Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ3140

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 538 + AWB 09 / 701
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Na gegrondverklaring van een bezwaarschrift van derden-belanghebbenden op 25 november 2008, is bij besluit van 17 februari 2009 een last onder bestuursdwang opgelegd om drie wanden van een overkapping van een vakantiewoning te verwijderen. Laatstgenoemd besluit kan niet worden aangemerkt als een los van het bezwaar van belanghebbenden genomen primair besluit, maar als deel van de beslissing op dit bezwaar. Tussen dit besluit en het (tot belanghebbenden gerichte) besluit van 25 november 2008 bestaat een onverbrekelijke samenhang, zodat zij dienen te worden opgevat als de samenstellende delen van de in heroverweging gegeven beslissing op voormeld bezwaar van belanghebbenden. Verweerder heeft derhalve terecht in het besluit van 17 februari 2009 aangegeven dat hiertegen beroep bij de rechtbank openstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 09 / 538 + AWB 09 / 701

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van deze wet

in het geding tussen

[naam verzoekster],

wonend te [plaats], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 februari 2009

Kenmerk: IS 080030 09u0040

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd die er toe strekt dat zij voor 6 juni 2009 overgaat tot het verwijderen van een drietal wanden van de overkapping aan de rechterzijde van de haar in eigendom toebehorende vakantiewoning gelegen op het perceel [adres].

Tegen dit besluit heeft verzoekster tijdig beroep doen instellen bij deze rechtbank. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank doen verzoeken ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb zijn [namen belanghebbenden] (hierna: belanghebbenden) in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 juni 2009, alwaar voor verzoekster is verschenen haar gemachtigde J.A.M.P. Keijser, advocaat te Nijmegen.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door I. Schrouff-Bertrand, werkzaam bij de gemeente Vaals.

Voor belanghebbenden is verschenen hun gemachtigde J.J.G. Palmen, werkzaam bij Palmen palmen & Associates, buro voor publiekrecht en ondernemer, te Brunssum.

Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de gemachtigde van belanghebbenden in staat te stellen met zijn cliënten in overleg te treden inzake het verzoek van verzoekster om de effectuering van het bestreden besluit uit te stellen tot medio oktober 2009. Bij brief van 7 juli 2009 heeft de gemachtigde van belanghebbenden de uitkomst van dit overleg medegedeeld.

Gelet op de (reeds) ter zitting van partijen verkregen toestemming als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, laatste volzin, juncto artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 9 juli 2009 heeft hij het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft verweerder aan de rechtsvoorganger van verzoekster een bouwvergunning verleend voor het veranderen van de in rubriek 1 genoemde vakantiewoning, in die zin dat een serre wordt gebouwd door middel van het oprichten van drie volledig gesloten wanden onder de reeds bestaande terrasoverkapping tegen een van de gevels van de woning.

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft verweerder het door belanghebbenden tegen het besluit van 19 februari 2004 gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, dit besluit herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij brief van 27 februari 2007 hebben belanghebbenden verweerder verzocht door toepassing van bestuursdwang de hiervoor genoemde, zonder bouwvergunning opgerichte bebouwing te (doen) verwijderen. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2008 heeft verweerder het door belanghebbenden tegen het besluit van 16 mei 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dit besluit herroepen en besloten door middel van een nader in het besluit van 25 november 2008 geduid stappenplan een nieuw besluit te nemen, inhoudende het inwilligen van het handhavingsverzoek.

Bij uitspraak van 17 oktober 2008 heeft deze rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 3 juni 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daartoe heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"Nu het bouwplan voorziet in het oprichten van drie volledig gesloten wanden onder de bestaande terrasoverkapping, zal realisering ervan tot gevolg hebben dat dit bouwwerk wordt geconverteerd in een gebouw, ten gevolge waarvan de bouwmassa wordt vergroot. Gelet hierop is het bouwplan niet in overeenstemming met artikel 2.20, onder 3.A van de planvoorschriften. "

Met betrekking tot het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter overweegt ambtshalve, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2005 (LJN: AU2596), dat de aan verzoekster opgelegde last onder bestuursdwang niet kan worden aangemerkt als een los van het bezwaar van belanghebbenden tegen het besluit van 16 mei 2007 genomen primair besluit, maar als deel van de beslissing op dit bezwaar. Tussen dit besluit en het (tot belanghebbenden gerichte) besluit van 25 november 2008 bestaat een onverbrekelijke samenhang, zodat zij dienen te worden opgevat als de samenstellende delen van de in heroverweging gegeven beslissing op voormeld bezwaar van belanghebbenden. Verweerder heeft derhalve terecht in het besluit van 17 februari 2009 aangegeven dat hiertegen beroep bij de rechtbank openstaat.

Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening is mitsdien gedaan hangende beroep bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter is gewezen in de kennisgeving aan partijen van de behandeling van het verzoek ter zitting.

Na kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De voorzieningenrechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Ingevolge artikel 5:22 van de Awb bestaat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt, blijkens het tweede lid van dat artikel, uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert

Vastgesteld moet worden dat met voormelde uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2009 is komen vast te staan dat het hiervoor genoemde, inmiddels gerealiseerde bouwplan in strijd is met de voorschriften van het ter plaatste vigerende bestemmingsplan, zodat verweerder bevoegd is ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang (of een last onder dwangsom) op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Niet in geschil is dat geen concreet uitzicht op legalisatie van het bouwwerk bestaat. Voor zover is gesteld dat (effectuering van) het bestreden besluit leidt tot een onaanvaardbare kapitaalsvernietiging, waardevermindering en het mislopen van huurpenningen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een en ander niet kan worden gezien als een zodanig bijzondere omstandigheid waarvan moet worden vastgesteld dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat verweerder van handhavend optreden behoorde af te zien. Hierbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat het voor verzoekster reeds sinds het besluit van 13 februari 2007 duidelijk kon zijn dat het bouwwerk illegaal was en dat daartegen handhavend zou worden opgetreden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder derhalve in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang op de wijze zoals verwoord in het bestreden besluit. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Gegeven de uitspraak in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het daartoe strekkende verzoek dient te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door R.M.M Kleijkers in tegenwoordigheid van P.M. van den Brekel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2009.

w.g. P. van den Brekel w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 20 juli 2009.

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.