Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ3453

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
03/700632-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - De rechtbank acht medeplegen van poging tot moord bewezen. Met een mes op zak is verdachte samen met een vriendin (medeverdachte) op zoek gegaan naar het slachtoffer. Verdachte heeft op haar ingestoken. Het slachtoffer heeft hieraan diverse littekens in de halsstreek en nek overgehouden. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700632-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 juli 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

Raadsman is mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Namens en op verzoek van het slachtoffer is de door haar opgestelde slachtofferverklaring voorgehouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander heeft geprobeerd - met voorbedachten rade - [slachtoffer] te doden.

Feit 2: [slachtoffer] meerdere malen heeft bedreigd met de dood

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het ten laste gelegde onder 1 (een poging tot moord) niet bewezen kan worden verklaard, nu er geen sprake is van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan het steken/snijden van [slachtoffer]. De raadsman refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring van een poging tot doodslag, met dien verstande dat er sprake is van opzet in voorwaardelijke zin. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 28 september 2008 is verdachte samen met [medeverdachte]te [H.] op zoek gegaan naar [slachtoffer], de vriendin van de ex-vriend van verdachte. Verdachte heeft twee messen en een steen op zak. Tijdens de zoektocht naar [slachtoffer] is op de naambordjes van de flats op de [L.straat] te [H.] gekeken om zodoende te achterhalen waar [slachtoffer] woont. Tevens is aangebeld bij verschillende mensen met de vraag of zij weten waar zij woont. Ten slotte is met hetzelfde doel een jongen op straat aangesproken. Op een gegeven moment zien verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer], met haar zoontje, op straat lopen. Verdachte rent op [slachtoffer] af, pakt na een korte woordenwisseling een mes, trekt [slachtoffer] aan de haren en steekt/snijdt op haar in. [medeverdachte]probeert, daartoe aangestuurd door verdachte, het zoontje van [slachtoffer] weg te pakken bij zijn moeder, hetgeen niet lukt omdat [slachtoffer] haar zoontje blijft vasthouden. Na de steek/snijpartij rennen beide verdachten weg en laten [slachtoffer] gewond achter op straat. [slachtoffer] loopt met haar zoontje naar huis en wordt door een voorbij komende buurtgenoot met de auto naar het ziekenhuis vervoerd. Daar worden drie wonden in de hals, twee wonden in de nek, een wond in de linkerschouder, twee wonden in de rechterschouder, vijf wonden in de linkerarm, een wond in de rechterarm en meerdere kleine wondjes aan vingers en borstkast geconstateerd. Het mes waarmee [slachtoffer] gesneden/gestoken is wordt na een aanwijzing van [medeverdachte]in een put aangetroffen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de voorbedachten rade.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij tegen [medeverdachte]heeft gezegd dat zij [slachtoffer]en haar ex-vriend iets zal gaan aandoen. Zij heeft tegen haar gezegd dat zij hen zal aanvliegen op het moment dat zij hen zal zien. Verdachte heeft verder verklaard dat [medeverdachte] in haar woning heeft gezien dat verdachte de messen vanuit een keukenlade in haar tas heeft geschoven. [medeverdachte] heeft op de bewuste dag (28 september 2008) voordat ze op pad gingen geweten dat verdachte twee messen bij zich had. [medeverdachte] heeft overigens verklaard dat verdachte onderweg heeft gezegd dat ze [slachtoffer] de strot ging doorsnijden. Verdachte heeft verder verklaard dat [medeverdachte] in het geheel geen poging heeft ondernomen om, terwijl zij op [slachtoffer] instak, haar bij die [slachtoffer] weg te trekken.

