Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ3510

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
141163/KG ZA 09-239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres is in het bezit van een seizoensclubkaart van de voetbalclub Roda JC. In de nacht van vrijdag op zaterdag rijdt eiseres samen met een groep bestaande uit zes andere personen richting het huis van een scheidsrechter. In de buurt van de woning aangekomen, stapt eiseres uit de auto en blijft daar staan. Een aantal personen van de groep loopt naar de woning en bekladt deze met de volgende teksten; “jij gaat dood, homo, RJC”. Ook wordt de auto van de scheidsrechter bespoten met graffiti. De KNVB heeft aan eiseres een stadionverbod opgelegd voor de duur van negen jaar. Eiseres verzoekt de voorzieningenrechter dit verbod op te heffen. De vraag die de voorzieningenrechter in dat kader moet beantwoorden is of eiseres betrokken is geweest bij de voornoemde gedragingen. Vast staat dat eiseres wist dat de groep richting het huis van de scheidsrechter wilde gaan. Weliswaar heeft eiseres gesteld dat zij geen weet had van de plannen van de groep bij het huis van de scheidsrechter, doch eiseres heeft ter zitting desgevraagd niet betwist dat zij besefte dat men bij de scheidsrechter niet “op de thee zou gaan”. Zij kon aldus vermoeden dat er iets zou gaan gebeuren wat niet door de beugel kon. Het had dan ook op haar weg gelegen om zich, voordat zij in de auto stapte, van deze plannen te distantiëren. Nu zij dit niet heeft gedaan, maar mee is gereden richting het huis van de scheidsrechter, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiseres betrokken was bij de gedragingen jegens de scheidsrechter. Om die reden kan het stadionverbod worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 23 juli 2009

Zaaknummer : 141163 / KG ZA 09-239

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[EISERES]

wonende te Kerkrade,

eiseres,

advocaat mr. B.M.A. Jegers, kantoorhoudende te Heerlen (toevoeging);

tegen:

de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaat mr. T. Douma, kantoorhoudende te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1. Eiseres, hierna te noemen: “[eiseres]”, heeft gedaagde, hierna te noemen: “de KNVB”, bij exploot van 26 juni 2009 gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 9 juli 2009, heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.

1.2. De KNVB heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

1.3. Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

1.4. Vervolgens is het geding voor enige tijd geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog in der minne te regelen. Na de hervatting is gebleken dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen.

1.5. Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1. Met betrekking tot het onderhavige geschil staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. [eiseres] is in het bezit van een seizoensclubkaart van de voetbalclub Roda JC. In de avond van 11 april 2008 heeft [eiseres] haar verjaardag gevierd in het supportershome van Roda JC te Kerkrade. Na afloop van het feest is [eiseres] samen met zes andere personen richting het huis van scheidsrechter [[X]] (hierna te noemen: [[X]]) in Venray gereden. In Venray aangekomen, is [eiseres] uit de auto gestapt en aldaar blijven staan. Een aantal van de voornoemde personen is naar de woning van [[X]] gelopen. Het rolluik van [[X]] is toen beklad met de volgende teksten; “jij gaat dood, homo, RJC”. Ook is de auto van [[X]] bespoten met graffiti. De voornoemde zes personen zijn door de politierechter te Roermond veroordeeld wegens openlijke geweldpleging.

2.3. In het proces-verbaal van verhoor van [eiseres] d.d. 23 december 2008, heeft zij - voor zover hier van belang - het navolgende over de voornoemde avond/nacht verklaard:

“(…) Na afloop van het feest hebben we de rommel opgeruimd en we gingen naar buiten. Ik was in de veronderstelling dat ik samen met mijn vriend (…) naar huis zou gaan. (…) Ik hoorde toen uit de groep: “kom we gaan naar Venray”. Ik hoorde ook iets over “[[X]]”. Toen was voor mij duidelijk dat “ze” naar Venray wilden gaan naar de KNVB scheidsrechter [[X]]. (…) We zijn toen met twee auto`s naar Venray gereden. (…)

Iedereen stapte uit de auto`s. De auto`s stonden een of twee straten van het huis van [[X]] af. Ik ben samen met (…) bij de auto`s gebleven. (…)”

2.4. De officier van justitie heeft bij brief van 20 februari 2009 aan [eiseres] het navolgende laten weten:

“Op mijn parket is een procesverbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt. Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel: uw aandeel in het gebeuren van betrekkelijk geringe aard/omvang is geweest. (…)”

