Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI9161

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
139737
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voldoet de verklaring van Bureau Jeugdzorg aan de daaraan in artikel 29b lid 4 Wet op de jeugdzorg gestelde vereisten?

Aan welke vereisten dient de instemmingsverklaring van een gedragsdeskundige, genoemd in artikel 29b lid 5 Wet op de jeugdzorg, te voldoen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 19 juni 2009

Zaaknummer: 139737 / OT RK 09-683

BESCHIKKING OP VERZOEK MACHTIGING UITHUISPLAATSING

IN EEN ACCOMMODATIE VOOR GESLOTEN JEUGDZORG

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats minderjarige] op [geboortedatum minderjarige],

verder te noemen: [minderjarige],

advocaat mr. S. Selbach,

kind van:

[moeder minderjarige], wonende te [adres moeder minderjarige], verder te noemen: de moeder

en

[vader minderjarige], wonende te [adres vader minderjarige], verder te noemen: de vader;

advocaat mr. H.E. Menger.

1.Verloop van de procedure

Op 22 april 2009 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 april 2009, waarna de behandeling is geschorst. De behandeling is voortgezet op 15 mei 2009.

De vader is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op 9 juni 2009. De vader is niet ter zitting verschenen. Bij faxbericht van 10 juni 2009 heeft zijn advocaat een schriftelijke reactie ingediend.

2.Vaststaande feiten

[minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader. De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit.

Bij beschikking van 7 juli 2008 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 15 juli 2008 laatstelijk verlengd tot 15 juli 2009.

3.Verzoek, grondslag en verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de termijn genoemd in het indicatiebesluit.

3.2

In het verzoekschrift heeft bureau jeugdzorg vermeld dat de aanleiding tot het verzoek is gelegen in de omstandigheid dat [minderjarige] weigert mee te werken aan welke hulpverlening dan ook, terwijl de gezinsvoogd en andere betrokken hulpverleners zich ernstig zorgen maken over zijn ontwikkeling. Daarnaast hebben [minderjarige] en zijn moeder een verstoorde relatie, die steeds meer in een negatieve spiraal terecht komt, waardoor beiden tegen zichzelf, maar ook tegen elkaar beschermd dienen te worden.

In een naar aanleiding van de zitting van 24 april 2009 aan het verzoekschrift toegevoegde zin heeft bureau jeugdzorg vermeld dat “deze verklaring dient te worden gelezen zoals vereist in artikel 29b lid 4 Wjz en is tevens opgenomen in het bijgevoegde indicatiebesluit.”

Voorst is bij wijze van conclusie vermeld dat “bureau jeugdzorg van oordeel is dat, zoals uit de inhoud van dit verzoekschrift en de overgelegde bijlagen blijkt, de uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een voorziening gesloten jeugdzorg in het belang van de verzorging en opvoeding van bovengenoemde minderjarige of tot onderzoek van zijn/haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is en vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige.”

3.3

Uit de overige stukken blijkt dat bureau jeugdzorg zich op het standpunt stelt dat de situatie rondom de moeder en [minderjarige] steeds ernstiger wordt. De hulpverlening die in gang is gezet wordt door beiden alleen maar tegengewerkt. Geprobeerd is een traject op te zetten om [minderjarige] te begeleiden, naast de begeleiding die moeder al krijgt. Dit wordt, met name door [minderjarige], alleen maar tegengewerkt. Volgens bureau jeugdzorg moeten [minderjarige] en de moeder, gelet op de hoogoplopende conflicten die zich tussen beiden voordoen, tegen elkaar in bescherming worden genomen. In de open instelling waar [minderjarige] momenteel verblijft, werkt hij ook op geen enkele wijze mee. Bureau jeugdzorg acht een gesloten plaatsing van [minderjarige] noodzakelijk om op die manier een onderzoek te kunnen doen naar de behandelingsbehoefte van [minderjarige]. Dit onderzoek moet plaatsvinden op een wijze dat moeder en [minderjarige] gescheiden van elkaar zijn, zonder dat voor [minderjarige] de mogelijkheid bestaat zich aan de benodigde hulpverlening te onttrekken en terug naar huis te gaan naar zijn moeder.