Uit het vorenstaande trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte op 28 september 2008 op zoek is gegaan naar [slachtoffer] met het oogmerk haar te doden. [medeverdachte] was van deze plannen van verdachte op de hoogte. Verdachte heeft het slachtoffer gevonden en heeft ook daadwerkelijk gepoogd haar voornemen tot uitvoering te brengen. Met name gelet op het letsel in hals en nek betreft het hier handelingen die naar hun aard geschikt zijn om een persoon van het leven te beroven. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte]op 28 september 2008 te [H.] met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer] met een mes te doden.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting voor zover betrekking

hebbende op de hyvesberichten;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;

- andere geschrift (sms-bericht);

- proces-verbaal van bevindingen met bijlagen hyvesberichten;

- proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte];

- de aangifte van [slachtoffer];

- de aanvullende aangifte van [slachtoffer].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 september 2008 in de gemeente [H.], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer]van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met die ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in de halsstreek en in de nek van die [slachtoffer] heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

in het tijdvak van 1 juli 2008 tot en met 28 september 2008 in de gemeente [H.], meermalen [slachtoffer]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] in haar tegenwoordigheid dreigend de woorden toegevoegd :

"ik snij je de keel door" en "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en

voornoemde [slachtoffer] SMS-berichten en berichten via Hyves toegezonden waarin zij, verdachte, genoemde [slachtoffer] dreigde (zakelijk weergegeven) te vermoorden, kapot te maken en neer te steken, althans dreigde met woorden/daden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

medeplegen van poging tot moord

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Over verdachte is gerapporteerd door de psychiater [M.]en de psycholoog drs. [v.T.] Beiden zijn van mening dat verdachte leidt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een recidiverende depressieve stoornis en dat daarnaast de geestvermogens gebrekkig zijn ontwikkeld in de zin van zwakbegaafdheid. Ook is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven.

Hiervan was ten tijde van het plegen van het feit ook sprake en hiervan ging invloed uit op het gedrag van verdachte tijdens het plegen ervan. Beide deskundigen achten verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze daarom over. Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en terbeschikkingstelling van verdachte met dwangverpleging. De officier van justitie heeft daarbij de ernst van het toegebrachte letsel benadrukt en het feit dat een en ander is gebeurd voor de ogen van het jonge kind van [slachtoffer]. Ook heeft de officier van justitie gewezen op het hoge recidiverisico bij verdachte.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de eis buitenproportioneel hoog is, afgezet tegen soortgelijke zaken in den lande. Hij acht het zinvol om verdachte zo snel mogelijk te laten behandelen aan haar persoonlijkheidsproblematiek en verzoekt om schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 14 juli 2009, teneinde verdachte zo spoedig mogelijk te laten starten met haar behandeling. Een gevangenisstraf van 12 maanden zou op zijn plaats zijn. Tegen het advies van de deskundigen om de behandeling in te kaderen in een voorwaardelijke tbs bestaan geen bezwaren.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de door de officier van justitie gevorderde terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Daarna zal zij aangeven welke straf zij passend acht.

Overwegingen met betrekking tot de gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling

Door psycholoog [v.T.]is op 30 januari 2009 een rapport opgemaakt over de persoon van verdachte. De conclusie met betrekking tot de geestvermogens van verdachte, en de invloed daarvan op het gepleegde feit, zijn hiervoor al kort aan de orde geweest.

In dat rapport wordt het gevaar voor herhaling als hoog ingeschat. Als daarbij relevant en elkaar beïnvloedende elementen worden genoemd: jonge leeftijd bij eerste gewelddadig incident, eerder geweld, instabiliteit van relatie, beperkte cognitieve vaardigheden, persoonlijkheidsstoornis, gebrek aan zelfinzicht, negatieve opvattingen, impulsiviteit en een geringe beschikbaarheid aan persoonlijke steun/beperkt steunnetwerk. Daaraan wordt nog toegevoegd dat verdachte op geen enkele manier in staat lijkt te reflecteren op haar eigen gedrag en dat zij de schuld bij anderen legt waardoor er geen intrinsieke motivatie tot verandering is.

Psychiater [M.]bracht op 6 februari 2009 een rapport uit over de persoon van verdachte. Ook dit rapport is hiervoor al kort aan de orde geweest.

De psychiater acht de kans op herhaling eveneens groot. De uit haar stoornissen voorkomende factoren als beperkte zelfredzaamheid en het onvermogen op eigen benen te staan kunnen maken dat verdachte zich onnadenkend en impulsief gedraagt. Ook het gebrek aan empathie is recidiveverhogend. Verder wordt gewezen op het feit dat verdachte gebukt zou gaan onder een schuldenlast en op de vraagtekens die kunnen worden gesteld bij de omvang en de kwaliteit van het sociale steunnetwerk.

