Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ4798

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
141162/KG ZA 09-238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"woonboot onroerende zaak?"; "spoedeisend belang"; "huurbescherming"; "art. 3:3 BW"; "art. 7:233 BW".

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 3
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 233
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 427
WR 2009, 107
JHV 2009/206 met annotatie van Cor Goudriaan/Anne Maren Langeloo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 7 augustus 2009

Zaaknummer : 141162 / KG ZA 09-238

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[EISER],

wonende te Maastricht,

eiser in kort geding,

advocaat mr. B.C.A. Reijnders (toevoeging);

tegen:

1.[GEDAAGDE 1]

en

2.[GEDAAGDE 2],

beiden wonende te Maastricht,

gedaagden in kort geding,

advocaat mr. N.P.J. Frijns (toevoeging).

1.Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen “[eiser]”, heeft gedaagden, hierna te noemen “[gedaagden]”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 23 juli 2009, heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Bij de dagvaarding zijn producties overgelegd.

[gedaagden] hebben aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, waarna partijen op elkaars stellingen hebben gereageerd.

Vervolgens is het geding voor enige tijd geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog in der minne te regelen. Na de hervatting is gebleken dat zij niet tot overeenstemming waren gekomen.

Ten slotte heeft [eiser] om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1 [eiser] is de zoon van [gedaagden]. Hij had een woonboot gekocht aan het adres [[XX]] te Maastricht om aldaar met zijn toenmalige echtgenote te wonen. Hij had destijds de mogelijkheid een tweede woonboot te kopen, naast de hiervoor bedoelde boot. Met het oog op de oude dag van [gedaagden] en de eventuele zorg die hen geboden moest worden op termijn, leek het partijen een mooi idee buren te worden, aldus [eiser]. Dat is ook gebeurd.

[gedaagden] huren van [eiser] de aan hem toebehorende woonboot aan de [[ZZ]] te ([postcode]) Maastricht (hierna: “de woonboot”). [gedaagden] hebben zich steeds stipt van hun huurverplichtingen gekweten.

2.2 Inmiddels is het huwelijk van [eiser] gestrand. Volgens [eiser] heeft hij financiële problemen, onder meer vanwege de echtscheiding(sprocedure) waarin hij thans is verwikkeld. Discussiepunt in die procedure is de alimentatieverplichting van [eiser]. Vooralsnog moet [eiser] maandelijks € 1.750,- betalen, hetgeen naar zijn zeggen zonder inkomsten niet is op te brengen. Volgens [eiser] heeft hij geen werk meer, geen inkomen, geen vermogen en louter schulden. Hij woont thans in een huurwoning die bestaat uit twee kamers, voorzien van slechts het hoognodige. [eiser] moet voor de huurwoning een hoger bedrag betalen dan zijn ouders hem aan huur voor de woonboot voldoen.

De boot van [eiser] aan het adres [[XX]] is inmiddels verkocht vanwege, aldus [eiser], zijn financiële problemen. Volgens [eiser] gaat de opbrengst van die boot in eerste instantie naar zijn toenmalige vrouw.

2.3 Bij exploot van 12 juni 2009 heeft de raadsman van [eiser] namens [eiser] aan [gedaagden] de huur opgezegd tegen

1 oktober 2009. Ondanks daartoe strekkend verzoek, hebben [gedaagden] niet bevestigd alsdan vrijwillig de woonboot te zullen hebben verlaten.

2.4 Bij dagvaarding van 18 juni 2009 hebben [gedaagden] [eiser] voor de kantonrechter te Maastricht gedagvaard. Zij hebben, zo volgt uit de niet weersproken standpunten van [gedaagden] terzake- onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat zij met betrekking tot de woonboot huurbescherming genieten. In reconventie heeft [eiser] –kort gezegd, en zo volgt eveneens uit de niet weersproken standpunten van [gedaagden]- gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd per 1 oktober 2009, de huurovereenkomst ontbindt met ingang van 1 oktober 2009 en voor zoveel nodig [gedaagden] veroordeelt om de woonruimte per die datum te verlaten en te ontruimen.

Deze bodemprocedure loopt nog.

2.5 [eiser] stelt –kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

2.5.1 De situatie is voor [eiser] onhoudbaar geworden. [eiser] wil de woonboot verkopen en met de verkoopopbrengst zijn schulden aflossen en elders een nieuw bestaan opbouwen.

2.5.2 De woonboot is geen woonruimte als bedoeld in artikel 7:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het is namelijk geen onroerende zaak als omschreven in artikel 3:3 BW. In het verlengde daarvan komt aan [gedaagden] geen huur- en/of ontruimingsbescherming toe. [eiser] is dan ook zonder meer bevoegd de huur te beëindigen en de ontruiming aan te zeggen. De huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd tegen 1 oktober 2009.

