Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ2378

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
325390 CV EXPL 09-955
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder ontvangt een tegemoetkoming via de SVB voor de aanschaf van schoolboeken voor haar minderjarige dochter voor het schooljaar 2008-2009.

De (niet-gezaghebbende) vader van de minderjarige heeft de schoolboeken voor het betreffende jaar betaald. De vader vordert van de moeder betaling aan hem van de tegemoetkoming. Vordering afgewezen vanwegen het ontbreken van een grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 152 met annotatie van J.G. Kuhlmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 325390 CV EXPL 09-955

typ: RW

toev. eisende partij: [nummer]

vonnis van 17 juni 2009

in de zaak van

[eiser],

wonend te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. N. Bredius, advocaat te Maastricht,

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde],

gemachtigde: mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de volgende processtukken gewisseld:

- exploot van dagvaarding van 11 februari 2009 met producties;

- conclusie van antwoord met een productie;

- conclusie van repliek met producties;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

[eiser] vordert [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 363,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2009, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met verwijzing van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

[eiser] onderbouwt zijn vordering als volgt.

Partijen zijn de ouders van [kind], geboren [1993]. [kind] is al geruime tijd woonachtig in een pleeggezin. Het gezag berust enkel bij [gedaagde]. Omdat [gedaagde], hoewel zij daartoe rechtens gehouden was (aldus [eiser]), de schoolboeken van [kind] voor het schooljaar 2008-2009 niet heeft betaald, heeft [eiser] die kosten voor zijn rekening genomen. [gedaagde] ontvangt volgens [eiser] voor [kind] kinderbijslag en heeft tevens een tegemoetkoming van € 316,00 voor de schoolboeken ontvangen van de overheid, betaalbaar gesteld via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Omdat de tegemoetkoming is bedoeld voor de aanschaf van schoolboeken in het schooljaar 2008-2009 en omdat [gedaagde] die tegemoetkoming heeft ontvangen maar geen schoolboeken heeft betaald, is het in de visie van [eiser] “niet meer dan redelijk en billijk” dat het bedrag van € 316,00 aan [eiser] toevalt omdat hij de boeken heeft betaald. Ondanks sommatie op 12 januari 2009 heeft [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn van een week het bedrag van € 316,00 aan [eiser] betaald, zodat [eiser] in verzuim is. [eiser] vordert tevens vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 47,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2009.

Bij conclusie van antwoord stelt [gedaagde] dat zij en niet [eiser] recht heeft op de tegemoetkoming omdat zij de wettelijke vertegenwoordiger van [kind] is. [gedaagde] verwijst dienaangaande naar artikel 2 lid 1 onder b van de ‘Regeling eenmalige tegemoetkoming schoolboeken voor leerlingen van het door het rijk bekostigde voortgezet onderwijs voor het schooljaar 2008-2009’ (hierna: de regeling). [gedaagde] stelt dat zij in overleg met de gezinsvoogd heeft gewacht met de aanschaf van de boeken omdat niet duidelijk was welke school [kind] ging bezoeken. Zonder overleg met [gedaagde] heeft [eiser] de boeken aangeschaft. Hij heeft [gedaagde] zodoende niet de kans gegeven daar zelf voor te zorgen.

[gedaagde] kan in haar administratie niet nagaan of zij de tegemoetkoming heeft ontvangen, maar mocht zij die hebben ontvangen, dan kan [eiser] daar geen aanspraak op maken. [gedaagde] stelt dat zij “altijd volledig” voor [kind] heeft gezorgd zonder financiële bijdrage van [eiser] daarvoor te hebben ontvangen. [eiser] heeft geheel onverplicht en uit eigen beweging de schoolboeken betaald, hetgeen niet anders kan worden gezien dan als het leveren van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], waartoe hij als vader gehouden is. Hij heeft hiermee volgens [gedaagde] “voldaan aan een natuurlijke verbintenis welke niet van [gedaagde] teruggevorderd dan wel op haar verhaald kan worden”. Ook de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente wordt door [gedaagde] betwist. Ten slotte geeft [gedaagde] haar visie op (de oorzaken van) de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind].

Bij repliek stelt [eiser] dat de SVB hem heeft medegedeeld dat hij “de gelden van gedaagde diende te vorderen”. Mocht [eiser] geen tegemoetkoming hebben ontvangenm, dan dient zij hier alsnog aanspraak op te maken bij de SVB. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen overleg gevoerd met de gezinsvoogd omtrent de aanschaf van de schoolboeken. De gezinsvoogd heeft hem namelijk medegedeeld dat het dossier daarover niets vermeldt. [gedaagde] heeft, zo stelt [eiser], te kennen gegeven (wegens gebrek aan financiële middelen) niet bereid te zijn schoolboeken aan te schaffen. Op verzoek van de gezinsvoogd heeft [eiser] de boeken in het belang van zijn dochter betaald. [eiser] acht het in die omstandigheden niet redelijk en billijk dat [gedaagde] de tegemoetkoming ontvangt. Het doet volgens [eiser] verder niet ter zake dat er geen bijdrage zou zijn betaald in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]. Deze bijdrage zou bovendien in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering van [gedaagde]. [eiser] stelt bovendien wel in de kosten te hebben bijgedragen. Van de door [gedaagde] gestelde natuurlijke verbintenis is volgens [eiser] geen sprake omdat “naar maatschappelijke opvatting” de tegemoetkoming toekomt aan degene die de schoolboeken heeft betaald: [eiser].