3.4

Bij wijze van verweer heeft de moeder aangevoerd dat zij graag zou zien dat [minderjarige] de kans krijgt om te laten zien dat de hulpverlening ook vanuit thuis kan lukken. De hulp die zowel de moeder als [minderjarige] nodig hebben is nog niet opgestart. Wel wordt er van alle kanten druk op hen uitgeoefend. Om [minderjarige] te laten meewerken wordt voortdurend gedreigd met gesloten plaatsing. Dit wordt telkens als stok achter de deur gebruikt. [minderjarige] voelt zich helemaal niet thuis in de leefgroep. Hij slaapt erg slecht en ook op school gaat hij achteruit. Vanuit deze situatie kan er ook geen verbetering optreden. Het zou voor [minderjarige] veel beter zijn wanneer de hulpverlening vanuit thuis kan worden opgestart.

3.5

[minderjarige] heeft zich ter zitting laten bijstaan door drs. Heller, GGZ-psycholoog en voormalig behandelaar van [minderjarige]. Drs. Heller heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld gesloten plaatsing voor [minderjarige] disproportioneel te achten. Voorts heeft hij bedenkingen bij de wijze waarop het onderzoek ter beantwoording van de vraag of gesloten plaatsing noodzakelijk is heeft plaatsgevonden. Volgens drs. Heller was dit onderzoek van korte duur en is [minderjarige] daarbij bovendien onder druk gezet. Volgens Heller is de dreiging met geloten jeugdzorg gedaan uit boosheid en frustratie, omdat [minderjarige] weigert mee te werken aan de hulpverlening.

4.Beoordeling

4.1

De voorwaarden waaronder een machtiging kan worden verleend tot plaatsing van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zijn geregeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen: Wjz). In het derde lid is bepaald dat de machtiging slechts kan worden verleend indien de jeugdige naar het oordeel van de kinderrechter ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft, die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

In het vierde lid is bepaald dat de machtiging voorts slechts kan worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid Wjz (verder te noemen: indicatiebesluit) heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid, voordoet.

In het vijfde lid is bepaald dat de verklaring, bedoeld in het vierde lid, de instemming behoeft van een – kort gezegd – door de betrokken ministers erkende gedragswetenschapper.

4.2

Uit de stukken blijkt dat het verzoek van bureau jeugdzorg strekt tot effectuering van het bij brief van 17 april 2009 aan [minderjarige] bekendgemaakte indicatiebesluit, dat strekt tot 24-uurs verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. In zoverre is aan het bepaalde in artikel 29b lid 4 Wjz bepaalde voldaan.

4.3

Bureau jeugdzorg heeft de in artikel 29b lid 4 Wjz bedoelde verklaring niet bij wege van afzonderlijk document ingediend, maar heeft gesteld dat deze verklaring in het verzoekschrift is opgenomen. De kinderrechter is van oordeel dat tegen het opnemen van bedoelde verklaring in het verzoekschrift geen bezwaren bestaan, mits de verklaring voldoet aan de daaraan in artikel 29b lid 4 gestelde eisen. Deze houden in dat bureau jeugdzorg slechts ontvankelijk is in het verzoek als het uitdrukkelijk heeft verklaard dat de jeugdige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Deze verklaring dient als grondslag voor het vervolgens door de gedragdeskundige te verrichten onderzoek, ter beantwoording van de vraag of hij of zij met de verklaring van bureau jeugdzorg kan instemmen.

4.4

De kinderrechter stelt voorop dat, anders dan bureau jeugdzorg in de aanvulling op het beroepschrift lijkt te suggereren, de in punt 3.2 geciteerde aanleiding van het verzoek in elk geval niet is aan te merken als de door artikel 29b lid 4 geëiste verklaring. Anders dan bureau jeugdzorg suggereert, is deze verklaring evenmin opgenomen in het indicatiebesluit. De verklaring is hooguit te destilleren uit de eveneens onder punt 3.2 geciteerde conclusie. Daarbij tekent de kinderrechter echter wel aan dat uit de conclusie onvoldoende naar voren komt dat er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen – door bureau jeugdzorg samengevat als “ernstige gedragsproblemen” – die (bovendien) van dien aard zijn dat zij de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Voorts komt onvoldoende naar voren dat de ernst van deze problemen meebrengt dat voorkomen moet worden dat [minderjarige] zich aan de benodigde zorg zal ontrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, al komt uit de stukken en het verhandelde ter zitting wel duidelijk naar voren dat bureau jeugdzorg dit laatste heeft beoogd te betogen.

