Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI9154

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
140645
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verklaring als bedoeld in artikel 29b lid 4 Wjz niet op verhulde wijze mag worden gedaan

Artikel 29b lid 2 onder a Wjz brengt mee dat een op grond van het huidige verzoek te geven machtiging niet langer geldig kan zijn dan de lopende ondertoezichtstelling. Dit zou slechts anders zijn als toepassing zou kunnen worden gegeven aan artikel 29b lid 2 onder c Wjz.

Aangezien in casu enerzijds blijkt dat geen zekerheid bestaat omtrent de beschikbaarheid en invulling van de door bureau jeugdzorg noodzakelijk geachte zorg en, anderzijds, de kinderrechter niet uitsluit dat de minderjarige zich alsnog – opnieuw - zal openstellen voor hulp in het vrijwillig kader om zo snel mogelijk tot de arbeidsmarkt toe te kunnen treden, is de kinderrechter van oordeel dat vooralsnog onvoldoende is gebleken van redenen om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 11 juni 2009

Zaaknummer: 140645 / OT RK 09-848

BESCHIKKING OP VERZOEK MACHTIGING UITHUISPLAATSING

IN EEN ACCOMMODATIE VOOR GESLOTEN JEUGDZORG

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats minderjarige] op [geboortedatum minderjarige],

verder te noemen [minderjarige],

advocaat mr. A.J. Crombag

kind van:

[moeder minderjarige], wonende te [adres moeder minderjarige]

en

[vader minderjarige] (overleden)

1.Verloop van de procedure

Op 25 mei 2009 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 juni 2009.

2.Vaststaande feiten

De moeder oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] verblijft bij zijn moeder.

De ondertoezichtstelling loopt vanaf 28 september 1999.

Bij beschikking van 21 augustus 2008 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 september 2008 laatstelijk verlengd tot 28 september 2009.

3.Verzoek, grondslag en verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de termijn genoemd in het indicatiebesluit, zijnde tot 18 mei 2010.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft bureau jeugdzorg verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering en rapportage.

3.3

[minderjarige] heeft, bijgestaan door zijn advocaat, verweer gevoerd tegen het verzoek.

[minderjarige] heeft gesteld dat hij weliswaar erkent dat hij hulp nodig heeft, maar dat deze hulp ook in de thuissituatie kan plaatsvinden, en wel door middel van coaching of kamertraining. De eerdere uithuisplaatsingen van [minderjarige] leverden maar gedurende een korte periode resultaat op.

[minderjarige] geeft toe dat hij bedreigende uitspraken heeft gedaan, maar dat hij in het geheel niet de intentie heeft deze ten uitvoer te leggen.

3.4

De moeder heeft aangegeven dat het stukken beter met [minderjarige] gaat en dat het met de juiste hulp wellicht nog beter zal gaan.

4.Beoordeling

4.1

De kinderrechter stelt voorop dat op bladzijde 2 van het verzoekschrift wordt verwezen naar een verklaring, die gelezen zou moeten worden als een verklaring zoals vereist in artikel 29b lid 4 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen: Wjz). Aangezien genoemde verklaring niet in het verzoekschrift leek te zijn opgenomen, heeft de griffier bureau jeugdzorg verzocht deze alsnog te overleggen. Daarop heeft bureau jeugdzorg bij faxbericht van 3 juni 2009 het verzoekschrift nogmaals, ongewijzigd, overgelegd.

De kinderechter benadrukt dat een machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg slechts kan worden gegeven indien, onder meer, is voldaan aan het door voornoemd wetsartikel gestelde vereiste dat bureau jeugdzorg verklaart dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b lid 3 Wjz. Bureau jeugdzorg dient dus uitdrukkelijk te verklaren dat de desbetreffende jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Deze formele wettelijke eis dient te worden beschouwd in het licht van de eisen die in artikel 5 lid 1 onder d van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) aan de vrijheidsbeneming van minderjarigen worden gesteld. Gelet op artikel 29b lid 5 Wjz is genoemde verklaring voorts het rechtstreekse aanknopingspunt voor de door de gedragsdeskundige te geven instemmingsverklaring. Dit alles brengt mee dat de verklaring als bedoeld in artikel 29b lid 4 Wjz niet op verhulde wijze mag worden gedaan.

Aangezien de in de conclusie van het verzoekschrift gebezigde bewoordingen erop duiden dat volgens bureau jeugdzorg in het geval van [minderjarige] is voldaan aan de in artikel 29b lid 3 Wjz genoemde voorwaarden voor opneming en verblijf in gesloten jeugdzorg, ziet de kinderrechter in voornoemde – voor de belanghebbenden op zijn minst verwarrende – verwijzing geen reden om bureau jeugdzorg niet ontvankelijk te verklaren in het verzoek.

