Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ4813

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
136037
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van zodanige gedragingen aan de zijde van de zoon, dat verstrekking door de vader van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en studie ten behoeve van de zoon naar redelijkheid niet langer van de vader kan worden gevergd.

De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vader toewijzen en gebruik maken van het haar ingevolge artikel 1:399 van het BW toekomende matigingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 21 juli 2009

Zaaknummer: 136037 / FA RK 08-1956

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[naam verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

[woonplaats vader],

advocaat mr. C.H.J.M. van Heugten,

en:

[naam wederpartij],

wederpartij, verder te noemen: de zoon,

wonende te [woonplaats zoon],

advocaat mr. C.C.B. Breij.

1. Verloop van de procedure:

De vader heeft op 17 december 2008 een verzoekschrift tot wijziging van alimentatie ingediend.

Een afschrift van het verzoekschrift is bij aangetekend schrijven van 23 december 2008 door de griffier van deze rechtbank aan de zoon toegezonden.

Door de zoon is op 15 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

De vader heeft bij brief van 26 juni 2009 nog bescheiden overgelegd.

De zoon heeft bij brief van 6 juli 2009 nog bescheiden overgelegd.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 7 juli 2009.

2. Vaststaande feiten:

De vader is op 14 augustus 1982 te Guelmim (Marokko) gehuwd met mevrouw [naam moeder wederpartij], verder te noemen: de moeder.

Uit dit huwelijk is op [geboortedatum zoon] geboren de thans jongmeerderjarige zoon.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 november 1992 is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken.

De echtscheiding is op 9 februari 1993 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2008 is de vader veroordeeld om met ingang van 1 april 2007 aan de moeder ten behoeve van de toen nog minderjarige zoon te voldoen een bedrag van € 175,-- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt die bijdrage thans € 181,82 per maand.

3. Geschil:

De vader verzoekt - zoals ter zitting gewijzigd - de beschikking van 29 januari 2008 in die zin te wijzigen dat de hem daarbij ten behoeve van de zoon opgelegde onderhoudsbijdrage met ingang van 1 augustus 2008 dan wel met ingang van 15 februari 2009 nader te bepalen op nihil, althans nader te bepalen op een zodanig bedrag wordt gesteld en met ingang van zodanige datum als door de rechtbank te bepalen.

De vader stelt dat bedoelde onderhoudsbijdrage tengevolge van wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

Ter staving van zijn stelling voert de vader - zakelijk weergegeven - aan dat de zoon sedert zijn meerderjarigheid geen onderwijs meer volgt. Hij staat enkel pro forma ingeschreven als student bij de onderwijsinstelling Leeuwenborgh te Sittard. Nu de zoon niet meer studeert, wordt hij geacht zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen en door het verrichten van betaalde arbeid zelf in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien.

De zoon heeft tegen toewijzing van het verzoek - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat hij wel degelijk studeert. Ter staving van deze stelling legt de zoon een schoolverklaring, gedagtekend 15 december 2008 over alsmede een onderwijsovereenkomst, gedagtekend 4 juli 2008. De zoon beschikt niet over een bijbaan, waaruit hij aanvullende inkomsten ontvangt. Hetgeen de vader ter staving van zijn verzoek aanvoert, is ook niet relevant, nu hij een verlengde onderhoudsplicht heeft jegens de zoon. Voor zover de rechtbank het verzoek van de vader honoreert, verzet de zoon zich tegen de door de vader verzochte ingangsdatum met terugwerkende kracht.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten over en weer nader toegelicht. De rechtbank zal hierop hierna ingaan.

4. Beoordeling:

Ingevolge artikel 1:395a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft iedere 18-21 jarige in beginsel tot zijn 21e levensjaar recht op dezelfde aanspraak jegens de onderhoudsplichtige als toen zij/hij nog minderjarig was. Deze bepaling strekt ertoe, kort gezegd, de geldende onderhoudsplicht van ouders met betrekking tot hun kinderen te verlengen en te voorkomen dat deze op de dag dat het kind achttien wordt, wordt overgeheveld van de ouders naar de Staat.

