Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ4878

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
10-08-2009
Zaaknummer
08 / 1760 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM7792, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen (onbevoegd genomen) monumentenvergunning. Verweerder heeft na verloop van de termijn van artikel 16, vierde lid van de Monumentenwet op een aanvraag om een monumentenvergunning beslist. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet wordt de vergunning geacht te zijn verleend, indien burgemeester en wethouders niet voldoen het het vierde lid, de vergunning was derhalve van rechtswege verleend. Na de verlening van de monumentenvergunning van rechtswege bezat verweerder niet de bevoegdheid om nadien alsnog op de aanvraag te beslissen. Dit betekent dat het besluit op de aanvraag onbevoegdelijk genomen is.

Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Monumentenwet is op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De van rechtswege verleende vergunning is niet voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. Het feit dat een ontwerp van het besluit van verweerder op de aanvraag, ter inzage heeft gelegen en eenieder zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen met betrekking tot dat ontwerp, doet daar niets aan af. Nu de van rechtswege verleende vergunning niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 dient, op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, alvorens beroep te worden ingesteld, eerst bezwaar te worden gemaakt. Gelet hierop moet het beroep worden aangemerkt als bezwaar, waarop verweerder dient te beslissen. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift aan verweerder doorzenden en verklaart zich onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: 08 / 1760 WRO

Uitspraak

in het geding tussen

Stichting Actie Comité Ten Esschen,

wonend te Heerlen, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 oktober 2008

Kenmerk: M-08-0004

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 29 juli 2009 plaatsgevonden. Eiseres is vertegenwoordigd door H.J.A. Vincken. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.A.A. Buttolo.

Overwegingen

Verweerder heeft op 21 februari 2008 een aanvraag ontvangen voor een monumentenvergunning voor Hoeve De Struyver, op het perceel Ten Esschen 80. Deze vergunning is aangevraagd voor het restaureren en verbouwen van de hoeve, teneinde aldaar een herensociëteit te vestigen.

Het ontwerp-besluit is op 28 mei 2008 gepubliceerd in “Weekblad Parkstad” en heeft aansluitend zes maanden ter inzage gelegen. Naar aanleiding van dit ontwerp-besluit heeft eiseres op 9 juni 2008 bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn door verweerder aangemerkt als zienswijzen. Op 9 oktober 2008 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen de gevraagde vergunning verleend en bij afzonderlijk schrijven, gereageerd op de zienswijzen van eiseres. Eiseres kan zich niet vinden in de verleende vergunning c.q. het gemeentelijk standpunt ter zake van hun bezwaren daartegen.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Op grond van artikel 3:10 van de Awb is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Blijkens artikel 3:18, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan indien het een besluit op aanvraag betreft, zo spoedig mogelijk een besluit te nemen, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

In artikel 6:15, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ingeval het beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegde administratieve rechter, het beroepschrift zo spoedig mogelijk wordt doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

In artikel 6:15, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens een beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit:

a. op bezwaar of in administratief beroep is genomen,

b. aan goedkeuring is onderworpen,

c. de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt, of

d. is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

In artikel 8:1 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank.

Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Monumentenwet is op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Blijkens artikel 14a, tweede lid, van de Monumentenwet kunnen door een ieder zienswijzen naar voren worden gebracht.

In artikel 16, vierde lid. van de Monumentenwet is bepaald dat burgemeester en wethouders op een aanvraag moeten beslissen, binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het advies of het laatste van de adviezen, bedoeld in het derde lid, doch in ieder geval binnen de in artikel 3:18 van de Awb bepaalde termijn.

Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet wordt de vergunning geacht te zijn verleend, indien burgemeester en wethouders niet voldoen het het vierde lid.

