Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI7421

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 239
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontving in het jaar 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars (hierna: Wwik).

Bij brieven van 11 juli 2007, 30 juli 2007 en 15 augustus 2007 heeft verweerder eiser verzocht om diverse gegevens te overleggen in verband met de definitieve vaststelling van zijn Wwik-uitkering over het kalenderjaar 2006. Het betrof met name het invullen van een zogeheten hercontroleformulier, het overleggen van de administratie/boekhouding 2006 en de aangifte inkomstenbelasting 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 239

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Sittard, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 7 januari 2008

Kenmerk: 100016246

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 26 maart 2009 plaatsgehad.

Eiser en zijn gemachtigde E.G.W. Hendriks, advocaat te Heerlen, zijn niet verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door L. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

2. Overwegingen

Eiser ontving in het jaar 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars (hierna: Wwik).

Bij brieven van 11 juli 2007, 30 juli 2007 en 15 augustus 2007 heeft verweerder eiser verzocht om diverse gegevens te overleggen in verband met de definitieve vaststelling van zijn Wwik-uitkering over het kalenderjaar 2006. Het betrof met name het invullen van een zogeheten hercontroleformulier, het overleggen van de administratie/boekhouding 2006 en de aangifte inkomstenbelasting 2006.

Bij besluit van 24 september 2007 (verzonden op 26 september 2007) heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij op grond van zijn nalaten diverse malen zijn informatieplicht heeft geschonden, c.q. niet heeft voldaan aan de voorwaarden ex artikel 20, derde lid, van de Wwik c.q. de voorwaarden en of de verplichtingen genoemd in de toekenningsbeschikking. Eiser is ruim voldoende gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen, maar heeft desondanks nagelaten dit binnen de gestelde termijnen te doen.

Hierdoor kan verweerder eisers definitief recht op c.q. de noodzaak tot uitkeringsverstrekking over de periode van 9 mei 2006 tot en met 31 december 2006 niet beoordelen en wordt de reeds aan eiser voorlopig verstrekte uitkering tot een totaalbedrag van € 5.169,39 bruto volledig van eiser teruggevorderd.

Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 30 november 2007 heeft eiser verweerder alsnog zijn administratie/boekhouding over het jaar 2006 (facturen) alsmede de belastingaangifte over het jaar 2006 doen toekomen.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn bezwaarschrift ter hoorzitting van

12 december 2007 nader toe te lichten. Hiervan is een verslag gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan eiser zijn bij besluit van 7 augustus 2006 de verplichtingen opgelegd als bedoeld in artikel 20 van de Wwik. Gelet hierop diende eiser uit eigen beweging zijn administratie over het jaar 2006 voor 1 juli 2007 over te leggen. Vervolgens is eiser bij brieven van 11 juli 2007 en 15 augustus 2007 verzocht deze gegevens over te leggen. Eiser heeft hieraan geen gehoor gegeven. Hierdoor heeft eiser zijn medewerkingsverplichting geschonden en is als gevolg hiervan de uitkering met toepassing van artikel 30 van de Wwik teruggevorderd.

Dat eiser veelvuldig in het buitenland heeft verbleven en hierdoor niet altijd in de gelegenheid is geweest de post te verzorgen komt voor rekening en verantwoording van eiser en kan niet op de Wwik worden afgewenteld. Bovendien moest het aan eiser genoegzaam bekend zijn dat eiser, ongeacht of hij al dan niet de brieven van 11 juli 2007 en 15 augustus 2007 had ontvangen, voor 1 juli 2007 zijn inkomen over het jaar 2006 kenbaar moest maken.

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Hiertoe is in beroep aangevoerd dat eiser veelvuldig in het buitenland heeft verbleven en dientengevolge niet altijd in de gelegenheid is geweest om de post te verzorgen. Daarnaast woont eiser in een studentenhuis en is zijn post in de periode dat hij in het buitenland verbleef op de stapel in de papierbak terechtgekomen. Eiser is door verweerder, gelet op voornoemde problematiek, onvoldoende in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens aan te vullen. Slechts de laatste brief van verweerder is per aangetekende post verzonden. Voorts zijn tijdens de bezwaarprocedure, bij brief van 30 november 2007, de rekeningen en de belastingaangifte over het jaar 2006, overgelegd. Eiser is van mening dat verweerder de overgelegde administratie alsnog had moeten betrekken bij de beoordeling van het bezwaarschrift. Verweerder heeft dientengevolge onzorgvuldig gehandeld.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wwik wordt de hoogte van de uitkering bedoeld in artikel 15 definitief vastgesteld, zodra het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin over het kalenderjaar waarin uitkering verleend is, bekend is.

Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Wwik legt de kunstenaar de administratie, bedoeld in het tweede lid van artikel 20, onderdeel a, uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar over aan het college:

uit eigen beweging over ieder kalenderjaar waarover uitkering is verleend als bedoeld in artikel 16, of op verzoek van het college.

Ingevolge artikel 30 van de Wwik vordert het college de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terug, voor zover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 20, derde of vierde lid, laatste volzin.

Artikel 32 van de Wwik, voor zover hier van belang, luidt:

In afwijking van de artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en 30 kan het college besluiten :

geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Onbetwist is dat aan eiser bij besluit van 7 augustus 2006 de verplichtingen zijn opgelegd als bedoeld in artikel 20 van de Wwik.

Vast staat dat, naast de aan hem opgelegde wettelijke verplichting, eiser door verweerder nog enkele malen is verzocht de gevraagde gegevens over te leggen.

De rechtbank stelt echter tevens vast dat eiser tijdens de bezwaarfase bij brief van

30 november 2007 alsnog gegevens, te weten facturen betrekking hebbende op het jaar 2006, alsmede de belastingaangifte over het jaar 2006 heeft overgelegd.

Naar vaste rechtspraak vloeit uit de in artikel 7:11 van de Awb neergelegde verplichting tot volledige heroverweging van het primaire besluit voort dat op een bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van alle ten tijde van die beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden. Heroverweging dient te geschieden op grond van alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken die op dat moment in het bezit zijn van het bestuursorgaan (zie bijvoorbeeld LJN:AV0137). Als op grond van nadere in bezwaar ingediende stukken het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld kan die primaire grond in bezwaar niet worden gehandhaafd. De rechtbank laat in het midden of op basis van de door eiser alsnog aangeleverde gegevens het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Vastgesteld moet worden dat verweerder die gegevens ten onrechte niet in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.

Het voorgaande brengt met zich mee dat het besluit van 7 januari 2008 niet berust op een deugdelijk motivering. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het besluit gegrond verklaren en het besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake één punt met een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 1 x € 322,-- x 1 = € 322,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3.bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

4.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Maastricht aan eiser.

Aldus gedaan door T.E.A. Willemsen, voorzitter en P.J.M.Bruijnzeels en M. Hillen, leden in tegenwoordigheid van I.M.T. Wijnands als griffier en in het openbaar uitgesproken op

10 juni 2009

w.g. Wijnands w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 10 juni 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.