 2009, opgemaakt.

Het rapport van de psycholoog vermeldt daaromtrent:

Bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid wordt het misbruik van middelen niet meegewogen. Wel is meegewogen dat er sprake was van impulsiviteit, verminderde controle, verhoogde krenkbaarheid, de neiging om woede om te zetten in agressief gedrag, gebrekkige gewetensfunctie en gebrek aan empathie. Mogelijk dat betrokkene door zijn cognitieve beperkingen de consequenties van zijn handelen onvoldoende heeft kunnen overzien. Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid wordt geadviseerd om betrokkene, gezien de invloed van persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid op zijn gedragskeuzes en handelen, ten aanzien van het tenlastegelegde, indien bewezen geacht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het rapport van de psychiater vermeldt daaromtrent:

Op basis van de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met de zwakbegaafdheid heeft betrokkene beperkte mogelijkheden om adequaat te reageren op voor hem stresserende en emotioneel belastende omstandigheden; ook zijn stoornis van Gilles de la Tourette speelt mogelijk een rol bij zijn slechte impulsbeheersing. Voorafgaande aan en ten tijde van het tenlastegelegde was er, zo vertelt betrokkene, een opgefokte sfeer. Waarschijnlijk zijn bij betrokkene de, op grond van zijn psychopathologie aanwezige, problematische agressieregulatie en zijn gebrekkige impulscontrole door het gebruik van cannabis en zeker zijn alcoholgebruik in aanloop naar het tenlastegelegde versterkt.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat betrokkene zelf wordt aangegeven dat hij hooguit aangeschoten was, terwijl hij vertelt ongeveer een fles whisky te hebben gedronken. De wijze waarop betrokkene de externe omstandigheden (de opgefokte sfeer) heeft geïnterpreteerd geeft zicht op zijn psychische beperkingen. De beperkingen van betrokkene vanuit zijn psychische stoornissen komen sterk tot uiting in zijn beperkte vermogen agressieve gevoelens te hanteren en te reguleren. Zijn psychopathologie wordt door ondergetekende geacht in duidelijke relatie te staan tot zijn gedragskeuzes, terwijl het overmatige gebruik van alcohol en cannabis daarnaast van grote invloed moet zijn geweest op zijn handelen. Betrokkene zegt geraakt te zijn door een opmerking van het slachtoffer, waardoor “er bij hem een knop omging”. Betrokkene geeft aan dat, ondanks zijn pogingen de agressieve sfeer te sussen, hij net als de anderen toch opgefokt raakte en, gekwetst en gekrenkt door de opmerking van het slachtoffer, blind van woede heeft gehandeld. De verklaring van betrokkene dat het vuurwapen feitelijk buiten zijn wil is afgegaan als gevolg van motorische tics (door de stoornis van Gilles de la Tourette, die vanaf zijn geboorte aanwezig is) wordt door ondergetekende zeer onwaarschijnlijk geacht en past veeleer bij de wijze waarop betrokkene geneigd is niet de verantwoordelijkheid voor eigen gedrag op zich te nemen.

Geadviseerd wordt op grond van bovenstaande overwegingen betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de door de deskundigen gegeven gronden, geheel met de in de rapporten gegeven conclusies en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op te leggen.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte geen TBS op te leggen, aangezien uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte niet leerbaar is gebleken en hij over te weinig cognitieve vaardigheden beschikt om tot een succesvolle behandeling te komen. De raadsman bepleit om te volstaan met een iets langere gevangenisstraf dan gebruikelijk.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit om een kortere gevangenisstraf op te leggen, zodat de behandeling kan worden gestart.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de rechtbank daarbij in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte was net tien dagen uit detentie toen hij na een avondje uit bij een tankstation met een aantal vrienden nog wat te eten en te drinken ging halen. Daar treffen zij het slachtoffer en enkele bekenden aan. Er ontstaat een ruzieachtige sfeer. Verdachte wordt, naar eigen zeggen, door het slachtoffer met zijn gezin bedreigd. Hij loopt daarop terug naar de auto om het wapen te pakken en laadt het door. Vervolgens loopt verdachte terug naar het slachtoffer die in zijn auto op de bestuurdersplaats zat en slaat hem via het geopende raam met het wapen tegen zijn hoofd. Hierna doet verdachte een stap terug en schiet het slachtoffer op korte afstand door het hoofd, waardoor deze komt te overlijden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Moord is een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht vanwege de zeer ingrijpende en onomkeerbare gevolgen van de daad. Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. De directe omgeving wordt opgeschrikt en diep geschokt door een dergelijke gebeurtenis. In de samenleving wakkert het sterke gevoelens van onrust en onveiligheid aan.

