Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ3082

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In bezwaar gehandhaafde afwijzing verzoek om schadevergoeding ex artikel 30 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rwc). Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of verweerder bij de toepassing van artikel 30 van de Rwc terecht heeft getoetst aan de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade als genoemd in artikel 49 van de WRO, welke vraag de rechtbank bevestigend beantwoordt. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder het verzoek om schadevergoeding op goede gronden heeft afgewezen. Ook deze vraag wordt bevestigend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 912

Uitspraak

in het geding tussen

[A] en [B],

wonend te Nederweert, eisers,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 20 mei 2008

Kenmerk: 2008/17795

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde, hieronder nader te duiden besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting behandeld door een enkelvoudige kamer op 4 februari 2009. Daarbij zijn eisers in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne. Verweerder heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

Aangezien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het beroep is ter nadere zitting behandeld door een meervoudige kamer op 4 juni 2009, waar eiser [A] is verschenen, bijgestaan door I.L. van Geel, zijnde een kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door E. Weusten, werkzaam bij de afdeling Landelijk Gebied van de provincie Limburg.

2. Overwegingen

Bij brief gedateerd 13 februari 2006 (doch eerst op 29 mei 2006 door verweerder ontvangen) hebben eisers verweerder verzocht conform artikel 30 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) over te gaan tot schadevergoeding ad € 225.000,--, welke schade zij stellen te hebben geleden als gevolg van de invoering van de Rwc met bijbehorende provinciale reconstructieplannen. Ter onderbouwing van de schade hebben eisers een “rapportage planschade” van [naam], makelaar en beëdigd taxateur o.z., van 23 mei 2006 overgelegd.

Bij brief van 3 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag van eisers, overeenkomstig artikel 3 van de Beleidsregel schadeprocedures Reconstructie provincie Limburg, aan de Stichting Adviesbureau onroerende Zaken (hierna: SAOZ) ter advisering voorgelegd.

De SAOZ heeft in haar advies van februari 2007 geadviseerd het verzoek om vergoeding van schade ex artikel 30 van de Rwc af te wijzen, aangezien het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg voor eisers niet heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 30 van de Rwc voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering of inkomensschade is voortgevloeid. De SAOZ heeft gesteld dat eisers op de peildatum in planologische zin niet beschikten over een agrarisch bouwblok op hun perceel. Evenmin was op de peildatum sprake van een in werking getreden vrijstellingsbesluit ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) op basis waarvan zij agrarische bedrijfsbebouwing – al dan niet voor een intensieve veehouderij – konden oprichten. Gelet hierop heeft de SAOZ gesteld dat, nu bouwmogelijkheden in planologische zin ontbraken, het reconstructieplan wegens het ontbreken van causaal verband niet geleid kan hebben tot de gestelde schade. Subsidiair is door de SAOZ gesteld dat, indien eisers per peildatum in planologische zin wel over bouwmogelijkheden beschikten, het verzoek om schadevergoeding afgewezen dient te worden wegens passieve risicoaanvaarding, nu eisers in het licht van het in voorbereiding zijnde reconstructieplan stil zijn blijven zitten, ten gevolge waarvan hun milieuvergunning is vervallen.

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft verweerder, onder verwijzing naar en overneming van genoemd advies van de SAOZ, het verzoek van eisers om schadevergoeding afgewezen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften provincie Limburg van 26 april 2008, het tegen dit besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep hebben eisers – kort weergegeven – hiertegen aangevoerd, dat verweerder er van uitgaat dat de planschaderegeling van artikel 49 van de WRO (ook) kan worden toegepast op verzoeken als bedoeld in artikel 30 van de Rwc. Verweerder gaat daarmee ten onrechte voorbij aan het gegeven dat de schadevergoedingsregeling van artikel 30 van de Rwc op zichzelf staat en derhalve aldus beoordeeld dient te worden. Voorts stellen eisers dat verweerder ten onrechte geen betekenis toekent aan het vaststaande feit dat de vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid, van de WRO in een zodanig vergevorderd stadium was, dat met grote zekerheid gesteld kan worden dat deze vrijstelling verleend had moeten worden. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de fout die ter plaatse van het perceel van eisers is gemaakt bij de vaststelling van het bestemmingsplan hersteld zou worden, waarmee alsnog een bouwblok op het perceel zou worden gelegd. Ten slotte stellen eisers zich op het standpunt dat geen sprake is van passieve risicoaanvaarding.

Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of verweerder bij de toepassing van artikel 30 van de Rwc terecht heeft getoetst aan de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade als genoemd in artikel 49 van de WRO. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Rwc kennen gedeputeerde staten op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de vaststelling van een reconstructieplan schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Blijkens de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van artikel 30 van de Rwc (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 356, nr. 5) heeft de wetgever voor de bewoordingen van dit artikel aangesloten bij artikel 49 van de WRO, waardoor de inmiddels omvangrijke jurisprudentie omtrent het begrip planschade en de wijze waarop de schadevergoeding dient te worden berekend, ook voor de toepassing van artikel 30 van belang blijft. De voorgestelde regeling brengt dan ook voor de rechtspositie van eventuele gelaedeerden geen afwijkingen met zich ten opzichte van artikel 49 van de WRO. De regeling voor schadevergoeding in artikel 30 is ontleend aan het bepaalde in artikel 49 van de WRO.

