Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI6976

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
03-993058-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ6887, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis Vonnis - Rechtbank oordeelt OM niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig wissen van afgeluisterde telefoongesprekken tussen verdachten en hun raadslieden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126aa
Wetboek van Strafvordering 218
Wetboek van Strafvordering 283
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2009, 262
NBSTRAF 2009/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/993058-05

Datum uitspraak: 9 juni 2009

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2009 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboortegegevens verdachte],

wonende te [Adresgegevens verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met januari 2003 te Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

op naam van:

-[WS.] (PV. bedrijf 12) betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, mei, juni, augustus, oktober, december D-498, 499, 501, 502, 504, 506, 508)

in 2001 (januari tm. maart, juni, augustus, november D-510 tm. 512, 515, 517

en 520)

in 2002 (oktober D-529) en/of

-[JS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (april, december D-424,432),

in 2001 (april, oktober D-436,442),

in 2002 (juni, augustus, december D-673, 452, 456) en/of

-[PS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, april, oktober, december, D-461 tm. 463, 469, 471)

in 2001 (februari, april, november, D-169, 473, 480)

in 2002 (september, D-490) en/of

-[WS.] (PV. bedrijf 1) betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, september D-033,034, 390),

in 2002 (juni, augustus, september 672, 413, 414) en/of

-[JV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, mei,juni en november D-536,540,541,546),

in 2001 (mei, augustus, september, oktober en december D-550, 553,554,555,

557),

in 2002 (mei en december D-562, 569) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (mei, juli, augustus, september, oktober D-577, 579 tm. 582)

in 2001 (januari, februari, april tm.augustus, oktober tm. december D-205, 586

tm. 589, 591 tm. 593)

in 2002 (januari tm.juli, augustus, oktober, november, december, D-039 tm.042,

677, 043, 044, 046 tm. 048) en/of

-[TV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, april, mei, juli, augustus, september, november en december

D-599,601, 602, 604 tm. 606, 608, 609),

in 2001 (januari, februari, november D-610, 611, 620),

in 2002 (april, mei, augustus, september D-625, 626, 629, 630) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari,april tm.juni, augustus, oktober tm. december,

D-1180, 1181, 1183 tm. 1185, 1187, 1189 tm. 1191)

in 2001 (januari D-1192) en/of

-[MM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, april, mei, juli, augustus, december D-1204, 1205,

1207, 1208, 1210, 1211, 1215) en/of

-[JGS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (oktober D-036)

in 2002 (januari D-657)

te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over genoemde periode, in elk geval over het/de jaar/jaren 2000, 2001 en/of 2002 onjuist en/of onvolledig hebben/heeft gedaan, immers hebben/ heeft verdachte(n) en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljet(ten)

omzetbelasting over genoemd(e) periode, in elk geval jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

(artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

Stichting S.B.B.W., althans een rechtspersoon op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met januari 2003 te Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op naam van:

-[WS.] (PV. bedrijf 12) betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, mei, juni, augustus, oktober, december D-498, 499,

501, 502, 504, 506, 508)

in 2001 (januari tm. maart, juni, augustus, november D-510 tm. 512, 515, 517

en 520)

in 2002 (oktober D-529) en/of

-[JS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (april, december D-424,432),

in 2001 (april, oktober D-436,442),

in 2002 (juni, augustus, december D-673, 452, 456) en/of

-[PS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, april, oktober, december, D-461 tm. 463, 469, 471)

in 2001 (februari, april, november, D-169, 473, 480)

in 2002 (september, D-490) en/of

-[WS.] (PV. bedrijf 1) betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, september D-033,034, 390),

in 2002 (juni, augustus, september 672, 413, 414) en/of

-[JV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, mei,juni en november D-536,540,541,546),

in 2001 (mei, augustus, september, oktober en december D-550, 553,554,555,

557),

in 2002 (mei en december D-562, 569) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (mei, juli, augustus, september, oktober D-577, 579 tm. 582)

in 2001 (januari, februari, april tm.augustus, oktober tm. december D-205, 586

tm. 589, 591 tm. 593)

in 2002 (januari tm. juli, augustus, oktober, november, december, D-039 tm.042,

677, 043, 044, 046 tm. 048) en/of

-[TV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, april, mei, juli, augustus, september, november en december

D-599,601, 602, 604 tm. 606, 608, 609),

in 2001 (januari, februari, november D-610, 611, 620),

in 2002 (april, mei, augustus, september D-625, 626, 629, 630) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari,april tm. juni, augustus, oktober tm. december,