De kinderrechter acht de hiervoor geschetste werkwijze met betrekking tot de verklaring als bedoeld in artikel 29b lid 4 slordig en daarmee in strijd met de rechtszekerheid die deze bepaling aan de jeugdige mede beoogt te bieden. De kinderrechter ziet evenwel geen reden om bureau jeugdzorg om deze reden niet ontvankelijk in het verzoek te verklaren, omdat uit het bij het verzoekschrift gevoegde rapport van de gedragswetenschapper genoegzaam blijkt dat deze heeft beoogd een antwoord te geven of aan voornoemd wettelijk criterium is voldaan.

4.5

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wjz blijkt dat de combinatie van het indicatiebesluit en het advies van de gedragswetenschapper de kinderrechter het deskundigenoordeel moeten verschaffen op grond waarvan hij kan toetsen of sprake is van een situatie waarin gesloten jeugdzorg mogelijk en nodig is (TK 2006-2007, 30 644, p. 3 en EK 2007-2008, 30644 D, p. 5). Het indicatiebesluit dient zo te zijn ingericht dat het voor de jeugdige, andere belanghebbenden en de rechter inzichtelijk maakt waarom gesloten jeugdzorg volgens bureau jeugdzorg is aangewezen (vgl. TK 2001-2002, 28 168, nr. 3,

p. 55).

4.6

De kinderrechter is van oordeel dat het indicatiebesluit voldoet aan de wettelijke eisen. Met betrekking tot de door bureau jeugdzorg overgelegde verklaring van de gedragswetenschapper overweegt de kinderrechter dat deze er in de kern op neerkomt dat er bij [minderjarige] sprake is van onvoldoende probleembesef. In de verklaring wordt vrijwel uitsluitend aandacht besteed aan de vraag of [minderjarige] zich in de problematiek kan herkennen, waarbij de – als sociaal wenselijk betitelde – reacties die hij op de vragen van de gedragswetenschapper vertoont in zijn nadeel lijken te worden uitgelegd. Ten slotte refereert de gedragsdeskundige aan een kort telefonisch overleg met voornoemde drs. Heller, die zich op het standpunt stelt dat een gesloten plaatsing in de huidige levensfase van [minderjarige] een zeer ingrijpende maatregel zal zijn die mogelijk de problematiek zal verergeren.

Mede gelet op de verklaring van drs. Heller heeft de kinderrechter aanleiding gezien de gedragsdeskundige om een nadere reactie te vragen. Bij faxbericht van 13 mei 2009 heeft bureau jeugdzorg een nadere reactie van de gedragswetenschapper ingediend. In aanvulling op zijn eerdere verklaring heeft de gedragwetenschapper aangegeven dat er zijns inziens antwoord moet komen op de volgende vragen:

- “In hoeverre weet [minderjarige] om te gaan met grenzen die op diverse gebieden aan hem gesteld worden (daarbij valt te denken aan grenzen op sociaal gebied, regels en dergelijke);

- In hoeverre kan [minderjarige] accepteren dát er grenzen gesteld worden;

- Is het gedrag van [minderjarige] reactief op de thuissituatie;

- Welke copingsstrategieën kan [minderjarige] hanteren en in hoeverre bepalen deze zijn gedrag in verschillende situaties;

- In een open situatie (open setting), waarin moeder haar invloed kan blijven uitoefenen, kunnen deze vragen wellicht niet beantwoord worden. Mede ook omdat [minderjarige] zichzelf kan onttrekken aan deze begeleiding.”

In het licht van de stellige mening van drs. Heller dat gesloten plaatsing niet in het belang is van [minderjarige] en hem zelfs kan schaden, is de kinderrechter van oordeel dat ook met deze nadere reactie van de gedragswetenschapper, die in wezen alleen vragen oproept, onvoldoende inzichtelijk is geworden waarom gesloten jeugdzorg voor [minderjarige] noodzakelijk is. Daar komt bij dat drs. Heller ter zitting van 15 mei 2009 de bereidheid heeft uitgesproken de begeleiding van [minderjarige] weer op te pakken.

De kinderrechter zal het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg dan ook afwijzen.

5.Beslissing:

Wijst het verzoek machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 19 juni 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.S. Frings, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.