Zowel psycholoog als psychiater komt tot de conclusie dat ter beteugeling van het gevaar voor herhaling een behandeling binnen een strak kader absoluut nodig is. Het advies van beiden is in dat verband de maatregel van de terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en psychiater over op het punt van het gevaar voor herhaling. De rechtbank is echter van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging noodzakelijk is, waartoe zij het volgende heeft overwogen:

Uit al hetgeen bekend is over (de aanleiding tot) met name het primair ten laste gelegde en de persoon van de verdachte concludeert de rechtbank dat er zonder behandeling van verdachte een groot gevaar bestaat dat zij opnieuw een ernstig strafbaar feit pleegt, in het bijzonder wederom een ernstig geweldsdelict. In het verleden is zij na het verbreken van een relatie al eerder betrokken geweest bij geweld tegen de persoon die zij als de schuldige daaraan ziet. Dat geweld heeft steeds ernstigere vormen aangenomen, nu culminerend in een poging tot moord.

Met de deskundigen acht de rechtbank de kans groot dat verdachte, als zij weer in de maatschappij zal terugkeren, snel op zoek zal gaan naar een nieuwe relatie waarbij zij de zo door haar gewenste geborgenheid en veiligheid hoopt te vinden. Indien deze relatie zou ontsporen bestaat het aanzienlijke risico dat – indien verdachte niet eerst met succes is behandeld - deze persoon aan ernstig geweld door verdachte wordt bloot gesteld.

Daarnaast wordt vastgesteld dat er sprake is van veel verschillende elementen in de persoon van verdachte die maken dat dit gevaar bestaat, waardoor de noodzakelijke behandeling naar verwachting geruime tijd zal vergen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met het oog op de bescherming van de maatschappij daarom in deze zaak niet worden volstaan met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Daarbij wordt in het bijzonder gewezen op de beperkte maximale duur van deze maatregel van vier jaren. Er bestaat een aanzienlijk risico dat binnen deze termijn de kans op herhaling niet in afdoende mate terug is gebracht. Dat acht de rechtbank niet aanvaardbaar. Daarom zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging opleggen, waarvoor geen beperking in maximale duur geldt.

Overwegingen met betrekking tot de gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Zij heeft een brute aanval gepleegd op het slachtoffer [slachtoffer], in het bijzijn van het drie jarige zoontje van [slachtoffer]. Met een mes heeft zij vele malen op [slachtoffer] ingestoken en haar gesneden. Na deze onverhoedse aanval heeft zij [slachtoffer] aan haar lot overgelaten. Zij heeft niet de hulpdiensten ingeschakeld of op een andere manier geprobeerd te bevorderen dat [slachtoffer] hulp kreeg. Het is uiteindelijk niet meer dan geluk geweest dat [slachtoffer] niet ernstiger gewond is geraakt of is overleden.

Zoals onder meer blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring heeft een en ander een grote impact gehad op zowel [slachtoffer] als haar zoontje.

Als gevolg van het toegebrachte letsel heef [slachtoffer] veel pijn gehad. Ook hebben de door verdachte toegebrachte wonden tot blijvende littekens in onder meer hals en nek geleid. Nog altijd heeft [slachtoffer] angst en is zij achterdochtig en wantrouwend ten opzichte van anderen. Haar zoontje heeft als gevolg van het gebeuren gedragsproblemen ontwikkeld en staat onder behandeling van een kinderpsycholoog.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