4.2

Anders dan bureau jeugdzorg in het verzoekschrift en ter zitting heeft betoogd kan de kinderrechter geen machtiging verlenen voor de duur van het indicatiebesluit. Bureau jeugdzorg heeft het verzoek ingediend in het kader van de bij beschikking van 21 augustus 2008 verlengde termijn voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Deze termijn loopt tot en met 27 september 2007. Artikel 29b lid 2 onder a Wjz brengt mee dat een op grond van het huidige verzoek te geven machtiging niet langer geldig kan zijn dan de lopende ondertoezichtstelling. Dit zou slechts anders zijn als toepassing zou kunnen worden gegeven aan artikel 29b lid 2 onder c Wjz. Hiervan zou sprake zijn als de moeder, als gezaghebbende ouder, zou hebben ingestemd met de gesloten plaatsing. Van een dergelijke instemming is in dit geval echter geen sprake.

De kinderrechter overweegt voorts als volgt.

4.3

[minderjarige] is een 16-jarige jongen die is opgegroeid in een gezin met een turbulente voorgeschiedenis. [minderjarige] is sinds 1999 onder toezicht gesteld vanwege sociale en emotionele verwaarlozing en een gebrek aan inzet van de moeder om verandering in de problematiek (onder andere huurschuld en huisuitzetting) aan te brengen. De moeder, die cognitief beperkt is en ernstige gezondheidsklachten heeft, kon de opvoeding van [minderjarige] niet goed aan. Bij [minderjarige] is sprake van een ADHD-problematiek. Tussen de moeder en [minderjarige] bestaat wel een hechte affectieve band. De vader heeft het gezin medio 1998 definitief verlaten. Hij heeft zich in 2002 gesuïcideerd. [minderjarige] is tweemaal eerder uit huis geplaatst. In 2006 volgde terugplaatsing met opvoedingsondersteuning in de thuissituatie. Zoals blijkt uit de stukken is dit aanvankelijk goed gegaan. [minderjarige] gedroeg zich goed, zowel thuis als op school. Hij nam zijn medicatie in en hield zich over het algemeen goed aan de afspraken die met hem gemaakt werden.

In januari 2008 is [minderjarige] met de politie in aanraking gekomen wegens een aantal inbraken in auto’s. In november 2008 is hij veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Omdat [minderjarige] de aan de straf gestelde voorwaarden niet is nagekomen, loopt hij het risico van een forse vervangende hechtenis. Voorts is er sprake van toenemend schoolverzuim. Bureau jeugdzorg vermeldt verder dat er thuis sprake is van toenemende agressie en bedreigingen met fysiek geweld.

Ter zitting heeft bureau jeugdzorg niet goed kunnen aangeven wat de doelstelling is van de gesloten plaatsing van [minderjarige]. Naar de kinderrechter heeft begrepen acht bureau jeugdzorg het noodzakelijk vanuit een gesloten plaatsing te onderzoeken bij welke hulp in het vrijwillige kader [minderjarige] het meest is gebaat, kamertraining of thuiszorg. Voorts acht bureau jeugdzorg behandeling voor agressie gericht op zelfstandigheid noodzakelijk. Enige zekerheid met ingang waarvan de gesloten plaatsing een aanvang zou kunnen nemen heeft bureau jeugdzorg niet kunnen geven. Ditzelfde geldt met betrekking de beschikbaarheid van de beoogde behandeling. Daar komt bij dat, zoals hiervoor al is overwogen, bureau jeugdzorg zich niet heeft gerealiseerd dat de eventueel te verlenen machtiging slechts een korte geldingsduur kan hebben.

[minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat hij de door hem geuite bedreigingen (mensen kapotschieten) heeft gedaan uit frustratie en dat hij nooit serieus heeft overwogen deze ten uitvoer te leggen. Van enig geweld naar derden is de kinderrechter ook niet gebleken. [minderjarige] heeft voorts verklaard in te zien hoe belangrijk het is om zijn schoolopleiding te voltooien, zodat hij kan gaan werken, wat hij ook heel graag wil. [minderjarige] erkent dat hij hulp nodig heeft.

Aangezien uit het voorgaande enerzijds blijkt dat geen zekerheid bestaat omtrent de beschikbaarheid en invulling van de door bureau jeugdzorg noodzakelijk geachte zorg en, anderzijds, de kinderrechter niet uitsluit dat [minderjarige] zich alsnog – opnieuw - zal openstellen voor hulp in het vrijwillig kader om zo snel mogelijk tot de arbeidsmarkt toe te kunnen treden, is de kinderrechter van oordeel dat vooralsnog onvoldoende is gebleken van redenen om [minderjarige] in gesloten jeugdzorg te plaatsen. De kinderrechter zal het verzoek dan ook afwijzen.

5. Beslissing:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 11 juni 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.BE

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.