Voorts overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar en analoge toepassing van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2005 (LJN AT0571) dat, gelet op de aard van het reconstructieplan, het aanvaardbaar is dat een verzoek om schadevergoeding in beginsel wordt behandeld als een verzoek om vergoeding van planologische schade waarbij wordt getoetst aan de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade. De gestelde schade is immers, blijkens artikel 30 van de Rwc en de in het reconstructieplan gegeven definitie van verwevingsgebied, zijnde het gebied waarin eisers perceel is gelegen, een rechtstreeks gevolg van (het besluit tot vaststelling van) het reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg. Het (onherroepelijke) reconstructieplan maakt het mogelijk concreet na te gaan of er sprake is van een in planologisch opzicht gewijzigde en nadeliger situatie. Voorts is in artikel 30 van de Rwc een op de leest van artikel 49 van de WRO gebaseerde formulering opgenomen en staat ook de toelichting op de Rwc in het teken van de behandeling van planschade.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het verzoek om schadevergoeding terecht heeft behandeld als een verzoek om planschade en niet (tevens) als een verzoek om nadeelcompensatie. Immers, de (gestelde) schade vloeit rechtstreeks voort uit het reconstructieplan.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder, onder verwijzing naar het SAOZ-advies en het advies van de bezwaarcommissie, op goede gronden het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat voor de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding in de eerste plaats dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologisch regime, waardoor de verzoeker in een nadeliger positie is komen te verkeren en waarbij hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologisch regime. In dat verband is niet bepalend hoe de feitelijke situatie onder het voorheen geldende planologisch regime was, doch hetgeen – theoretisch – maximaal onder dat regime mogelijk was, ongeacht de vraag of realisatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De beoordeling van de vraag of sprake is van een planologisch nadeliger situatie is voorts in sterke mate afhankelijk van de ligging van het betrokken object ten opzichte van de schadeveroorzakende omstandigheden.

Eisers zijn sinds 25 augustus 1989 eigenaar van de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Nederweert, sectie P, nr. 105, plaatselijk bekend [adres]

Niet in geschil is, en ook de rechtbank stelt vast, dat de in dezen relevante peildatum 2 juni 2004 is. Evenmin is in geschil dat op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1998” (hierna: bestemmingsplan), zijnde het oude planologisch rechtsregime, op het perceel van eisers de bestemming “Agrarisch gebied” met de nadere aanduiding “open gebied/heideontginning” rustte. De als zodanig bestemde gronden zijn bedoeld voor agrarisch grondgebruik, behoud en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke karakteristiek en cultuurhistorische waarden, behoud en ontwikkeling van recreatieve (mede)gebruiksmogelijkheden, waterstaatkundige doeleinden, doeleinden van openbaar nut en verkeersvoorzieningen, een en ander met de bijbehorende bouwwerken en voorzieningen. Nader toegelicht is dat het agrarische grondgebruik binnen de bestemming overheerst. De nadere aanduiding “open gebied/heideontginning” geeft aan dat hier verder het behoud van de openheid en het grootschalige karakter worden nagestreefd met binnen de open ruimten verspreid gelegen bebouwingsmassa’s als eilanden in de open ruimte en met onderling grote afstanden. Het bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 van de WRO om, onder diverse voorwaarden, de (nieuw)vestiging van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken.

Voorts is niet in geschil dat het ingevolge het op 2 juni 2004 in werking getreden en op 6 juli 2005 onherroepelijk geworden reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg – kort gezegd – niet mogelijk is intensieve veehouderij te vestigen op het perceel van eisers.

Op de gronden ten oosten van het perceel van eisers was in het bestemmingsplan een agrarisch bouwblok opgenomen. Niet betwist is, en ook de rechtbank stelt vast, dat het de bedoeling was om dat blok op gronden van eisers te situeren, hetgeen echter abusievelijk niet is geschied. Ten einde dit te herstellen is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert (hierna: college) een procedure gestart om met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen voor een (nieuw) agrarisch bouwperceel op het perceel van eisers. Op 12 augustus 2003 heeft verweerder een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Bij brief van 27 augustus 2003 heeft het college het volgende medegedeeld:

“Deze verklaring van geen bezwaar kan te zijner tijd de basis zijn voor de verlening van een bouwvergunning voor agrarische bedrijfsdoeleinden, mits er althans sprake is van een volwaardige bedrijfsvestiging en die bedrijfsvestiging hetzij in overeenstemming is met een reeds verleende milieuvergunning dan wel in overeenstemming is met een Algemene Maatregel van Bestuur krachtens artikel 8:40 van de Wet milieubeheer”.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze brief geen concrete gegevens en aanwijzingen, op grond waarvan kan worden vastgesteld dat op het perceel van eisers in extra bouwmogelijkheden was voorzien. In deze brief wordt immers gesteld dat de verklaring van geen bezwaar slechts de basis kan zijn voor de verlening van een bouwvergunning voor agrarische bedrijfsdoeleinden, indien sprake is van een volwaardige bedrijfsvestiging die in overeenstemming is met een reeds verleende milieuvergunning. In het geval van eisers is nog geen begin van een bedrijfsvestiging aanwezig en was de aan hen verleende milieuvergunning op de peildatum reeds van rechtswege vervallen.

Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg voor eisers niet heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 30 Rwc voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering of inkomensschade is voortgevloeid.

Gelet hierop heeft verweerder het schadevergoedingsverzoek van eisers terecht afgewezen en komt de rechtbank derhalve niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van passieve risicoaanvaarding.

Nu de aangevoerde beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, beslist de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb, als aangegeven in rubriek 3.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.N.F. Sleddens, voorzitter, en T.E.A. Willemsen en R.M.M. Kleijkers, leden, in tegenwoordigheid van P.M. van den Brekel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2009.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 22 juli 2009.

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.