De regeling van de verlengde onderhoudsplicht van artikel 1:395a BW heeft in het bijzonder - maar niet uitsluitend - betrekking op studerende kinderen. Behoeftigheid van de jongmeerderjarige in de zin van artikel 1:392, tweede lid, van het BW is per slot van rekening niet vereist. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever hierbij voor ogen heeft gestaan dat de jongmeerderjarige in beginsel de bevoegdheid moet hebben zijn leven, inclusief zijn opleiding, in te richten zoals hijzelf wenst.

De verlengde onderhoudsplicht van ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen is in tegenstelling tot de onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen niet uitgezonderd van de aan de rechter verleende matigingsbevoegdheid van artikel 1:399 van het BW, op grond waarvan de rechter de verplichting van de ouders tot levensonderhoud kan matigen als de jongmeerderjarige zich zodanig gedraagt dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd, waarmee de wetgever kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verlengde onderhoudsplicht van de ouders slechts in zeer uitzonderlijke gevallen dient te vervallen.

Bij de totstandkoming van artikel 1:395a van het BW is aandacht besteed aan deze matigingsbevoegdheid van de rechter, in het bijzonder in verband met de studiekeuze en studieresultaten van de jongmeerderjarige. Zo komt in de memorie van toelichting naar voren dat de matigingsbevoegdheid van de rechter van belang kan zijn "wanneer het meerderjarig kind de studie niet serieus beoefent" (TK 1980-1981, 15 417, nr. 3, blz. 10) en verder wordt ook in de nota naar aanleiding van het eindverslag andermaal de nadruk erop gevestigd dat het matigingsrecht slechts in uitzonderlijke gevallen tot toepassing kan komen nu volgens artikel 1:399 van het BW sprake moet zijn van zodanige gedragingen van het kind dat verstrekking van het levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd (TK 1983-1984, 15 417, nr. 11, blz. 7).

Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat haar op grond van artikel 1:399 van het BW in beginsel een discretionare bevoegdheid tot matiging toekomt, voor het geval sprake is van een bijzonder onredelijke en onverantwoorde keuze van de jongmeerderjarige. De vraag is daarmee of er in de onderhavige zaak, uitgaande van de door de vader aangedragen stellingen en hetgeen daartegen door de zoon is aangevoerd, voldoende termen aanwezig zijn om daadwerkelijk gebruik te maken van de bevoegdheid tot toepassing van het matigingsrecht op de voet van het bepaalde in artikel 1:399 van het BW.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Als door de vader ter zitting verklaard - en door de advocaat van de zoon ter zitting erkend - staat vast dat de zoon in ieder geval reeds vanaf 15 februari 2009 in Marokko verblijft.

Volgens de vader heeft de zoon Nederland mede verlaten, omdat hij met justitie in aanraking is gekomen. Dit laatste heeft de advocaat van de zoon, zonder daarover in detail te treden, ter zitting erkend.

Verder staat als door de advocaat van de zoon ter zitting onweersproken verklaard vast dat de zoon vanaf 15 februari 2009 is gestopt met zijn studie bij het opleidingsinstituut Leeuwenborgh.

Als door de vader onweersproken gesteld staat voorts ten processe vast dat de zoon in de periode augustus 2008 tot 15 februari 2009 slechts twee keer op het opleidingsinstituut Leeuwenborgh lessen heeft gevolgd. Een aanwezigheid van twee keer tijdens een heel schooljaar acht de rechtbank een weinig serieus te nemen onderbouwing van de stelling dat in het schooljaar 2008/2009 lessen zijn gevolgd. De rechtbank gaat tevens voorbij aan de stelling van de zoon dat uit de door hem overgelegde schoolverklaring en onderwijsovereenkomst het tegendeel blijkt. Uit de verklaringen waarop de zoon doelt blijkt niet veel meer dan dat hij zich per 1 augustus 2008 als student heeft doen inschrijven aan het opleidingsinstituut Leeuwenborgh en dat hij met het oog daarop met het instituut heeft gecontracteerd maar over de inspanning en de resultaten van de zoon als student geven die verklaringen vanzelfsprekend geen uitsluitsel.

Gelet op het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de zoon vanaf augustus 2008 feitelijk niet (meer) studeert.

De zoon stelt in de door hemzelf opgestelde brief van 13 mei 2009 onder meer dat hij "nu in Marokko is om op rust te komen vanwege de stress ..." en dat hij "eind juni begin juli (naar de rechtbank begrijpt: 2009) terugkomt (naar de rechtbank begrijpt: naar Nederland)".

