Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI4683

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 632
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 20 november 2007 heeft eiseres verweerder verzocht haar een uitstroompremie ten bedrage van € 1.000,-- toe te kennen.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder dat verzoek afgewezen, aangezien eiseres aan één van de voorwaarden voor een uitstroompremie niet voldoet. Zij is namelijk korter dan zes maanden uitkeringsafhankelijk geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 632

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres],

wonend te Maastricht, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 maart 2008

Kenmerk: 31003/20071222-B/PP

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 5 februari 2009.

Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door P.J.S. Pletzers en W.A.A. Buttolo.

2. Overwegingen

Eiseres ontving van verweerder een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB), aanvankelijk van 1 juli 2005 tot 1 juni 2006. Verweerder heeft die ¬uit¬ke¬ring met ingang van 1 juli 2005 weer ingetrokken, aangezien aan eiseres met terug¬werkende kracht een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW) werd toe¬gekend. Met ingang van 16 november 2006 heeft verweer¬der eiseres opnieuw een bijstands¬uitkering toegekend.

Eiseres is sedert 1 april 2007 in loondienst werkzaam bij Sandd en is derhalve sedertdien niet langer op een bijstands¬uitkering aangewezen. Daarom heeft verweerder de bijstandsuitkering per die datum ingetrokken.

Op 20 november 2007 heeft eiseres verweerder verzocht haar een uitstroompremie ten bedrage van € 1.000,-- toe te kennen.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder dat verzoek afgewezen, aangezien eiseres aan één van de voorwaarden voor een uitstroompremie niet voldoet. Zij is namelijk korter dan zes maanden uitkeringsafhankelijk geweest.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres tegen dat besluit ingediende bezwaar¬schrift van 12 december 2007 ongegrond ver¬klaard. Eiseres heeft van verweerder een WWB-uitkering ontvangen van 16 november 2006 tot en met 31 maart 2007, derhalve over een periode van 4,5 maand. Eiseres heeft daarmee niet voldaan aan de voorwaarde, dat zij langer dan zes maanden afhankelijk is geweest van een bijstandsuitkering. Daardoor komt zij volgens verweerder niet in aanmerking voor de uitstroompremie.

Eiseres heeft in beroep aan¬ge¬voerd, dat zij langer dan zes maanden in de bijstand heeft gezeten, namelijk van juli 2005 tot juni 2006. Zij heeft vervolgens zieken¬geld ontvangen van het UWV, waarna zij in november 2006 weer moest terugkeren naar de bijstandssituatie.

Met behulp van de nabetaling van het UWV was het mogelijk om de ontvangen bij¬stands¬uitkering terug te betalen. Daardoor kan het lijken dat eiseres geen bijstand heeft ontvangen, maar het tegendeel is waar. Eiseres heeft in de verrekende periode wel degelijk het bijstands¬regime gevoeld, zoals het onaan¬ge¬kondigde bezoek van de Sociale Dienst en het perio¬dieke overleg met één van de begeleiders daarvan. Daarom dient er ook met die periode rekening te worden gehouden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het ingestelde beroep het volgende.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder eiseres terecht en op goede gronden een uitstroompremie heeft geweigerd.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de WWB hebben personen, die algemene bijstand ont¬vangen en niet-uitkeringsgerechtigden, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinscha¬ke¬ling.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB is het college verantwoordelijk voor het ondersteunen van personen, die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, en niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a, van de WWB stelt de gemeenteraad bij veror¬dening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aan¬bie¬¬den van voorzieningen, gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

De raad van de gemeente Heerlen heeft op 12 mei 2004 de Verordening wet werk en bijstand gemeente Heerlen (hierna: de Verordening) vastgesteld, welke Verordening op 25 september 2004 in werking is getreden. In deze Verordening is opgenomen de Reïntegratieverordening wet werk en bijstand 2004 (hierna: Reïntegratieverordening).

In de Beleidsregels ten behoeve van de Reïntegratieverordening staat onder hoofdstuk 10 onder de rubriek “Premie voor uitstroom” het volgende vermeld:

De gemeente wil uitstroom naar regulier werk (óók vanuit de ID/WIW) stimuleren. Voor veel cliënten brengt uitstroom extra kosten met zich mee (bijvoorbeeld aan¬schaf kleding). De uitstroom moet wel duurzaam zijn, daarom is besloten om de premie toe te kennen als de cliënt binnen 6 maanden na werkaanvaarding geen nieuw beroep op de bijstand doet. De premie bedraagt € 1.000,--. Fase 1 cliënten zijn uitgesloten van deze premie, omdat zij zonder meer veronder¬steld worden zo spoedig mogelijk uit de bijstand te stromen. Voor toepassing van de premie geldt dat als de regels leiden tot grote onbillijkheden, de consulent gemotiveerd kan besluiten hiervan af te wijken.

