Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ4271

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
323790 CV EXPL 09-871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beding betreffende resterende abonnementskosten vernietigbaar, nu de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en een uitzondering als bedoeld in artikel 6:234 BW niet is gesteld, noch daarvan is gebleken. De kantonrechter is van oordeel dat het vernietigde beding aangemerkt moet worden als een boetebeding, zodat de telefoonaanbieder ingevolge artikel 6:92 lid 2 BW geen schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:277 BW) kan vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/rolnr.: 323790 CV EXPL 09-871

Typ.: CJ

Vonnis van de kantonrechter d.d. 29 juli 2009

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intrum Justitia Nederland B.V.,

woonplaats hebbende te ’s-Gravenhage,

eiseres,

gemachtigde J.H.L. Sinkiewicz, gerechtsdeurwaarder te Maastricht;

tegen

[gedaagde],

wonende [adres],

toevoeging [nummer] d.d. 11 februari 2009, eigen bijdrage € 49,00,

gedaagde,

gemachtigde mr. J.J.M. Goltstein te Kerkrade.

1. Het verloop van de procedure

Door partijen zijn de volgende processtukken ingediend c.q. proceshandelingen verricht:

- dagvaarding;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

De inhoud daarvan geldt als hier herhaald.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is gesteld op heden.

2. De beoordeling

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, mede in het licht van niet of niet voldoende betwiste producties, staat tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter onder meer het volgende vast.

2.2 Op 10 januari 2008 is tussen Vodafone en [gedaagde] een overeenkomst gesloten inhoudende het tegen betaling aanbieden van diensten op het gebied van (tele)communicatie, meer in het bijzonder het verlenen van toegang tot netwerken van mobiele en vaste telefonie. De door [gedaagde] afgenomen diensten zijn maandelijks gefactureerd en [gedaagde] is in dat kader maandelijks een vast bedrag alsmede de kosten van de gevoerde telefoongesprekken conform de overeengekomen tarieven verschuldigd.

2.3 Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert Intrum veroordeling van

[gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 971,25, zijnde € 805,62 aan abonnements- en gesprekskosten, € 15,63 aan vervallen rente en € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente over € 805,62 vanaf 25 november 2008, alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.4 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover relevant – zal worden ingegaan.

2.5 Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat Intrum niet heeft voldaan aan de zogenoemde substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv. Anders dan [gedaagde] stelt brengt dit echter niet mee dat aan Intrum haar vorderingen ontzegd moeten worden. De kantonrechter zal er echter wel rekening mee houden bij de proceskostenveroordeling.

2.6 [gedaagde] heeft als het meest verstrekkende verweer aangevoerd dat zij niet door de brief van 11 september 2008 (de kantonrechter leest 15 september 2008) van de cessie in kennis is gesteld, nu de brief naar haar oude woonadres is gezonden. De kantonrechter overweegt in dit verband dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] Vodafone in kennis heeft gesteld van haar verhuizing. Het doorgeven van een adreswijziging is een verantwoordelijkheid van [gedaagde] en de gevolgen van het niet doorgeven dienen voor rekening en risico van [gedaagde] te komen. Het is dan ook aan [gedaagde] zelf te wijten dat zij de brief van 15 september 2008 betreffende de kennisgeving van de cessie niet heeft ontvangen. De kantonrechter oordeelt dan ook dat de onderhavige vordering van Vodafone rechtsgeldig aan Intrum is gecedeerd, nu aan beide constitutieve vereisten, te weten een ondertekende authentieke of onderhandse akte en mededeling aan de betrokkene, is voldaan.

2.7 Verder is niet in geschil dat Vodafone eerder een procedure onder zaaknummer 320118 CV EXPL 09-90 aanhangig heeft gemaakt, welke naderhand op verzoek van partijen is geroyeerd. Nu door [gedaagde] gesteld noch gebleken is dat de onderhavige gevorderde facturen dezelfde facturen betreffen als de inmiddels geroyeerde procedure gaat de kantonrechter aan de stellingen van [gedaagde], als zijnde onvoldoende onderbouwd, voorbij.

2.8 De kantonrechter stelt op grond van de overgelegde facturen vast dat van de hoofdsom ad

€ 805,62 een bedrag van € 179,16 betrekking heeft op de abonnements- en verbruikskosten en een bedrag van € 626,46 ziet op de resterende abonnementskosten tot het einde van de overeengekomen contractsperiode. Nu op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken vast staat dat partijen de onderhavige overeenkomst hebben gesloten, is [gedaagde] uit dien hoofde gehouden de facturen, welke betrekking hebben op de abonnements- en verbruikskosten, te voldoen. Deze vordering van in totaal € 179,16 zal dan ook worden toegewezen.