2.5. Bij deurwaardersexploot van 26 februari 2009 heeft de KNVB aan [eiseres] het navolgende, voor zover hier thans van belang, aangezegd:

“A: Stadionverbod

1. Dat er ten aanzien van gerekwireerde een gegronde verdenking bestaat dat deze zich op 12 april 2008 heeft schuldig gemaakt aan: openlijke geweldpleging (Sr 141 1), bedreiging en / of het schaden van het ten aanzien en de belangen van het voetbal;

2. Dat er, gezien het onder 1. gestelde, gewichtige redenen zijn om gerekwireerde voor de duur van 108 maanden, te weten 27 februari 2009 tot 27 februari 2018, de toegang te ontzeggen tot alle gedurende die periode te spelen voetbalwedstrijden en te houden voetbalevenementen, die plaatsvinden op het private terrein van een Nederlandse betaaldvoetbalorganisatie en waaraan een Nederlandse betaaldvoetbalorganisatie of een vertegenwoordigd elftal van de KNVB deelneemt; (…)”

2.6. De duur van het voornoemde stadionverbod heeft de KNVB gebaseerd op de Richtlijnen termijn stadionverbod seizoen 2008 / ’09 (hierna te noemen: de richtlijn). Gezien de richtlijn dient de KNVB voor het misdrijf openlijke geweldpleging een termijn van 18 - 36 maanden op te leggen. Voor het misdrijf bedreiging geldt een termijn van 36 maanden. De voornoemde termijnen worden verdubbeld indien er sprake is van gedragingen gericht tegen onder andere scheidsrechters. De KNVB heeft de duur van 108 maanden als volgt berekend. 18 maanden voor openlijke geweldpleging en 36 maanden voor bedreiging = 54 maanden. Dit aantal maanden is ten slotte verdubbeld in verband met het feit dat de gedraging tegen een scheidsrechter was gericht.

2.7. Tegen het besluit van de KNVB heeft [eiseres] geen beroep bij de Commissie Stadionverboden van de KNVB (hierna te noemen: de commissie) aangetekend.

3.Het geschil

3.1. [eiseres] heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. de KNVB de uitvoering van het stadionverbod zal ontzeggen,

2. dan wel de KNVB zal verbieden om het stadionverbod uit te voeren,

3. dan wel de KNVB zal veroordelen de werking van het stadionverbod op te heffen,

zulks per datum van het vonnis in kort geding en alles op straffe van een door de KNVB te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag dan wel gedeelte van de dag dat de KNVB in gebreke blijft geheel dan wel gedeeltelijk te voldoen aan het in deze te wijzen kort geding vonnis, althans dat de KNVB een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom zal verbeuren vanaf twee dagen na betekening van het vonnis door de deurwaarder aan de KNVB, zulks met veroordeling van de KNVB in de kosten van dit geding;

subsidiair:

1. de KNVB de uitvoering van het stadionverbod zal ontzeggen,

2. dan wel de KNVB zal verbieden om het stadionverbod uit te voeren,

3. dan wel de KNVB zal veroordelen de werking van het stadionverbod op te heffen,

zulks per datum van het vonnis in kort geding, totdat er door de civiele rechter is geoordeeld over het feit of [eiseres] een strafbaar feit heeft gepleegd, alles op straffe van een door de KNVB te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag dan wel gedeelte van de dag dat de KNVB in gebreke blijft geheel dan wel gedeeltelijk te voldoen aan het in deze te wijzen kort geding vonnis, althans dat de KNVB een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom zal verbeuren onder de voornoemde voorwarden, vanaf twee dagen na betekening van het vonnis door de deurwaarder aan de KNVB, zulks met veroordeling van de KNVB in de kosten van dit geding;

meer subsidiair:

in goede justitie zodanige voorlopige voorzieningen zal treffen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren, waaronder bijvoorbeeld de matiging van de duur van het stadionverbod, op straffe van een door de KNVB te verbeuren dwangsom van

€ 250,00 per dag dan wel gedeelte van de dag dat de KNVB in gebreke blijft geheel dan wel gedeeltelijk te voldoen aan het in deze te wijzen kort geding vonnis, althans dat de KNVB een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom zal verbeuren vanaf twee dagen na betekening van het vonnis door de deurwaarder aan de KNVB, zulks met veroordeling van de KNVB in de kosten van dit geding.

