Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI8649

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1366
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Hoofdverblijf. Gezamenlijke huishouding.

Schending inlichtingenplicht. Geen dringende redenen af te zien van intrekking of terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1366

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres] en [eiser],

wonend te Sittard, eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 3 juli 2008

Kenmerk: 66100203/20143571 / 121948

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 26 maart 2009 plaatsgehad.

Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde H.E. Menger, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door Y.J.P. Pozun, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

2. Overwegingen

Bij besluit van 21 september 2004 is aan [eiseres] (hierna: eiseres) met ingang van 15 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) naar de norm van een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 5% van het wettelijk minimumloon toegekend. Toekenning vond plaats op basis van de door eiseres verstrekte gegevens dat zij als kostganger inwoonde bij kennissen aan de [adres B] te Geleen.

Op basis van de melding van eiseres aan de gemeente Sittard-Geleen dat zij met ingang van 4 november 2004 als alleenstaande een woning aan de [adres] te Sittard huurde, is haar uitkering bij besluit van 10 januari 2005 met ingang van 4 november 2004 gewijzigd voortgezet naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 20 % van de gehuwdennorm.

Naar aanleiding van een aantal telefonische meldingen bij het Centraal Meldpunt Fraude van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen in de periode van

8 maart 2005 tot en met 18 mei 2006, inhoudende dat eiseres zou samenwonen met [eiser] (hierna: eiser), is door de unit sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek gesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, zijn onder meer buurtbewoners gehoord en zijn ten slotte eisers gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een fraudedossier, gedateerd 21 januari 2008.

Verweerder heeft naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat eiseres de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB over de periode van

15 juni 2004 tot en met 2 juli 2006 niet of niet behoorlijk is nagekomen, omdat zij onjuiste c.q. onvolledige gegevens heeft verstrekt ten aanzien van haar woon-, leef- en/of inkomstensituatie vanaf 15 juni 2004 tot en met 2 juli 2006.

Gelet hierop heeft verweerder bij besluit van 21 januari 2008 het toekenningsbesluit van 21 september 2004 met ingang van 15 juni 2004 ingetrokken en de ten onrechte genoten uitkering van 15 juni 2004 tot en met 31 mei 2006 tot een bedrag van bruto € 22.849,73 (= netto € 18.210,39) teruggevorderd met toepassing van het bepaalde in artikel 58, eerste lid, in verbinding met artikel 4, aanhef en onder a, van de Beleidsregels terugvordering en verhaal WWB (hierna: Beleidsregels).

Met toepassing van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, WWB, in verbinding met artikel 3 en 5 onder b van de Beleidsregels heeft verweerder het bedrag van de vordering over de periode van 2 november 2004 tot en met 31 mei 2006 van bruto € 19.394,75

(= netto € 15.316,11) mede teruggevorderd van eiser. Eisers zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van dit deel van de vordering. Verweerder ziet geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Eisers hebben op 7 februari 2008 bezwaar tegen dit besluit aangetekend.

Bij de beslissing op bezwaar van 3 juli 2008 heeft verweerder het besluit van 21 september 2004 herroepen in die zin dat de intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand en terugvordering van bijstand over de periode van 2 november 2004 tot 1 januari 2005 achterwege dient te blijven nu eiseres wel melding heeft gedaan van haar (tijdelijk) verblijf bij haar zus.

De intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand over de periode van 15 juni 2004 tot 2 november 2004 en van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 blijft gehandhaafd.

De terugvordering over de periode van 15 juni 2004 tot en met 1 november 2004 en van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 is vastgesteld op € 21.091,41 bruto en de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 ten bedrage van € 17.848, 63 bruto worden mede van eiser teruggevorderd.

Bij brief van 13 augustus 2008 hebben eisers beroep tegen dit besluit ingesteld. Daarbij hebben zij het volgende aangevoerd. Eiseres heeft in de periode van 15 juni 2004 tot 2 november 2004 wel degelijk de bedoeling gehad om in de door haar gehuurde kamer verblijf te houden. Door voor eiseres niet voorzienbare omstandigheden bleek een duurzaam verblijf in de desbetreffende woning zeer moeilijk zo niet onmogelijk te zijn. Een feitelijke bewoning in meer permanente zin werd steeds moeilijker waardoor zij regelmatig elders verblijf heeft gehouden. Eiseres is van mening dat ook al zou zij van die aangepaste woonomgeving melding hebben gemaakt dan nog zouden haar woon- en leefomstandigheden zodanig zijn geweest dat zij een beroep moest doen op de WWB. Eiseres had immers geen bron van inkomsten en de plaats van overnachting doet volgens eiseres aan de mate van behoeftigheid niets af.

Ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 zijn eisers van mening dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat zij vanaf 1 januari 2005 tot en met

21 mei 2006 een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd aan het adres [adres] te Sittard nu niet vast staat dat eiser zijn hoofdverblijfplaats in dezelfde woning als eiseres heeft gehad en evenmin vast staat dat er financiële zorg aanwezig is geweest tussen partijen. Indien verweerder dit zorgvuldig had onderzocht, had kunnen worden vastgesteld dat eisers niet gezamenlijk de vaste lasten betaalden (boodschappen, auto en vakantie), zij niet samen een auto gebruikten (buiten incidenteel vervoer), dat zij elkaar niet in een testament tot erfgenaam hebben benoemd, er geen huishoudelijk werk voor elkaar is verricht, dat er buiten een enkele keer per week niet samen is gekookt of gegeten en dat er geen gezamenlijke vakanties zijn genoten. De bewijsvoering is enkel gebaseerd op zeer eenzijdig geïnterpreteerde verklaringen van getuigen, welke nooit tot het bewijs van samenwonen kunnen leiden, terwijl eiser bereid en in staat is om te bewijzen dat zijn werkelijke hoofdverblijfplaats elders was, namelijk bij een goede kennis in Budel. Eiser kan voorts zonder problemen aantonen dat hij geld heeft geleend aan eiseres. Dat eisers auto bij eiseres voor de deur stond mag geen grond opleveren voor de conclusie dat eisers samenwoonden. Voor een hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser bestaat geen aanleiding nu eisers in de in geding zijnde periode niet hebben samengewoond en ook niet is aangetoond dat eiser in het kader van samenwonen voordeel van enige aan eiseres verstrekte uitkering heeft gehad. Eiser had immers zijn eigen huishouding en voorzag in zijn eigen onderhoud door middel van autohandel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de periode 15 juni 2004 tot 2 november 2004

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in deze periode niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het door haar opgegeven adres [adres B] te Geleen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eiseres in genoemde periode niet daadwerkelijk op genoemd adres heeft gewoond of verbleven. Doorslaggevend hiervoor acht de rechtbank de verklaring van eiseres zelf waarin zij aangeeft dat zij in de gehele periode tweemaal op genoemd adres heeft geslapen, er niet at en zich daar ook niet verzorgde. Eiseres heeft voorts verklaard dat ze in die periode bij haar zus sliep en daar is gebleven totdat zij de woning aan de [adres] te Sittard kreeg toegewezen. Mede gelet op de verklaringen van [getuige] en [getuige A] is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in deze periode niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het door haar opgegeven adres. Eiseres heeft derhalve haar inlichtingenverplichting geschonden.

Verweerder heeft terecht overwogen dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet kon worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 15 juni 2004 in te trekken en de ten onrechte verleende bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van intrekking en terugvordering had behoren af te zien.

Ten aanzien van de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006

De rechtbank dient hier de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers in genoemde periode een gezamenlijke huishouding aan het adres [adres] te Sittard voerden.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van genoemd artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan is dat de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser ten tijde hier van belang onder meer bij een vriend in Budel ([adres A]) verbleef. Aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van verweerder dat is voldaan aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, te weten het per 1 januari 2005 hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Daarbij wordt door de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de door eisers zelf ter zake afgelegde verklaringen en de verklaringen van [getuige B] en [getuige C].

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende kosten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in een geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de verklaringen van eisers van 13 juli 2006 in voldoende mate naar voren dat er ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg, onder meer hierin gelegen dat eiseres de vaste lasten van de woning betaalde, kookte, waste en streek voor eiser en eiser onder meer naast de boodschappen alle rekeningen van verzekeringen voor de woning (zoals de inboedelverzekering) betaalde.

Naar aanleiding van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers sedert 1 januari 2005 een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Dit brengt mee dat verweerder gehouden was het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en sub a, van de WWB in te trekken en de ten onrechte verleende bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen dringende redenen die verweerder aanleiding hadden behoren te geven geheel of gedeeltelijk van intrekking dan wel terugvordering af te zien.

Tot slot ligt de vraag voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten van bijstand betreffende de in geding zijnde periode mede van eiser kunnen worden teruggevorderd.

Uit de gedingstukken blijkt dat eiser als (kleine) zelfstandige in de autobranche werkzaam is.

De rechtbank is van oordeel dat nu eiser de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan eiseres rekening had moeten worden gehouden en verder vaststaat dat verlening van gezinsbijstand -niettemin- achterwege is gebleven omdat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat verweerder bevoegd was de kosten van de over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 mei 2006 aan eiseres verleende bijstand mede van eiser terug te vorderen.

Hetgeen in beroep is aangevoerd, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt dan ook als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M.Bruijnzeels, voorzitter en M. Hillen en T.E.A. Willemsen, leden

in tegenwoordigheid van I.M.T. Wijnands als griffier en in het openbaar uitgesproken op

17 juni 2009.

w.g. I.M.T. Wijnands w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 17 juni 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.