2.9 Wat betreft de gevorderde hoofdsom resteert dan ter beoordeling nog een bedrag van

€ 626,46, welke betrekking heeft op de periode na afsluiting van de telefoon tot het einde van de contractsperiode. Intrum heeft gesteld dat deze vordering is gebaseerd op de algemene voorwaarden, alsook de artikelen 6:69 (de kantonrechter leest 6:96) en 6:277 BW. Nu [gedaagde] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden heeft betwist, nu deze haar niet ter hand zouden zijn gesteld, is naar het oordeel van de kantonrechter allereerst de vraag aan de orde of [gedaagde] de algemene voorwaarden heeft aanvaard. Intrum heeft de onderhavige overeenkomst in het geding gebracht, welke overeenkomst op 10 januari 2008 is ondertekend. Nu [gedaagde] niet heeft betwist dat deze handtekening van haar afkomstig is, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij deze overeenkomst heeft ondertekend. Door ondertekening van deze overeenkomst heeft [gedaagde] ingevolge artikel 6:231 sub c BW de gelding van de algemene voorwaarden aanvaard.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan [gedaagde] een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Op grond van artikel 6:233 sub b BW is een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar indien aan de wederpartij geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen. Artikel 6:234 BW geeft aan in welke gevallen die redelijke mogelijkheid wel is geboden en dus vernietiging op grond van artikel 6:233 sub b niet mogelijk is. In artikel 6:234 BW is als uitgangspunt geformuleerd dat voor of bij het sluiten van de overeenkomst door de gebruiker (Vodafone) aan de wederpartij een afschrift van de algemene voorwaarden ter hand moet worden gesteld (artikel 6:234 lid 1 sub a BW), tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is, in welk geval kan worden volstaan met mee te delen dat en waar de algemene voorwaarden ter inzage liggen en dat deze desgewenst op verzoek zullen worden toegestuurd (artikel 6:234 lid 1 sub b BW).

Niet gesteld of gebleken is dat de algemene voorwaarden door Vodafone voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld, of dat dit redelijkerwijs niet mogelijk is geweest. De vermelding in de overeenkomst dat de algemene voorwaarden op haar website zijn te raadplegen, maakt - gelet op hetgeen zojuist is overwogen - echter naar het oordeel van de kantonrechter nog niet dat Vodafone daarmee aan [gedaagde] in de zin van artikel 6:233 sub b BW een redelijke mogelijkheid heeft geboden om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Dit zou anders zijn als het redelijkerwijs niet mogelijk is de algemene voorwaarden aan [gedaagde] ter hand te stellen en dat is – zoals zojuist overwogen – niet gesteld of gebleken. Nu de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en een uitzondering als bedoeld in artikel 6:234 BW niet is gesteld, noch daarvan is gebleken, is het beding waar Intrum een beroep op doet, ter onderbouwing van haar vordering, vernietigbaar.

De kantonrechter vernietigt dan ook het betreffende beding uit de algemene voorwaarden.

2.10 Voorts heeft Intrum haar vordering tot schadevergoeding gebaseerd op de artikelen 6:96 juncto artikel 6:277 BW. De kantonrechter is van oordeel dat het zojuist vernietigde beding betreffende de resterende abonnementskosten moet worden aangemerkt als een boetebeding. Dit brengt met zich, nu bij overeenkomst niet is afgeweken van de desbetreffende wettelijke bepalingen, dat de artikelen 6:91-94 BW mede van toepassing zijn. In artikel 6:92 lid 2 BW is bepaald dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:277 BW). In het onderhavige geval heeft Vodafone expliciet gekozen voor het opnemen van een dergelijk beding in haar algemene voorwaarden, zodat zij slechts de overeengekomen boete kan vorderen. Nu voormeld boetebeding is vernietigd en het vorderen van schadevergoeding ex artikel 6:96 BW juncto 6:277 BW onverenigbaar en in strijd is met artikel 6:92 lid 2 BW, zal de factuur ad € 626,46 betrekking hebbende op de resterende abonnementskosten worden afgewezen.

2.11 De gevorderde wettelijke rente komt Intrum uit eigen hoofde toe indien aan bepaalde door de wet gestelde voorwaarden is voldaan. Dit recht is niet een aan de vordering verbonden nevenrecht. Dit brengt met zich dat de gevorderde wettelijke rente voor toewijzing gereed ligt.

2.12 De buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen, zij het gematigd. Niet de gevorderde hoofdsom ad € 805,62 geldt nu als uitgangspunt, doch het bedrag van

€ 179,16. Immers, ter verkrijging van dit bedrag heeft (de gemachtigde van) Intrum [gedaagde] meerdere keren aangemaand en het is deze vordering die uiteindelijk ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure. Op basis van Rapport Voorwerk II zal een bedrag worden toegewezen conform het in dit geval gebruikelijke forfaitair tarief, zijnde € 37,00.

2.13 [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij het salaris op een salarispunt wordt begroot gelet op hetgeen onder 2.5 is overwogen.

3. De uitspraak

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Intrum tegen bewijs van kwijting te betalen de somma van

€ 231,79, vermeerderd met de wettelijke rente over € 179,16 vanaf 25 november 2008 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Intrum gerezen proceskosten, welke worden begroot op € 267,25, waarin begrepen € 158,00 vastrecht, € 79,25 explootkosten en € 30,00 salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.J. Henzen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.