2.5.3 [eiser] heeft een spoedeisend belang bij na te melden vordering.

2.6 Op grond van het vorenstaande heeft [eiser] gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] veroordeelt om uiterlijk 1 oktober 2009 de woning aan de Boschstraat 63 (zoals [gedaagden] in hun pleitnota ook hebben aangegeven is kennelijk bedoeld: “[[ZZ]], vrzgr.) te ([postcode]) Maastricht te verlaten en bezemschoon te ontruimen met slechts het hunne, met machtiging van [eiser] om, indien [gedaagden] daarmee in gebreke blijven, de bezemschone ontruiming zelf op kosten van [gedaagden] te doorvoeren, met behulp van de sterke arm van politie en justitie en een professioneel reinigings- c.q. ontruimingsbedrijf, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.

2.7 De vordering wordt door [gedaagden] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op hun verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3.De beoordeling

3.1 Met [gedaagden] is de voorzieningenrechter van oordeel dat een voldoende spoedeisend belang bij de vordering ontbreekt.

[eiser] heeft gesteld dat hij in een slechte financiële situatie verkeert; hij zou zonder werk zitten en louter schulden hebben. [gedaagden] hebben betwist dat [eiser] schulden heeft, althans in ieder geval schulden die meteen moeten worden afgelost en waarvan de aflossing niet kan wachten tot een beslissing in de bodemprocedure. Ook hebben zij onvoldoende betwist aangegeven dat [eiser] veelvuldig in Brazilië verblijft en het dus blijkbaar voor hem mogelijk is om ook zonder verkoop van de woonboot een ander bestaan op te bouwen. Voorts hebben zij aangegeven dat de woonboot ook kan worden verkocht zonder de huurovereenkomst te beëindigen.

[eiser] heeft terzake zijn standpunt niets met stukken onderbouwd. Gelet op voormelde betwisting van [gedaagden], is thans dan ook niet aannemelijk dat de financiële situatie van [eiser] (zo) slecht is (als door hem geschetst).

Ook de stelling van [eiser] dat zich thans een koper voor de boot heeft gemeld, is door hem niet met enig stuk onderbouwd.

Het voorgaande gevoegd bij het feit dat de raadsman van [gedaagden] heeft aangegeven dat de bodemprocedure voorspoedig verloopt, en gevoegd bij het feit dat de raadsman van [eiser] ter zitting heeft aangegeven dat de uitspraak in de bodemprocedure geen jaren meer op zich laat wachten en er mogelijk reeds vóór 1 oktober 2009 –de datum waartegen in de bodemprocedure en onderhavig kort geding ontruiming is gevraagd- een vonnis is verkregen, maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat niet aannemelijk is dat een oordeel van de bodemrechter niet kan worden afgewacht.

Reeds op basis van het voorgaande dient het gevorderde te worden afgewezen.

3.2 En zelfs al zou er bij het gevorderde wel een spoedeisend belang aanwezig zijn, dan nog kan dit [eiser] niet baten.

[gedaagden] hebben (in de bodemprocedure) bepleit dat zij huurbescherming genieten, in welk verband zij hebben aangegeven dat de woonboot als onroerende zaak en (“daarmee”, zo begrijpt de voorzieningenrechter, vrzgr.) als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW dient te worden aangemerkt. In onderhavig kort geding hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de vraag of [gedaagden] huurbescherming genieten, in het kader van een kort geding procedure niet kan worden vastgesteld, maar dat in ieder geval rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een bodemrechter huurbescherming aanneemt, welke mogelijkheid in de weg staat aan toewijzing van de vordering in onderhavig kort geding.

Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter dient de woonboot als een onroerende zaak als bedoeld in artikel 3:3 BW te worden aangemerkt en (daarmee ook) te worden beschouwd als woonruimte in de zin van artikel 7:233 BW. Ter toelichting diene het navolgende.

In artikel 3:3 lid 1 BW is, voor zover thans van belang, bepaald:

“Onroerend zijn de grond (…) alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.”

Hieruit volgt dat voor beantwoording van de vraag of een zaak –in casu de woonboot- onroerend is, van belang is of de zaak duurzaam met de grond is verenigd.