D-1180, 1181, 1183 tm. 1185, 1187, 1189 tm. 1191)

in 2001 (januari D-1192) en/of

-[MM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, april, mei, juli, augustus, december D-1204, 1205,

1207, 1208, 1210, 1211, 1215) en/of

-[JGS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (oktober D-036)

in 2002 (januari D-657)

te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over genoemde periode, in elk geval over het/de jaar/jaren 2000, 2001 en/of 2002 onjuist en/of onvolledig hebben/heeft gedaan, immers hebben/ heeft die rechtspersoon en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) periode, in elk geval jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

zulks terwijl hij verdachte samen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of

feitelijke leiding heeft gegeven aan vorenomschreven verboden gedraging(en)

(artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen)

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat

hij op een of meer tijdstippen in omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met januari 2003 te Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een aangifte omzetbelasting op naam van:

-[WS.] (PV. bedrijf 12) betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, mei, juni, augustus, oktober, december D-498, 499,

501, 502, 504, 506, 508)

in 2001 (januari tm. maart, juni, augustus, november D-510 tm. 512, 515, 517

en 520)

in 2002 (oktober D-529) en/of

-[JS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (april, december D-424,432),

in 2001 (april, oktober D-436,442),

in 2002 (juni, augustus, december D-673, 452, 456) en/of

-[PS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, april, oktober, december, D-461 tm. 463, 469, 471)

in 2001 (februari, april, november, D-169, 473, 480)

in 2002 (september, D-490) en/of

-[WS.] (PV. bedrijf 1) betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, september D-033,034, 390),

in 2002 (juni, augustus, september 672, 413, 414) en/of

-[JV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, mei,juni en november D-536,540,541,546),

in 2001 (mei, augustus, september, oktober en december D-550, 553,554,555,

557),

in 2002 (mei en december D-562, 569) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (mei, juli, augustus, september, oktober D-577, 579 tm. 582)

in 2001 (januari, februari, april tm. augustus, oktober tm. december D-205, 586

tm. 589, 591 tm. 593)

in 2002 (januari tm.juli, augustus, oktober, november, december, D-039 tm.042,

677, 043, 044, 046 tm. 048) en/of

-[TV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, april, mei, juli, augustus, september, november en december

D-599,601, 602, 604 tm. 606, 608, 609),

in 2001 (januari, februari, november D-610, 611, 620),

in 2002 (april, mei, augustus, september D-625, 626, 629, 630) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari,april tm.juni, augustus, oktober tm. december,

D-1180, 1181, 1183 tm. 1185, 1187, 1189 tm. 1191)

in 2001 (januari D-1192) en/of

-[MM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, april, mei, juli, augustus, december D-1204, 1205,

1207, 1208, 1210, 1211, 1215) en/of

-[JGS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (oktober D-036)

in 2002 (januari D-657)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, althans doen opmaken of vervalsen, immers heeft verdachte en/of zijn mededader (telkens) valselijk op/in die aangifte(n) voor de omzetbelasting over genoemde periode, in elk geval over het/de jaar/jaren 2000, 2001 en/of 2002 (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven/vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

meest subsidiair indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat

Stichting S.B.B.W., althans een rechtspersoon op een of meer tijdstippen in omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met januari 2003 te Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een aangifte omzetbelasting op naam van:

-[WS.] (PV. bedrijf 12) betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, mei, juni, augustus, oktober, december D-498, 499,

501, 502, 504, 506, 508)

in 2001 (januari tm. maart, juni, augustus, november D-510 tm. 512, 515, 517

en 520)

in 2002 (oktober D-529) en/of

-[JS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (april, december D-424,432),

in 2001 (april, oktober D-436,442),

in 2002 (juni, augustus, december D-673, 452, 456) en/of

-[PS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, maart, april, oktober, december, D-461 tm. 463, 469, 471)

in 2001 (februari, april, november, D-169, 473, 480)

in 2002 (september, D-490) en/of

-[WS.] (PV. bedrijf 1) betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, september D-033,034, 390),

in 2002 (juni, augustus, september 672, 413, 414) en/of

-[JV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, mei,juni en november D-536,540,541,546),

in 2001 (mei, augustus, september, oktober en december D-550, 553,554,555,

557),

in 2002 (mei en december D-562, 569) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (mei, juli, augustus, september, oktober D-577, 579 tm. 582)

in 2001 (januari, februari, april tm. augustus, oktober tm. december D-205, 586

tm. 589, 591 tm. 593)

in 2002 (januari tm. juli, augustus, oktober, november, december, D-039 tm.042,

677, 043, 044, 046 tm. 048) en/of

-[TV.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (februari, april, mei, juli, augustus, september, november en december