Verweerder betoogt dat eiseres geen belanghebbende is bij de verleende monumentenvergunning, op grond van de doelstelling van de stichting. De stichting hanteert als algemene doelstelling de leefbaarheid van de buurtschap Ten Esschen te behouden, te bewaken en /of te verbeteren. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt dienaangaande nader toegelicht. Daarbij heeft verweerder onder andere gewezen op de afstand tussen het vergunde object en de woning van de voorzitter van de stichting, de ligging van Hoeve De Struyver buiten de buurtschap en de discrepantie tussen doel en strekking van de Monumentenwet en de belangen van de stichting. Volgens verweerder wordt de leefbaarheid van de buurtschap door het bestreden besluit niet beïnvloed.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Blijkens de doelstelling behartigt de vereniging in het bijzonder het collectieve belang van de bewoners van de buurtschap

Ten Esschen bij het behouden, bewaken en /of verbeteren van de leefbaarheid van de buurtschap. De monumentenvergunning is een voorwaarde om een bouwvergunning te kunnen verlenen. De aanvrager wil Hoeve De Struyver verbouwen om daar een herensociëteit te vestigen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij door de komst van die sociëteit vreest voor verdere aantasting van de leefbaarheid van de buurtschap. De rechtbank overweegt dat de door eiseres aangevoerde belangen zodanig samenhangen met het besluit, dat deze rechtstreeks zijn betrokken. De afstand tussen de Hoeve De Struyver en de woning van de voorzitter van de stichting is niet relevant. De Hoeve De Struver is gelegen op het perceel Ten Esschen 80, derhalve nabij de directe leefomgeving van de stichting. De stichting brengt door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij het besluit betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van een aantal individuele, natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. De rechtbank sluit met dit criterium aan bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2009 (LJN: BI9672).

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de stichting als belanghebbende moet worden aangemerkt

Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op artikel 16 vierde en vijfde lid, van de Monumentenwet op 21 augustus 2008 van rechtswege de gevraagde vergunning is verleend. Na de verlening van de monumentenvergunning van rechtswege bezat verweerder echter niet de bevoegdheid om nadien alsnog op de aanvraag te beslissen. Dit betekent dat het besluit van 9 oktober 2008 onbevoegdelijk genomen is.

De van rechtswege verleende vergunning van 21 augustus 2008 is niet voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. Het feit dat een ontwerp van het besluit van 9 oktober 2009 ter inzage heeft gelegen, en een ieder zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen met betrekking tot dat ontwerp, doet daar niets aan af. Nu de van rechtswege verleende vergunning niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 dient, op grond van artikel

7:1, eerste lid, van de Awb, alvorens beroep te worden ingesteld, door eiseres eerst bezwaar te worden gemaakt. Gelet hierop moet het beroep worden aangemerkt als bezwaar, waarop verweerder dient te beslissen. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift aan verweerder doorzenden.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de van rechtswege verleende vergunning van 21 augustus 2008, niet is gepubliceerd. Voorts is niet gebleken dat verweerder aan eiseres, als betrokkene heeft meegedeeld dat de monumentenvergunning van rechtswege is verleend. In het besluit van 9 oktober 2008 heeft verweerder een beroepsclausule opgenomen op basis waarvan eiseres heeft kunnen aannemen dat zij binnen zes weken tegen dit besluit beroep zou kunnen instellen bij de rechtbank. De rechtbank overweegt dat gelet op de gevolgde procedure, eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij eerst tegen het genoemde besluit van 9 oktober 2008 beroep heeft ingesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroepschrift, kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift, zijnde (tijdig) gericht tegen de van rechtswege verleende vergunning.

Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd.

Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,-- op grond van artikel 8:73 van de Awb. Toekenning van schadevergoeding op grond van dit artikel is uitsluitend aan de orde indien de rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaart en wijst derhalve het verzoek om schadevergoeding af.

In de omstandigheid dat verweerder het heeft doen voorkomen alsof tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:74 tweede lid, van de Awb op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart zich onbevoegd;

2. wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding af;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,-- wordt vergoed door verweerder aan

eiseres.

Aldus gedaan door N.M.J. Janssen in tegenwoordigheid van K. Lennertz als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2009.

w.g. K. Lennertz w.g. N.M.J. Janssen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 7-08-2009

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.