In hoofdstuk 2 van deze Beleidsregels staan nadere bepalingen omtrent de doelgroep die aanspraak kan maken op de reïntegratievoorzieningen. In paragraaf 2.2 is de indeling van cliënten in doelgroepen/cliëntprofielen opgenomen, waarbij onder meer het volgende wordt vermeld:

In het regionale inkoopbeleid heeft indeling van het bestand in doelgroepen en cliënt¬profielen plaatsgevonden. De weergegeven indeling is daar integraal uit overgenomen. De cliënt die zich meldt bij het CWI wordt op basis van de uniforme landelijke richtlijnen (kansmeter) ingedeeld in een fase variërend van 1 t/m 4, afhankelijk van de door het CWI geconstateerde afstand tot de arbeidsmarkt.

Er zijn 5 cliëntprofielen ontwikkeld met de volgende kenmerken en einddoelen:

Cliëntprofiel 1 Direct bemiddelbaar

Deze personen zijn door het CWI ingedeeld in fase 1. Voor dit cliëntprofiel behoeven geen trajecten ingekocht te worden door de gemeente. Zij worden in staat geacht om zelfstandig, met ondersteuning van het CWI, werk te vinden.

(…)

Verweerder heeft naar voren gebracht, dat met betrekking tot verzoeken als de onder¬havige een werkinstructie wordt gehanteerd waarin wordt beschreven hoe uitvoering moet worden gegeven aan de premies WWB en de premie sociale activering WWB. Daarin wordt voor¬meld beleid met betrekking tot de “Premie voor uitstroom” aangehaald, waaraan onder meer wordt toegevoegd, dat voor uitstroom naar gesubsidieerde banen (WSW, WIW en ID) geen uitstroompremie wordt toegekend. Enige uitzondering hierop is werkaanvaarding bij de Licom via de Arbeidspool. De uitzondering is gebaseerd op door verweerders dienst gedane toezeggingen aan deze doelgroep, niet op het vastgestelde beleid over uitstroompremie.

Cliënten, korter dan 6 maanden uitkeringsafhankelijk, zijn uitgesloten van deze premie, omdat zij zonder meer verondersteld worden zo spoedig mogelijk uit de bijstand te stromen.

Ter zitting heeft verweerder nog naar voren gebracht, dat in de onderhavige kwestie sprake is van verregaand buitenwettelijk beleid. Daarnaast heeft de afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken een bestendige uitvoeringspraktijk ontwikkeld inzake de toekenning van de uit¬stroompremie. Verweerder heeft naar zijn zeggen in casu conform de bestendige uitvoe¬ringspraktijk gehandeld. Verder heeft verweerder toegelicht dat onder fase 1 cliënten werd verstaan: uitkeringsgerechtigden die goed bemiddelbaar zijn en die zonder financiële onder¬steuning binnen een redelijke termijn werk kunnen vinden door bemiddeling. Deze uitke¬rings¬gerechtigden hadden/hebben een kleine afstand tot de arbeidsmarkt, die echter snel toeneemt, aangezien het vinden van werk lastiger wordt naarmate de werkloosheid langer duurt. Onder kleine afstand tot de arbeidsmarkt werd en wordt een WWB-afhankelijkheid van 0 tot 6 maanden bedoeld. Volgens verweerder is de term “fase 1 cliënten” een dermate ingeburgerd begrip, dat er nooit discussie is geweest over de betekenis daarvan. Bij de invoering van de WWB zijn die faseringen overigens losgelaten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerders werkinstructie niet exact overeenkomt met het door de gemeenteraad vastgestelde beleid. Op grond van deze werkinstructie komen aanvragers, die korter dan zes maanden uitkeringsgerechtigd zijn geweest, niet voor de uitstroompremie in aanmerking, terwijl die termijn van zes maanden in de beleidsregels van de gemeenteraad niet als criterium wordt genoemd. Anders dan verweerder is de recht¬bank van oordeel dat de term “fase 1” niet zonder meer gelijk te stellen is met “korter dan 6 maanden uitkeringsafhankelijk”, omdat indeling in fase 1 niet automatisch leidt tot het minder dan 6 maanden aangewezen zijn op een bijstandsuitkering.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder met zijn werkinstructie de door de gemeenteraad vastgestelde beleidsregels heeft ingeperkt. Deze werkinstructie is ook niet gepubliceerd, naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook al was de werkinstructie wel gepubliceerd, zulks niet afdoet aan het feit dat verweerder niet met voorbijgaan van de gemeenteraad de door de raad vastgestelde beleidsregels verder kan inperken.

Aangezien verweerder de onderhavige weigering van de uitstroompremie heeft gebaseerd op de in zijn werkinstructie genoemde termijn van zes maanden, terwijl die termijn in de beleids¬¬regels van de gemeenteraad niet is neergelegd, is het bestreden besluit in zoverre niet toereikend gemotiveerd, temeer nu ook overigens de hantering van die zesmaandentermijn niet nader is gemotiveerd.

Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd, aangezien het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat voor¬schrijft dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Het beroep van eiseres zal op grond van het voorgaande gegrond worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, aangezien niet is gebleken van door eiseres gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3.bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,-- wordt vergoed door de gemeente Heerlen.

Aldus gedaan door M.A.H. Span-Henkens, J.N.F. Sleddens en E.V.L. Heuts in tegen¬woor¬dig¬¬heid van C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009

w.g. C. Kavelaars w.g. M. Span-Henkens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:20 mei 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.