Sprake is van intens verdriet bij ouders, zijn aanstaande echtgenote en verdere familie en vrienden.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf bij moord dat die niet onder de tien jaar gevangenisstraf ligt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum (voor moord is dat strafmaximum een levenlange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar) en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Dat is de bandbreedte waar de rechtbank ook in deze zaak van uit gaat.

Verder speelt in de afweging een rol dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en er sprake is van een oplopende geweldsspiraal.

De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank houdt er bij de hoogte van de gevangenisstraf rekening mee dat zij tevens de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege zal opleggen en dat deze maatregel normaal gesproken van aanzienlijke duur is.

De hierboven genoemde elementen vormen voor de rechtbank de bepalende factoren om verdachte een gevangenisstraf van tien jaren op te leggen.

De redengeving van de maatregel

Het voormelde rapport van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, houdt voorts in dat:

De kans op recidive is eerst ingeschat met behulp van de HCR-20. Als historische items zijn verhoogd: eerder geweld, problemen in het arbeidsverleden, middelenmisbruik, psychopathie, een persoonlijkheidsstoornis en het zich eerder onttrekken aan behandeling en toezicht. De klinische items die verhoogd zijn, zijn: gebrek aan zelfinzicht en impulsiviteit. Als risicohanteringsitems gelden de blootstelling aan destabiliserende factoren, hoog niveau van ervaren stress en het niet meewerken aan behandeling. Op basis hiervan komt onderzoeker tot inschatting dat de kans op toekomstig gewelddadig gedrag hoog is.

(...)

Teneinde de kans op recidive terug te dringen, is intensieve behandeling en begeleiding noodzakelijk. Betrokkene zou meer inzicht moeten krijgen in zijn problematiek, zodat hij leert om zijn gedrag aan te passen. Daarnaast dient er aandacht te komen voor het ontwikkelen van daderempathie en het leren beheersen van de agressieve impulsen. Ook het in kaart brengen van de drijfveren die hebben geleid tot zijn delictgedrag, bijvoorbeeld door middel van het doorwerken van een delictscenario, is aan te bevelen. Een dergelijke behandeling kan slechts geboden worden in een klinische forensische psychiatrische voorziening. Op basis van de ernst van het delict, de ernst van de psychopathologie, de verhoogde mate van doorwerking van stoornis op het delictgedrag en de als hoog ingeschatte kans op recidive adviseert onderzoeker Uw College betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met verpleging van overheidswege. Bij plaatsing dient men rekening te houden met de cognitieve beperkingen, die een gespecialiseerde setting vereisen.

Een TBS op voorwaardelijke basis biedt, gezien de ervaringen uit het verleden, de verhoogde recidivekans en de persoonlijkheidsstructuur onvoldoende waarborg om recidive te voorkomen. Mocht betrokkene ter zitting aangeven nu wel gemotiveerd te zijn voor behandeling, is het op basis van het verloop van eerdere behandelpogingen, in combinatie met de weerstand die betrokkene nog steeds voelt tegen bemoeienis en behandelinterventies, alsmede het gebrek aan ziekte-inzicht, de verwachting dat dit voornemen van korte duur zal zijn.

Het voormelde rapport van C.M.J.H. Vermeulen, houdt voorts in dat:

Met name de gebrekkige impulsbeheersing vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid en vermoedelijk de stoornis van Gilles de la Tourette, in combinatie met het overmatige gebruik van cannabis en alcohol, naast het ontbreken van oprechte spijtgevoelens en het geheel ontkennen van een eigen aandeel in alle hem in het verleden ten laste gelegde feiten wegen zwaar bij het beoordelen van het recidiverisico; als in de beschouwing beschreven wordt het recidiverisico hoog ingeschat.

