Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI4694

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
AWB 07 / 2059
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontving van verweerder met ingang van 1 april 1996 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Bij besluit van 3 november 2006 heeft verweerder die uitkering met ingang van 1 november 2006 beëindigd, aangezien eiser werk heeft aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 2059

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Heerlen, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 oktober 2007

Kenmerk: 31003/20070544-B-RK

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer op 22 april 2008. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegen¬woordigen door W.A.A. Buttolo en M.P. Konen.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend, waarna dit is voortgezet door de meer¬voudige kamer van deze rechtbank.

Het beroep is opnieuw behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 5 februari 2009. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door P.J.S. Pletzers en W.A.A. Buttolo.

2. Overwegingen

Eiser ontving van verweerder met ingang van 1 april 1996 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Bij besluit van 3 november 2006 heeft verweerder die uitkering met ingang van 1 november 2006 beëindigd, aangezien eiser werk heeft aanvaard.

Op 1 mei 2007 heeft eiser verweerder verzocht hem een uitstroompremie ten bedrage van € 1.000,-- toe te kennen.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft verweerder dat verzoek afgewezen, aangezien eiser niet is uitgestroomd naar regulier werk. Eiser heeft een contract bij Randstad Rentree in het kader van het project Niet Zonder Werk. Het werk dat eiser verricht betreft gesubsidieerd werk. Voor uitstroom naar gesubsidieerde banen wordt geen uitstroompremie toegekend.

Bij brief van 6 juni 2007 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Volgens hem voldoet hij wel aan de voorwaarden. Ook gesubsidieerd werk kan regulier werk zijn. Bovendien heeft de consulent beoordelingsvrijheid bij het toekennen van de premie. Zonder nadere motive¬ring is daar geen gebruik van gemaakt. Verweerder maakt een discriminerend onderscheid tussen bijstandsgerechtigden die op eigen kracht een reguliere baan kunnen bemachtigen en bijstandsgerechtigden die dat niet kunnen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar¬¬schrift onge¬grond ver¬klaard. In het gemeentelijk beleid is onderscheid gemaakt tussen arbeid, gesubsi¬dieerd met gemeentelijke gelden, en arbeid die niet van gemeentewege tot stand is gekomen. Eiser is een overeen¬komst aangegaan met Randstad Rentree waarbij alle activiteiten gericht zijn op uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt. Verweerder betaalt Randstad Rentree om met eiser reïnte¬gratieactiviteiten te ondernemen. Er is dus sprake van gesubsidieerde arbeid.

Eiser heeft in beroep onder verwijzing naar het bezwaarschrift aan¬ge¬voerd, dat eiser inkomen heeft ontvangen, hetgeen voor verweerder aanleiding was de uitkering te beëindigen. Ver¬weer¬der kent de uitstroompremie ook toe aan mensen, werkzaam voor de arbeidspool en/of het reïntegratiebedrijf van Licom. Eiser ziet hierin geen onderscheid met randstad Rentree en doet derhalve een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het ingestelde beroep het volgende.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder eiser terecht en op goede gronden een uitstroompremie heeft geweigerd.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de WWB hebben personen, die algemene bijstand ont¬vangen en niet-uitkeringsgerechtigden, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinscha¬ke¬ling.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB is het college verantwoordelijk voor het ondersteunen van personen, die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, en niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a, van de WWB stelt de gemeenteraad bij veror¬dening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aan¬bie¬¬den van voorzieningen, gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

De raad van de gemeente Heerlen heeft op 12 mei 2004 de Verordening Wet werk en bijstand gemeente Heerlen (hierna: de Verordening) vastgesteld, welke Verordening op 25 september 2004 in werking is getreden. In deze Verordening is opgenomen de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2004 (hierna: Reïntegratieverordening).