D-599,601, 602, 604 tm. 606, 608, 609),

in 2001 (januari, februari, november D-610, 611, 620),

in 2002 (april, mei, augustus, september D-625, 626, 629, 630) en/of

-[HM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari,april tm. juni, augustus, oktober tm. december,

D-1180, 1181, 1183 tm. 1185, 1187, 1189 tm. 1191)

in 2001 (januari D-1192) en/of

-[MM.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (januari, februari, april, mei, juli, augustus, december D-1204, 1205,

1207, 1208, 1210, 1211, 1215) en/of

-[JGS.] betreffende een of meer maanden

in 2000 (oktober D-036)

in 2002 (januari D-657)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, althans doen opmaken of vervalsen, immers heeft die rechtspersoon en/of zijn mededader (telkens) valselijk op/in die aangifte(n) voor de omzetbelasting over genoemde periode, in elk geval over het/de jaar/jaren 2000, 2001 en/of 2002 (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven/vermeld, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

zulks terwijl hij verdachte samen en in vereniging met (een) ander(en) althans alleen tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan vorenomschreven verboden gedraging(en);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met december 2002 te Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een of meerdere) maandoverzicht(en) te weten een:

"Overzicht inkopen en verkopen per bedrijf" betreffende de maand oktober 2001 (D 157-7,8,9), november 2001 (D-157, 4,5, 6), december 2001 (D157,1,2,3), februari 2002 (D072), maart 2002 (D071), mei 2002 (D069), september 2002 (D381), oktober 2002 (D065) en/of november 2002 (D064)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben/heeft opgemaakt of vervalst,immers hebben/heeft verdachte(n) (telkens) valselijk (zakelijk weergegeven) op die/dat overzicht(en) een onjuist (te laag) BTW-bedrag en/of een onjuist (te laag) verkoopbedrag vermeld en/of doen vermelden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken en/of (telkens) opzettelijk gebruik hebben/heeft gemaakt van die/dat valse/vervalste geschrift(en) als ware het echt en onvervalst door die/dat geschrift(en) in te

dienen bij de belastingdienst en/of die/dat geschrift(en) (telkens) voorhanden hebben/heeft gehad, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd waren/was voor zodanig gebruik;

(artikel 225, lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

Stichting S.B.B.W., in elk geval een rechtspersoon op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met december 2002 te Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een of meerdere) maandoverzicht(en) te weten een:

"Overzicht inkopen en verkopen per bedrijf" betreffende de maand oktober 2001 (D 157-7,8,9), november 2001 (D-157, 4,5, 6), december 2001 (D157,1,2,3), februari 2002 (D072), maart 2002 (D071), mei 2002 (D069), september 2002 (D381), oktober 2002 (D065) en/of november 2002 (D064)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben/heeft opgemaakt of vervalst,immers hebben/heeft die rechtspersoon en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk (zakelijk weergegeven) op die/dat overzicht(en) een onjuist (te laag) BTW-bedrag en/of een onjuist (te laag) verkoopbedrag vermeld en/of doen vermelden, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of (telkens) opzettelijk gebruik hebben/heeft gemaakt van die/dat valse/vervalste geschrift(en) als ware het echt en onvervalst door die/dat geschrift(en) in te dienen of te laten indienen bij de belastingdienst en/of die/dat

geschrift(en) (telkens) voorhanden hebben/heeft gehad, terwijl die rechtspersoon en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd waren/was voor zodanig gebruik;

zulks terwijl hij verdachte samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan vorenomschreven verboden gedraging(en)

(artikel 225, lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht).

De niet-ontvankelijkheid van officier van justitie

1. Preliminair verweer

Bij wijze van preliminair verweer heeft de raadsvrouwe van verdachte de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit.