Op grond van de uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven is het uitgangspunt voor het vaststellen van een gevangenisstraf bij moord een strafduur van 10 jaar. Een ander uitgangspunt is dat bij een poging tot moord daarvan 2/3 wordt opgelegd ofwel 7 jaar. Vervolgens wordt naar alle omstandigheden van het geval gekeken om te beoordelen of dit uitgangspunt aanpassing behoeft. Elementen die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld het al dan niet aanwezig zijn van recidive, bijzondere gruwelijkheid van het feit, de vraag waar het zich heeft afgespeeld en de vraag wat de verdachte tot de daad heeft gebracht. Ook wordt rekening gehouden met de persoon van de verdachte, in het bijzonder de vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Wat betreft de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd heeft de rechtbank het feit dat een en ander is gebeurd onder de ogen van het jonge kind van het slachtoffer zwaar laten meewegen. Anderzijds is het echter voor de rechtbank ook van belang dat het letsel van het slachtoffer uiteindelijk relatief licht is geweest.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf speelt voor de rechtbank het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging een wezenlijke rol. In eerste instantie vanwege de behandeling die verdachte zal krijgen. Omdat de rechtbank die behandeling van groot belang acht dient met de aanvang daarvan ook niet te lang gewacht te worden. Maar ook omdat deze maatregel tot gevolg zal hebben dat verdachte na de gevangenisstraf nog meerdere jaren van haar vrijheid beroofd zal blijven en vooralsnog niet in de maatschappij zal terugkeren. Hoewel de duur van een terbeschikkingstelling met verpleging van zoveel omstandigheden afhangt dat deze feitelijk ongewis is – en soms zelfs tot een levenslang verblijf in een tbs-instelling kan leiden – is het de rechtbank ambtshalve bekend dat de duur doorgaans meer dan zeven jaren bedraagt. Daarbij zal de veroordeelde gedurende de eerste jaren nauwelijks of geen vrijheden buiten de tbs-instelling genieten.

De rechtbank ziet in het geheel van deze omstandigheden reden om een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De eis van de officier van justitie op het punt van de gevangenisstraf kan niet worden gevolgd. Deze eis sluit immers absoluut niet aan bij wat pleegt te worden opgelegd in vergelijkbare gevallen. Enige onderbouwing door te verwijzen naar andere uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven, waarin een dergelijke straf wel is opgelegd, heeft de officier van justitie niet willen geven. Sterker nog, hij heeft uitdrukkelijk afstand genomen van de jurisprudentie onder verwijzing naar de bedoeling van de wetgever zoals hij deze zelf interpreteert.

Naar het oordeel van de rechtbank wijkt die jurisprudentie echter niet af van de bedoeling van de wetgever, al was het alleen maar omdat de wetgever met het enkel vastleggen van een maximale gevangenisstraf de rechter de ruimte laat voor een passende reactie gelet op alle specifieke omstandigheden van elk geval.

Gelet op de op te leggen straf en maatregel dient het namens verdachte gedane verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te worden afgewezen.

6 Het beslag

Het in beslag genomen vlees/keukenmes met zwart handvat is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De overig - hierna in de beslissing genoemde - in beslag genomen voorwerpen zullen ten dele aan verdachte en ten dele aan [slachtoffer] worden teruggegeven.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 45, 47, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege voor de duur van twee jaren;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken 1 vlees/keukenmes met zwart handvat;

- gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan de veroordeelde:

20300196675 2 1 trottoirtegel

20300196675 3 1 handschoen

20300196675 5 1 paar ballarina's (schoeisel)

20300196675 6 1 jas, kleur: zwart

20300196675 7 1 spijkerbroek

20300196675 8 1 zwart/wit shirt

20300196675 1 zwarte bh

20300196675 10 3 haarbandjes, zwart, grijs en bruin

- gelast de teruggave van de volgende voorwerpen aan [slachtoffer]:

20300196675 11 1 paar witte ballerina’s (schoeisel)

20300196675 12 1 trui, kleur: groen

20300196675 13 1 spijkerbroek

20300196675 14 1 onderhemdje

20300196675 15 1 bh

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. B.R.M. de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 28 september 2008 in de gemeente [H.], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer]van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met die ander, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen (telkens) met een of meer messen, althans met een of meer scherp(e) voorwerp(en), (onder meer) in de halsstreek en/of in de nek en/of in de borst, in elk geval in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in of omstreeks het tijdvak van 1 juli 2008 tot en met 28 september 2008 in de gemeente [H.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) [slachtoffer]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer] in haar tegenwoordigheid en/of telefonisch dreigend de woorden toegevoegd :

"ik snij je de keel door" en/of "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en/of

voornoemde [slachtoffer] SMS-berichten en/of e-mail-berichten en/of berichten via Hyves toegezonden waarin zij, verdachte, genoemde [slachtoffer] dreigde (zakelijk weergegeven) te vermoorden, verminken, kapot/dood te slaan/maken, de hals/keel door te snijden en/of neer te steken, althans dreigde met woorden/daden van gelijke dreigende aard of strekking.