De uitgebreide justitiële voorgeschiedenis waarbij aan betrokkene vaker voorwaardelijke straffen zijn opgelegd, waarbij behandeling en begeleiding van reclassering zijn opgelegd zonder resultaat en het ontkennen door betrokkene van de noodzaak tot behandeling moeten hierbij in ogenschouw genomen worden.

Met het oog op het terugdringen van de kans op recidive wordt behandeling noodzakelijk geacht. De aard en de ernst van het huidige tenlastegelegde, de ernst van de geconstateerde psychopathologie en het (ook in het verleden gebleken) gebrek aan behandelmotivatie maakt dat een dergelijke behandeling slechts mogelijk wordt geacht binnen een forensisch psychiatrische klinische setting in een jarenlang strafrechtelijk kader. Ondergetekende adviseert daarom om bij betrokkene een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Van enige behandeling in een minder zwaar strafrechtelijk kader wordt ingeschat dat dat onvoldoende effect zal hebben op het recidiverisico.

Gezien de inhoud van de vorenbedoeld rapporten en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank termen aanwezig het advies op te volgen.

De rechtbank zal de verdachte ter beschikking stellen, nu het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en zij op grond van het vorenoverwogene van oordeel is, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen de ernst van het begane feit.

De rechtbank zal bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu zij, op grond van het vorenoverwogene, van oordeel is dat de veiligheid van ande¬ren dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam moeder slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 12.056,50 terzake van feit 1

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen en de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De raadsman heeft primair bepleit om de vordering af te wijzen en subsidiair om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij niet degene is ten laste van wie de begrafeniskosten ex artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek juncto artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering komen. Uit de bijlagen bij de vordering blijkt niet duidelijk of de verzekering al dan niet de gemaakte kosten vergoedt. Bijlage 2 staat op naam van [naam echtgenoot van moeder slachtoffer 1] en niet op naam van de benadeelde partij. Daarbij is bijlage 3 een opdrachtbevestiging, maar geen definitieve factuur.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij [naam moeder slachtoffer 1] integraal worden toegewezen. De kosten die in aanmerking komen voor de vergoeding staan inderdaad aangegeven in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek. Uit dit artikel blijkt dat de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De grafhuur staat op naam van [[naam], zijnde de echtgenoot van [naam moeder slachtoffer 1] en woonachtig op hetzelfde adres. De rechtbank ziet hierin geen beletsel om deze kosten toe te kennen.

Uit bijlage 2 van de vordering blijkt dat de benadeelde kosten moeten voldoen. Hieruit kan worden afgeleid dat zij kennelijk niet verzekerd is voor deze kosten. Ook deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van de kosten van het grafmonument is een opdrachtbevestiging als bijlage bijgevoegd. Aangezien een opdrachtbevestiging voldoende is als onderbouwing van de kosten, kan ook deze post worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam moeder slachtoffer 1] door het bewezenverklaarde strafbare feit, terzake de uitvaartverzorging rechtstreeks schade is toegebracht voor een bedrag van € 12.056,50. Aan verdachte zal voor dat feit een straf worden opgelegd. Daarmee is de vordering toewijsbaar. De rechtbank zal dan ook dienovereenkomstig beslissen.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens [naam moeder slachtoffer 1], de hiervoor genoemde benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van de schademaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht besloten.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten de hierna te noemen voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 18, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

De rechtbank heeft bij haar beslissing deze voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen opgevat, waarop het voorgaande van toepassing is.

Ten aanzien van het overige in beslag genomen goed te weten de gsm van het merk Nokia is thans niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37a, 36b, 36c, 37b, 57, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 1 primair en 2 is omschreven;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder

1 primair en 2 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 18;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

19 GSM NOKIA

PD2-03

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres moeder slachtoffer 1] , van € 12.056,50 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam moeder slachtoffer 1], € 12.056,50 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 95 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. A.W. Oosterman en mr.

C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Koonen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 augustus 2009.

Mr C.G.A. Wouters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 01 november 2008 in de gemeente Heerlen opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen van zeer nabij in/door het hoofd van die [naam slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 01 november 2008 in de gemeente Heerlen opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen van zeer nabij in/door het hoofd van die [naam slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 23 februari 2008 te Heerlen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 2]), een of meermalen met kracht geslagen en/of met kracht aan haar haren heeft getrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.