De raadsvrouwe geeft als kern van haar verweer aan dat in het licht van de vertrouwensrelatie die bestaat tussen verdachte en diens raadsman, welke relatie erkenning vindt in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het gedurende vier jaren in strijd met artikel 126aa Sv bewaren van opgenomen telefoongesprekken tussen verdachten en verschoningsgerechtigden een zodanige schending oplevert van de beginselen van een goede procesorde, dat de officier van justitie daarmee zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

2. Feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het preliminair verweer uit van de volgende feiten, zoals zij deze heeft vastgesteld naar aanleiding van het op 8 mei 2009 opnieuw aangevangen onderzoek ter terechtzitting.

De officier van justitie heeft voorafgaande aan het onderzoek ter zitting een proces-verbaal aan het dossier toegevoegd, houdende het verslag van een schoningsactie telefoongesprekken met geheimhouders. Uit dit proces-verbaal volgt dat naast het procesdossier, zoals dat aan de rechtbank en de procespartijen is gezonden, ten kantore van de belastingdienst tevens is bewaard een dossier bevattende de weergave van door verdachte gevoerde telefoongesprekken, de zogenaamde tapverslagen. In de periode van 16 tot en met 21 april 2009 zijn deze uitgeprinte tapverslagen doorgelezen en is de in het netwerk van de Belastingdienst bewaarde digitale versie van deze tapverslagen doorzocht met een zoekprogramma.

Tijdens het onderzoek zijn 231 sessies aangetroffen waarbij contact is geweest met mogelijke geheimhouders. Over deze 231 sessies rapporteren de verbalisanten als volgt:

- 90 sessies zijn gewist uit zowel het fysieke dossier als uit de digitale bestanden;

- 74 sessies zijn niet gewist en betreffen gevallen waarin om diverse redenen geen gesprek is opgenomen; deze sessies zijn niet gewist, omdat er geen inhoud is;

- 67 sessies zijn eveneens niet gewist en betreffen in één geval een gesprek dat ten onrechte als een gesprek met een mogelijke geheimhouder is aangemerkt.

Over de resterende 66 niet-gewiste gesprekken rapporteren de verbalisanten als volgt:

- 12 sessies zijn gevoerd met een telefoonnummer dat niet bestaat en gaan over privé-aangelegenheden, waarbij evenmin sprake is van een gesprek met een geheimhouder;

- 24 sessies betreffen contacten met een journalist;

- 4 sessies betreffen weliswaar contacten met een advocaat, maar hebben betrekking op de belangenbehartiging voor één van de ondernemers van De Vinkenslag,

- over 26 sessies wordt niet nader gerapporteerd.

In het proces-verbaal wordt verder opgemerkt dat alle 66 gesprekken kort van inhoud zijn, voornamelijk betrekking hebben op het maken van afspraken en – indien deze geen betrekking hebben op het maken van afspraken – niet betrekking hebben op inhoudelijke zaken betreffende het onderzoek. Tot slot merken de verbalisanten op dat de 66 sessies niet hebben gediend als stuur- of bewijsinformatie voor het strafrechtelijk onderzoek.

Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft de officier van justitie tevens aan het dossier toegevoegd een Bevel vernietiging. Hierin geeft de officier van justitie aan de FIOD-ECD het bevel de processen-verbaal en andere gegevensdragers en/of vastleggingen van 60 nader aangeduide gesprekken met geheimhouders ter stond te vernietigen. De officier van justitie tekent hierbij aan dat de vernietiging niet geldt ten aanzien van het papieren tapdossier en de digitale bestanden welke bij FIOD-ECD aanwezig zijn. Deze dienen tot nader order in een beveiligde omgeving bij de opsporingsdienst te worden bewaard ten behoeve van een mogelijke toetsing door de rechtbank.

Ter zitting heeft de officier van justitie bovendien overgelegd een proces-verbaal naar aanleiding van de door de rechtbank voorafgaand aan de zitting ambtshalve gestelde vragen naar de 90 gewiste sessies met geheimhouders. Als bijlagen bij dit proces-verbaal zijn overgelegd de bevelen vernietiging en processen-verbaal van vernietiging van deze gesprekken. Opgemerkt wordt verder dat géén processen-verbaal met een melding communicatie met geheimhouder zijn opgemaakt. Wel wordt opgemerkt dat de betreffende processen-verbaal met daarin gesprekken met geheimhouders in een gesloten envelop dan wel per fax aan de officier van justitie of zijn parketsecretaris zijn overhandigd.