Anders dan [eiser], is de voorzieningenrechter van oordeel het door de Hoge Raad gewezen Portacabin-arrest (NJ 1998, 97) in dat verband maatgevend is. In dit arrest heeft de Hoge Raad aangegeven hoe moet worden beoordeeld of er van bedoelde duurzame verbinding sprake is. In rechtsoverweging 3.3 heeft de Hoge Raad, voor zover thans van belang, het volgende beoordelingskader gegeven:

“a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven; (…) Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen (vgl. het in evengenoemde passage vermelde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1975, NJ 1975, 509, alsmede de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465).

b. Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet, zoals in de MvA II betreffende art. 3:3 (…) is opgemerkt, worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.

c. Zoals tot uiting komt in de hiervoor onder b. vermelde passage uit de MvA II, dient de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.

d. De verkeersopvattingen kunnen - anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 - niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als 'duurzaam', onderscheidenlijk 'verenigd' en in verband daarmee als 'bestemming' en als 'naar buiten kenbaar' heeft te gelden.”

Dit komt, voor zover thans van belang, op het volgende neer. Een verbinding met de grond in de vorm van een fundering of ‘onverplaatsbaarheid’ is niet vereist om een bouwsel als onroerend te kunnen kwalificeren. De bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven is het beslissende criterium. Daarbij geldt dat die bestemming voor derden kenbaar moet zijn; de uiterlijk waarneembare kenmerken van de zaak dienen te wijzen op die bestemming.

Het antwoord op de vraag of een zaak al of niet onroerend is, is sterk afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard.

Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter is de woonboot in kwestie (naar aard en inrichting) bestemd duurzaam ter plaatse te blijven. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter het volgende. De woonboot ligt al geruime tijd op de bewuste locatie. Kennelijk is daarmee al een behoorlijke periode niet meer gevaren. Daarnaast heeft [eiser] aangegeven dat het partijen destijds met het oog op de oude dag van zijn ouders en de eventuele zorg die hen op termijn geboden moest worden, een goed idee leek om buren te worden. Hieruit lijkt toch op zijn minst te volgen dat partijen, in ieder geval in de visie van [eiser], gedurende lange tijd naast elkaar wilden blijven wonen aan de [[QQ]]

Voorts is van groot belang de aard en inrichting van de woonboot. De ter terechtzitting getoonde foto’s van de woonboot laten een beeld zien van hetgeen in het spraakgebruik als woonhuis zou worden aangeduid, compleet met een aansluitende tuin van niet geringe omvang, een omheining en een terras op de wal, alsmede een loopbrug. Er is ook sprake van een aansluiting op de riolering en nutsvoorzieningen. De woonboot is via een koppeling aan de kade verbonden.

Het enige dat in de weg staat aan een onmiddellijke kwalificatie van de woonboot als onroerende zaak/woonruimte, is het feit dat de boot zich op open water bevindt en de (theoretische) mogelijkheid bestaat om de boot los te koppelen en daarmee te varen. Indachtig het door de Hoge Raad gewezen Portacabin-arrest, en de hiervoor weergegeven feitelijkheden, is deze mogelijkheid onvoldoende om vol te houden dat van een roerende zaak sprake is. Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter dient de woonboot dan ook als woonruimte te worden aangemerkt.

Dit alles brengt met zich dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat allerminst valt uit te sluiten dat een bodemrechter zal oordelen dat [gedaagden] huurbescherming genieten. Ingevolge artikel 7:272 BW blijft dan de in casu opgezegde huurovereenkomst na de dag waartegen is opgezegd van rechtswege van kracht tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de huurder als bedoeld in lid 2 van voormeld artikel.

Ook op grond hiervan dient het gevorderde thans te stranden.

3.3 De voorzieningenrechter wenst nog op te merken dat partijen elkaar kennelijk het beste gunnen en begrip voor elkaar hebben, doch wederzijds blijkens hun stellingen in een lastig parket verkeren; [eiser] stelt onder meer de opbrengsten nodig te hebben en het spijtig en zwaar te vinden tegen zijn ouders te moeten procederen, en [gedaagden] hebben onder andere aangegeven dat zij geen andere woonruimte kunnen vinden en hun zoon allerminst dwars willen zitten en het betreuren dat partijen in juridische procedures tegenover elkaar staan. Gelet hierop en gelet op het gedrag van partijen ter zitting, lijkt het contact tussen partijen, ondanks de gerezen problemen, goed te zijn. Aan het eind van de zitting hebben partijen nog aangegeven dat zij zullen nadenken over een beëindiging van de huurovereenkomst op termijn. De voorzieningenrechter spreekt in het belang van alle partijen, mede gelet op de ouder-kind-relatie, de hoop uit dat zij alsnog een regeling in der minne weten te bereiken.

3.4 Gelet op de familierelatie tussen partijen en het feit dat [gedaagden] hebben aangegeven zij geen proceskostenveroordeling vragen, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren op na te melden wijze.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

wijst het gevorderde af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.