3.2. [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het aan haar opgelegde stadionverbod onrechtmatig is. [eiseres] heeft namelijk geen strafbare gedraging verricht, hetgeen volgt uit het feit dat haar strafzaak is geseponeerd en uit het feit dat uit de strafdossiers van de overige zes berechte verdachten niet blijkt van enige betrokkenheid van [eiseres] bij een strafbaar feit. De KNVB heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt op welke wijze [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en bedreiging. Verder handelt de KNVB jegens [eiseres] onrechtmatig daar de KNVB de door het openbaar ministerie verstrekte gegevens na het sepot van de strafzaak van [eiseres] had dienen te verwijderen. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Ten slotte is [eiseres] van mening dat indien ofwel de aantijging openlijke geweldpleging ofwel de beschuldiging bedreiging komt te vervallen, het stadionverbod in duur verkort dient te worden.

3.3. De vordering wordt door de KNVB weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter zitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1. Als meest verstrekkend verweer heeft de KNVB aangevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering daar voor [eiseres] tegen het besluit tot oplegging van het stadionverbod een beroepsmogelijkheid bij de commissie openstond waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt.

4.1.1. [eiseres] heeft daaromtrent ter zitting gereageerd en onder meer aangegeven dat er verschillende zaken bekend zijn waarin evenzeer geen gebruik is gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de commissie en rechtstreeks de stap richting de kortgedingrechter is gezet, doch eisers in hun vordering in die zaken wel zijn ontvangen.

4.1.2. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. De KNVB heeft ter zitting desgevraagd gesteld dat [eiseres] niet verplicht is om (eerst) in beroep te gaan bij de commissie alvorens zij naar de burgerlijke rechter kan stappen en dat de beroepsmogelijkheid bij de commissie een beroep op de burgerlijke rechter niet uitsluit. De voorzieningenrechter acht [eiseres] dan ook in haar vordering ontvankelijk en verwerpt het hiertegen gevoerde verweer.

4.2. Partijen verschillen van mening of het aan [eiseres] opgelegde stadionverbod onrechtmatig is. De voorzieningenrechter overweegt dat in artikel 10.2 van de algemene voorwaarden van de KNVB, voor zover hier van belang, is bepaald:

“De KNVB is gerechtigd om, (landelijke) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die volgens een melding van een Club of het Openbaar Ministerie in of buiten het Stadion in het kader van een Evenement:

- heeft gehandeld in strijd met deze Standaardvoorwaarden,

- een strafbaar feit heeft begaan danwel ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag,

- zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad, zulks onverminderd enige plicht tot schadevergoeding op grond van het civiele recht.(…)”

Bij de beoordeling of een persoon zich in de in artikel 10.2 bedoelde zin heeft misdragen, heeft de KNVB een ruime beoordelingsvrijheid. De beslissing van de KNVB kan door de voorzieningenrechter slechts marginaal worden getoetst.

4.2.1. Tussen partijen staat vast dat de destijds gepleegde feiten bij het huis van [[X]] als openlijke geweldpleging aangeduid kunnen worden. De voorzieningenrechter is van mening dat de aldaar gepleegde feiten ook als bedreiging jegens [[X]] gezien moeten worden. Immers is de leus “Jij gaat dood” aan te merken als het dreigen met de dood tegen een persoon, in dit geval [[X]]. Indien vast staat dat [eiseres] betrokken is geweest bij de voornoemde gedragingen, komt de KNVB een bevoegdheid toe tot het opleggen van een stadionverbod. Voor gebruikmaking van die bevoegdheid dienen wel voldoende feiten gesteld te worden waaruit betrokkenheid bij die gedragingen blijkt en die deze beslissing kunnen rechtvaardigen.

4.2.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor gebruikmaking van de voornoemde bevoegdheid het niet noodzakelijk is dat [eiseres] strafrechtelijk is vervolgd en daadwerkelijk is veroordeeld. Evenmin brengt het feit dat de zaak tegen [eiseres] is geseponeerd, zonder meer met zich dat de KNVB geen stadionverbod zou mogen opleggen. Aan een officier van justitie komt namelijk een zeer ruime beleidsvrijheid toe ten aanzien van opsporings- en vervolgingsbeslissingen. Voor een stadionverbod, gebaseerd op civielrechtelijke verhouding tussen partijen, gelden immers niet de strakke bewijsregels die in een strafzaak in acht genomen dienen te worden. Bovendien is de zaak tegen [eiseres] weliswaar geseponeerd doch de reden daarvan is geweest dat haar aandeel in het gebeuren van betrekkelijk geringe aard / omvang is geweest.