Op basis van de bijlagen bij genoemd proces-verbaal stelt de rechtbank vast dat de betreffende 90 gesprekken zijn opgenomen in de periode van 18 mei 2005 tot en met 4 juli 2005. Ten aanzien van 89 gesprekken uit deze serie is een bevel tot vernietiging gegeven. Vervolgens zijn 89 resp. 88 gesprekken gewist uit de systemen van de betreffende verbalisanten. Deze acties hebben plaatsgevonden in de periode van 20 september 2005 tot en met 22 augustus 2006. Uit deze gegevens volgt dat de gesprekken minimaal 2,5 en maximaal 13,5 maanden zijn bewaard. Ten aanzien van twee gesprekken blijkt niet dat deze (geheel) zijn gewist.

Ter zitting heeft de officier van justitie verder bevestigd dat het eindproces-verbaal in de zaak tegen verdachte dateert van november 2005.

De officier van justitie heeft tot slot erkend dat ten aanzien van de opgenomen gesprekken met geheimhouders niet juist is gehandeld en dat er sprake is van een vormverzuim. Over het namens de verdachte gevoerde preliminair verweer en de ambtshalve vraagstelling van de rechtbank heeft de officier van justitie echter het standpunt ingenomen dat aan dit vormverzuim niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid moet worden verbonden.

3. Wettelijk kader

3.1. Toetsingskader

Artikel 283, eerste lid, Sv verleent aan de verdachte de bevoegdheid reeds dadelijk nadat de voorzitter naar zijn personalia heeft gevraagd een verweer voor te dragen en toe te lichten strekkende tot (onder andere) de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Deze bevoegdheid komt aan de verdachte toe in de gevallen waarin van deze niet-ontvankelijkheid kan blijken zonder onderzoek van de zaak zelf.

Uit de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad sedert zijn arrest van 19 december 1995, LJN-nummer ZD0328, volgt dat voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie slechts plaats is bij een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte wordt tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

Bij de beoordeling van het preliminair verweer dient de rechtbank tevens acht te slaan op artikel 359a Sv. Op grond van het eerste lid van dit artikel kan de rechtbank, indien blijkt dat ten tijde van het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen op de schending. Uit het bepaalde in artikel 359a, eerste lid, onder c, Sv volgt, dat de rechtbank tot niet-ontvankelijkheid kan concluderen, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Bij zijn beoordeling dient de rechtbank ingevolge het tweede lid rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Uit de Memorie van Toelichting op artikel 359a Sv volgt, dat onder vormverzuimen moet worden verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften (TK 1993/94, 23075, nr. 3. blz. 25-26). De Hoge Raad verstaat onder vormverzuimen onder andere normschendingen bij de opsporing (HR 30 maart 2004, LJN-nummer AM2533). Uit dit arrest volgt tevens dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie alleen plaats is ingeval het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

3.2. Materiële normen

Op grond van artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, Sv worden processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd voor zover deze mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd. Op grond van de tweede volzin van dit artikellid worden bij algemene maatregel van bestuur hieromtrent voorschriften gegeven. Artikel 218 bepaalt dat van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen zich kunnen verschonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat mededelingen aan een geheimhouder, zoals hier bedoeld, in beginsel niet aan het procesdossier worden toegevoegd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden vernietigd. In dit verband is tijdens de behandeling van deze wetsbepaling in de Tweede Kamer uitdrukkelijk aan de orde geweest dat het verschoningsrecht illusoir zou worden als geen spoedige vernietiging zou plaatsvinden en deze stukken gedurende een onbestemde periode bewaard zouden worden.

De regeling die de vernietiging van de gesprekken met geheimhouders nader uitwerkt, het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, bepaalt in artikel 4, eerste lid, dan ook dat de opsporingsambtenaar die kennisneemt van mededelingen door of aan een geheimhouder de officier van justitie hiervan zo spoedig mogelijk in kennis stelt. Ingevolge het tweede lid beveelt de officier van justitie terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij deze mededelingen bevatten.

4. Rechtsvraag

Gelet op de hiervoor besproken wetgeving ziet de rechtbank zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of de schending van artikel 126aa Sv moet worden aangemerkt als een schending van een beginsel van goede procesorde. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord dient de rechtbank zich vervolgens uit te spreken of deze schending als een vormverzuim moet worden aangemerkt dat daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Enkel dan is er immers aanleiding om de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

5. Beoordeling

Bij de beoordeling van het namens de verdachte gevoerde verweer stelt de rechtbank voorop dat in de vertrouwelijke communicatie tussen een verdachte en zijn advocaat naast het individuele belang van de verdachte tevens een groot rechtstatelijk belang is gelegen.