In haar conclusie van dupliek volhardt [gedaagde] in het standpunt dat de tegemoetkoming op grond van de regeling aan haar toekomt en dat het daarbij niet relevant is wie de boeken daadwerkelijk heeft betaald. De maatschappelijke opvatting kan hierin volgens

[gedaagde] geen wijziging brengen. Naar de mening van [gedaagde] faalt het beroep op de redelijkheid en billijkheid. Zij heeft immers met een minimuminkomen “altijd in haar eentje alle kosten voor de kinderen, waaronder [kind], zelf moeten betalen, zonder enige financiële vergoeding in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van [eiser] te ontvangen”. Hierdoor is zij in financiële problemen gekomen, waardoor zij niet in staat was tijdig de boeken van het vorige schooljaar (2007-2008) voor [kind] te betalen. Ten aanzien van het schooljaar 2008-2009 houdt [gedaagde] vol dat zij in overleg met [naam], de toenmalige gezinsvoogd, heeft gewacht met de aanschaf van boeken omdat [kind] van huis was weggelopen en het niet duidelijk was naar welke school [kind] zou gaan. De toenmalige gezinsvoogd heeft het dossier nauwelijks bijgehouden, hetgeen verklaart waarom dit geen informatie over het bedoelde overleg bevat.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

[gedaagde] en [eiser] zijn de ouders van [kind]. Alleen [gedaagde] heeft het gezag over [kind] en is haar wettelijke vertegenwoordiger. [kind] woont sinds juli 2008 niet meer bij [gedaagde]. Bij beschikking van 8 september 2008 heeft de kinderrechter machtiging verleend [kind] met ingang van 8 september 2008 tot en met 8 april 2009 in een accommodatie van een aanbieder van geïndiceerde jeugdzorg te plaatsen. Bij beschikking van 8 januari heeft de kinderrechter vervolgens machtiging verleend [kind] tot en met 8 april 2009 bij pleegouders dan wel in een accommodatie van een aanbieder van geïndiceerde jeugdzorg te plaatsen. [gedaagde] heeft voor de aanschaf van schoolboeken voor [kind] voor het schooljaar 2008-2009 een tegemoetkoming van € 316,00 ontvangen. [eiser] heeft de schoolboeken van [kind] voor het schooljaar 2008-2009 betaald. [eiser] heeft tot op heden aan [gedaagde] geen bijdrage betaald voor kosten van het levensonderhoud van [kind].

De aanspraak van [gedaagde] op de tegemoetkoming van € 316,00 vloeit direct voort uit artikel 2 van de regeling. Nergens blijkt uit de regeling dat de aanspraak van een wettelijk vertegenwoordiger of ouder afhankelijk is van het antwoord op de vraag of en door wie de schoolboeken worden aangeschaft. De regeling biedt dan ook geen grondslag voor de vordering van [eiser], noch tegenover de SVB noch tegenover [gedaagde].

Dat [gedaagde] op grond van de redelijkheid en billijkheid zou zijn gehouden tot betaling van “de tegemoetkoming” aan [eiser] valt evenmin vol te houden, althans wordt niet door de feiten gerechtvaardigd. Het enkele feit dat [gedaagde] recht heeft op een tegemoetkoming voor de aanschaf van schoolboeken en desondanks geen schoolboeken heeft gekocht, roept geen verbintenis in het leven op grond waarvan zij rechtens verplicht zou kunnen worden die tegemoetkoming te betalen aan degene die de schoolboeken wel heeft aangeschaft. Bovendien is [eiser] (naast [gedaagde]) als ouder gehouden een bijdrage te leveren in het levensonderhoud (waaronder studiekosten) van [kind]. [eiser] heeft derhalve door het betalen van de schoolboeken voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Daaruit vloeit geen rechtens afdwingbare verplichting voor [gedaagde] voort om aan [eiser] “de tegemoetkoming” (door) te betalen. Bovendien kan op grond van de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden niet gezegd worden dat [eiser] in vergelijking met [gedaagde] (en gelet op hun beider inkomen) een onevenredig groot deel van de kosten van levensonderhoud van [kind] voor zijn rekening heeft genomen. De vordering van [eiser], die er per saldo op neerkomt dat hij het onbekend gebleven bedrag terugvordert dat hij voor de boeken van [kind] heeft betaald (althans tot de hoogte van “de tegemoetkoming”) zal dan ook bij gebrek aan grondslag worden afgewezen.

Omdat [eiser] geen directe aanspraak op “de tegemoetkoming” geldend kan maken, zegt hij in wezen op billijkheidsgronden de natuurlijke verbintenis waaraan hij met de betaling van de schoolboeken ten opzichte van zijn dochter en (indirect) zijn voormalige partner heeft voldaan, (alsnog) ongedaan te willen en te kunnen maken tot een bedrag van € 316,00. Bovendien vordert hij dit bedrag niet van zijn dochter, aan wie het ten goede is gekomen, doch van zijn vroegere partner. Van onverschuldigde betaling met een daaruit voortvloeiende aanspraak op restitutie kan echter geen sprake zijn als voldaan is aan een natuurlijke verbintenis, zoals in casu. Daargelaten kan worden of [eiser] een andere partij in rechte had kunnen betrekken in de onderhavige kwestie.

Gelet op de aard van de zaak en de verhouding tussen partijen zullen de kosten van dit geding worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

Wijst de vordering af.

Compenseert de kosten van het geding in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.