4.2.3. De voorzieningenrechter overweegt dat, gezien hetgeen in het proces-verbaal van 23 december 2008 is weergegeven, [eiseres] wetenschap had van het feit dat de zes andere personen in de nacht van 11 op 12 april 2008 richting het huis van [[X]] wilden gaan. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat zij geen weet had van de plannen van deze personen bij het huis van [[X]], doch [eiseres] heeft ter zitting desgevraagd niet betwist dat zij besefte dat men bij [[X]] niet “op de thee zou gaan”. Zij kon aldus vermoeden dat er iets zou gaan gebeuren wat niet door de beugel kon. Gezien dit gegeven had het op haar weg gelegen om zich op dat moment van deze plannen te distantiëren. [eiseres] heeft daaromtrent weliswaar gesteld dat zij geen andere keuze had dan in de auto van haar vriend te stappen daar zij, indien zij niet zou instappen, anders noodgedwongen alleen door het donker naar huis moest gaan, doch dit verweer kan de voorzieningenrechter niet volgen. [eiseres] heeft ter zitting desgevraagd geantwoord dat zij destijds in Kerkrade woonde, de plaats waar ook het feest had plaatsgevonden. [eiseres] had tal van andere mogelijkheden om veilig thuis te komen, zonder eerst met haar vriend en andere supporters mee te rijden naar Venray. Zo had [eiseres] bijvoorbeeld een taxi kunnen nemen of zich thuis kunnen laten afzetten door haar vriend voordat deze doorreed naar Venray. Ook had zij een andere feestganger kunnen vragen haar naar huis te brengen. Door niet te kiezen voor één van deze mogelijkheden, maar door daarentegen bij haar vriend in de auto te stappen, zich bewust van het feit dat deze naar de woning van [[X]] zou gaan, heeft [eiseres] er voor gekozen om betrokken te raken bij gedragingen, waarvan zij zich op voorhand had moeten distantiëren.

4.2.4. Gezien het vorenoverwogene staat vast dat [eiseres] betrokken is geweest bij de onder rechtsoverweging 4.2.1. genoemde gedragingen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat het aan [eiseres] opgelegde stadionverbod conform de richtlijn is. Dat ook de andere zes personen deze maatregel opgelegd hebben gekregen, doet aan de rechtmatigheid van de aan [eiseres] opgelegde maatregel niet af.

4.3. Met betrekking tot de stelling van [eiseres] dat de KNVB onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld daar de KNVB de door het openbaar ministerie verstrekte gegevens na het sepot van de strafzaak van [eiseres] had dienen te verwijderen, overweegt de voorzieningenrechter dat hij deze stelling aldus begrijpt dat [eiseres] van mening is dat de KNVB haar besluit niet had mogen baseren op de door het openbaar ministerie aan de KNVB toegezonden stukken, daar de KNVB deze stukken had moeten verwijderen. De KNVB heeft als verweer gevoerd dat artikel 5 van de Gedragscode gegevensverwerking stadionverboden en reglement commissie stadionverboden (hierna te noemen: de Gedragscode) haar verplicht om, nadat de officier van justitie besluit tot een technisch sepot, de gegevens die ingevolge de Gedragscode zijn verwerkt, te verwijderen. In het geval van [eiseres] heeft de KNVB geen gegevens van het openbaar ministerie ontvangen die zij op grond van artikel 5 van de Gedragscode had moeten verwijderen. Daar [eiseres] het vorenstaande niet heeft weersproken, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [eiseres] onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit zou blijken dat de KNVB jegens [eiseres] onrechtmatig zou hebben gehandeld.

4.4. Gezien het vorenstaande ligt de primaire en de subsidiaire vordering voor afwijzing gereed. Met betrekking tot de meer subsidiaire vordering van [eiseres], inhoudende inkorting van de duur van het verbod, overweegt de voorzieningenrechter dat het zijn toets te buiten gaat om hierover een oordeel te geven. Deze bevoegdheid is overgelaten aan de KNVB of (indien [eiseres] wel in beroep was gegaan tegen het besluit van de KNVB) bij de commissie. Gezien het vorenstaande ligt evenwel de meer subsidiaire vordering voor afwijzing gereed.

4.5. Op grond van het vorenstaande zal [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

5.1. wijst het gevorderde af;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van de KNVB begroot op € 262,00 aan vast recht en € 816,00 voor salaris advocaat;

5.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

BS