In een stelsel waarin de verdachte moet kunnen vertrouwen op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens moet als één van de belangrijkste pijlers worden gezien de vertrouwelijke communicatie die de verdachte met zijn advocaat kan voeren. De ratio achter deze vertrouwelijke communicatie is dat een verdachte weet dat er in ieder geval één iemand is waarmee hij vrijelijk kan communiceren zonder dat hij door deze communicatie aan zijn eigen veroordeling bijdraagt. Het is ook om deze reden dat een advocaat is gehouden tot geheimhouding. Hierin ligt het individuele belang van de verdachte. Indien aan het uitgangspunt van vertrouwelijke communicatie afbreuk wordt gedaan, komt echter tevens de toegankelijkheid van de rechtsbijstand in algemene zin in het gedrang. Bij het schenden van het vertrouwelijke karakter van deze communicatie kan in zijn uiterste consequentie niet meer van een goede rechtspleging worden gesproken, omdat een behoorlijke verdediging daartoe als een sine qua non moet worden gekwalificeerd. Het is in dit aspect dat het rechtstatelijke belang is gelegen. De Hoge Raad onderstreept dit belang nog eens door het boven het belang van de waarheidsvinding te stellen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de geschonden norm zeer groot is.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat 90 sessies wel zijn gewist maar pas nadat deze minimaal 2 ½ en maximaal 13 ½ maand zijn bewaard. 26 Sessies waren na 4 jaar nog niet vernietigd. De officier handelt daarmee in strijd met zowel de bedoeling van de wetgever bij het stellen van het wettelijk voorschrift in artikel 126aa Sv (vernietiging zo spoedig mogelijk) als met het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (vernietiging terstond).

Tevens kan de vraag niet worden weggenomen of de gewiste gesprekken nu ook daadwerkelijk volledig zijn vernietigd. In ieder geval blijkt niet dat deze communicatie, voor zover in een fysieke deel van het tapdossier aanwezig, is vernietigd.

In het licht van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het vormverzuim in deze zaak als een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde moet worden gezien.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat verdachte geen nadeel heeft ondervonden van het bewaren van de gesprekken met de geheimhouders. Reeds daarom zou zijn niet-ontvankelijkheid een te zware sanctie op dit vormverzuim zijn.

De rechtbank stelt echter vast dat de communicatie met de geheimhouders is vervat in een tapdossier, welk dossier zich ten kantore heeft bevonden en deels nog bevindt van de opsporende instantie. Niet blijkt wie gedurende de afgelopen vier jaren toegang heeft gehad tot dit dossier en op welke wijze de informatie hieruit heeft kunnen bijdragen aan het onderzoek tegen verdachte. Geenszins is uit te sluiten dat deze communicatie informatie heeft opgeleverd die op een of andere wijze van belang is geweest voor het opsporingsonderzoek.

Het instellen van een onderzoek naar de inhoud van de vastgelegde gesprekken met geheimhouders, om zo te kunnen beoordelen of de inhoud mogelijk de belangen van de verdediging geschaad zou kunnen hebben, acht de rechtbank principieel geen goede weg. Daarvoor moet de rechtbank immers kennis nemen van de inhoud van de gesprekken met de geheimhouders, waardoor in ieder geval de geheimhouding wordt geschonden. Gelet op het hiervoor beschreven grote belang dat verdachte heeft bij de geheimhouding van dergelijke gesprekken acht de rechtbank dat onjuist.

Bovendien, zo’n onderzoek zou alleen mogelijk zijn ten aanzien van de 26 recentelijk vernietigde gesprekken, waarvan nog een papieren afschrift is bewaard. Van de 90 gesprekken die al eerder zijn vernietigd is niets meer bewaard zodat de inhoud hiervan nooit beoordeeld kan worden op mogelijk nadelige gevolgen voor verdachte.

Gelet op het grote belang van de geschonden norm, dat boven het belang van de individuele verdachte uitstijgt, de grote omvang van de schending en de niet uit te sluiten mogelijkheid dat verdachte als gevolg daarvan nadeel heeft ondervonden is de rechtbank van oordeel dat de opsporende en vervolgende ambtenaren op grove wijze het belang van de verdachte op een eerlijk proces hebben veronachtzaamd. Het is om deze reden dat de rechtbank concludeert dat de officier van justitie zijn recht op strafvervolging heeft verspeeld en niet ontvankelijk moet worden verklaard.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 9 juni 2009.