De advocaat van de zoon heeft desgevraagd tijdens de zitting verklaard dat zij van de zoon heeft vernomen dat hij voornemens is binnen afzienbare tijd naar Nederland terug te keren, maar dat haar verdere informatie te dier zake ontbreekt.

Gelet hierop is tot dusver volstrekt onduidelijk of en zo ja wanneer de zoon vanuit Marokko terugkeert naar Nederland. Als verder in aanmerking wordt genomen dat de zoon al vanaf august 2008 geen onderwijs meer volgt, acht de rechtbank verder twijfelachtig en in ieder geval onduidelijk of de zoon überhaupt nog serieus te nemen plannen koestert om de draad van zijn na twee dagen afgebroken studie weer op te pakken. Die onduidelijkheid behoort tot de risicosfeer van de zoon.

De stelling van de vader dat de zoon, nu hij niet meer studeert in de kosten van zijn eigen levensonderhoud middels het verrichten van betaalde arbeid kan voorzien, heeft de zoon niet - althans onvoldoende - weersproken. Enig inzicht in de vraag op welke manier hij in Marokko in de kosten van zijn levensonderhoud voorziet, heeft de zoon niet verschaft. In zijn eerdergenoemde handgeschreven brief stelt hij weliswaar dat zijn moeder twee keer in de maand ongeveer € 25,-- naar hem overmaakt, maar het komt de rechtbank onaannemelijk voor dat met een bedrag van € 50,-- per maand in de kosten van het levensonderhoud in Marokko kan worden voorzien, ook als rekening wordt gehouden met de levensstandaard in Marokko. Daarvan uitgaande is niet uit te sluiten dat de zoon in Marokko over een zelfstandig inkomen beschikt. In verband hiermee merkt de rechtbank tevens op dat de zoon, voor wat betreft de periode dat hij in Nederland verbleef, een niet gedateerd schrijven heeft overgelegd van tempo-team uitzendbureau, waaruit valt af te leiden dat van hem gedurende de periode 20 november 2007 tot 5 februari 2009 een vijftal contacten als uitzendkracht bij dit uitzendbureau zijn geregistreerd. Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat de zoon kennelijk vanaf 20 november 2007 de intentie heeft gehad om zelfstandig inkomen uit arbeid te verwerven, waarbij opvalt dat het vierde geregistreerde contact bij het uitzendbureau op 11 augustus 2008, elf dagen nadat hij zich als student heeft doen inschrijven, heeft plaatsgevonden.

Nu vast staat dat de zoon vanaf augustus 2008 feitelijk niet meer studeert en uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, tevens volgt dat de zoon op geen enkele wijze inzicht wenst te verschaffen in de wijze waarop hij in Marokko in zijn levensonderhoud voorziet terwijl hij zich evenzeer in stilzwijgen hult met betrekking tot de vraag of en zo ja binnen welke termijn en met welk doel hij naar Nederland terugkeert, brengt dat naar het oordeel van de rechtbank met zich dat sprake is van zodanige gedragingen aan de zijde van de zoon, dat verstrekking door de vader van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en studie ten behoeve van de zoon naar redelijkheid niet langer van de vader kan worden gevergd.

De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vader toewijzen en gebruik maken van het haar ingevolge artikel 1:399 van het BW toekomende matigingsrecht, met dien verstande dat de rechtbank termen aanwezig acht de ingangsdatum van na te melden wijziging vast te stellen op 15 februari 2009, onder gelijktijdige bepaling dat de zoon de door de vader over de periode ná 15 februari 2009 tot nog toe betaalde alimentatiegelden niet hoeft terug te betalen.

De proceskosten zal de rechtbank - gelet op de familierelatie tussen partijen - compenseren op de hierna te vermelden wijze.

5. Beslissing:

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2008, zaaknummer 118561 / FA RK 07-410, voor zover de vader daarbij werd veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de zoon: [naam zoon] geboren te [geboorteplaats zoon], op [geboortedatum zoon], en bepaalt die bijdrage met ingang van 15 februari 2009 nader op nihil.

Bepaalt dat de zoon de door de vader over de periode ná 15 februari 2009 tot nog toe betaalde onderhoudsbijdragen niet hoeft terug te betalen.

Compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en in het openbaar uit¬ge¬sproken op 21 juli 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

MV

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b.door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.