In de Beleidsregels ten behoeve van de Reïntegratieverordening staat onder hoofdstuk 10 onder de rubriek “Premie voor uitstroom” het volgende vermeld:

De gemeente wil uitstroom naar regulier werk (óók vanuit de ID/WIW) stimuleren. Voor veel cliënten brengt uitstroom extra kosten met zich mee (bijvoorbeeld aan¬schaf kleding). De uitstroom moet wel duurzaam zijn, daarom is besloten om de premie toe te kennen als de cliënt binnen 6 maanden na werkaanvaarding geen nieuw beroep op de bijstand doet. De premie bedraagt € 1.000,--. Fase 1 cliënten zijn uitgesloten van deze premie, omdat zij zonder meer veronder¬steld worden zo spoedig mogelijk uit de bijstand te stromen. Voor toepassing van de premie geldt dat als de regels leiden tot grote onbillijkheden, de consulent gemotiveerd kan besluiten hiervan af te wijken.

Verweerder heeft naar voren gebracht, dat met betrekking tot verzoeken als de onder¬havige een werkinstructie wordt gehanteerd waarin wordt beschreven hoe uitvoering moet worden gegeven aan de premies WWB en de premie sociale activering WWB. Daarin wordt voor¬meld beleid met betrekking tot de “Premie voor uitstroom” aangehaald, waaraan onder meer is toegevoegd, dat voor uitstroom naar gesubsidieerde banen (WSW, WIW en ID) geen uitstroompremie wordt toegekend. Enige uitzondering hierop is werkaanvaarding bij de Licom via de Arbeidspool. De uitzondering is gebaseerd op door verweerders dienst gedane toezeggingen aan deze doelgroep, niet op het vastgestelde beleid over uitstroompremie.

Cliënten, korter dan 6 maanden uitkeringsafhankelijk, zijn uitgesloten van deze premie, omdat zij zonder meer verondersteld worden zo spoedig mogelijk uit de bijstand te stromen.

Ter zitting heeft verweerder nog naar voren gebracht, dat in de onderhavige kwestie sprake is van verregaand buitenwettelijk beleid. Daarnaast heeft de afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken een bestendige uitvoeringspraktijk ontwikkeld inzake de toekenning van de uit¬stroompremie. Verweerder heeft naar zijn zeggen in casu conform de bestendige uitvoe¬ringspraktijk gehandeld.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerders werkinstructie niet exact overeenkomt met het door de gemeenteraad vastgestelde beleid. Op grond van deze werkinstructie wordt geen premie toegekend voor uitstroom naar gesubsidieerde banen (WSW, WIW en ID) met uit¬zon¬dering van werkaanvaarding bij de Licom via de Arbeids¬pool. Verder komen aanvragers, die korter dan zes maanden uitkeringsgerechtigd zijn geweest, op basis van deze werkin¬struc¬tie niet voor de uitstroompremie in aanmerking, terwijl die termijn van zes maanden in de beleidsregels van de gemeenteraad niet als criterium wordt genoemd.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder met zijn werkinstructie de door de gemeenteraad vastgestelde beleidsregels heeft ingeperkt. Deze werkinstructie is ook niet gepubliceerd, naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook al was de werkinstructie wel gepubliceerd, zulks niet afdoet aan het feit dat verweerder niet met voorbijgaan van de gemeenteraad de door de raad vastgestelde beleidsregels verder kan inperken.

Aangezien verweerder de onderhavige weigering van de uitstroompremie heeft gebaseerd op de in zijn werkinstructie vermelde voorwaarde dat de uitstroom geen gesubsidieerde banen mag betreffen, terwijl die voorwaarde in de beleids¬¬regels van de gemeenteraad niet is neergelegd, is het bestreden besluit in zoverre niet toereikend gemotiveerd, temeer nu ook overigens de hantering van die voorwaarde niet nader is gemotiveerd.

Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd, aangezien het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat voor¬schrijft dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Het beroep van eiser zal op grond van het voorgaande gegrond worden verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent ter zake 2,5 punt met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x € 322,-- x 1 = € 805,--.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

3. Beslissing

De rechtbank:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3.bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,-- wordt vergoed door de gemeente Heerlen;

4.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 805,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door E.V.L. Heuts, J.N.F. Sleddens en M.A.H. Span-Henkens in tegen¬woor¬dig¬¬¬heid van C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009

w.g. C. Kavelaars w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:20 mei 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.