Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI4615

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
03-800004-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een gezamenlijke huishouding gevoerd met een ander. Zij onderhielden een relatie en droegen zorg voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding danwel anderszins. Verdachte heeft dit niet opgegeven in het kader van de ABW en/of WWB. Zij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/800004-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 maart 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte]

Raadsvrouwe mr. L.C.A. Diederen, advocate te Landgraaf.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 maart 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: valsheid in geschrift heeft gepleegd.

Feit 2: in strijd met een wettelijke verplichting heeft nagelaten gegevens te verstrekken.

Feit 3: valsheid in geschrift heeft gepleegd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe van verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak. Volgens haar is er onvoldoende bewijs dat haar cliënte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de aanvraag van haar uitkering in 2001 gemeld dat zij alleenstaand is en dat haar dochter bij haar woont. Op die grond is aan haar een uitkering verstrekt. In dit verband is via maandelijks toegezonden zogenaamde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren aan verdachte medegedeeld dat zij veranderingen in, kort gezegd, haar woon- en gezinssituatie dient te melden.

In het proces-verbaal voorlopige voorzieningen echtscheiding d.d. 5 oktober 2001 is gerelateerd dat de vrouw - hiermee is verdachte bedoeld - op 21 juli 2001 de echtelijke woning heeft verlaten en bij een nieuwe partner verblijft .

De verdachte heeft ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat zij na de verbroken relatie met [naam relatie] in eerste instantie bij haar moeder is verbleven . Daar kon zij echter niet lang blijven. Na enkele weken is zij daarom meer en meer bij [naam medeverdachte] gaan verblijven. Af en toe betaalde [naam medeverdachte] de boodschappen. Hij betaalde alle extraatjes, op stap gaan, samen uit eten en dergelijke.

De medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij al een relatie met [naam verdachte] - bedoeld is verdachte - had toen zij door haar ex-partner [naam relatie] op straat was gezet . In eerste instantie werd [naam verdachte] opgevangen door haar moeder, maar daar kon zij niet lang blijven. [naam medeverdachte] heeft [naam verdachte] toen opgevangen en zij heeft hoofdzakelijk bij hem verbleven. [naam medeverdachte] woonde destijds aan de [adres medeverdachte] Eind 2002 heeft [naam verdachte] een eigen woning[adres verdachte]] [naam verdachte] is in april 2003 naar dat adres verhuisd en sedertdien verbleef [naam medeverdachte] veel bij haar. Als ze samen boodschappen deden dan betaalde [naam medeverdachte] dit. Alle extraatjes werden door [naam medeverdachte] betaald.

De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat zij met [naam medeverdachte] woonde aan de [adres medeverdachte] . [naam medeverdachte] was haar vriend, maar deze bleek inmiddels een relatie te hebben met [naam verdachte]. Op een zaterdag in juni 2001 is [naam getuige 1] vervolgens uit de woning vertrokken en haar relatie met [naam medeverdachte] werd verbroken. [naam medeverdachte] behield de woning. Op de daarop volgende maandag is [naam getuige 1] nog naar de woning van [naam medeverdachte] teruggekeerd en in haar kast hingen toen al de kleren van [naam verdachte].

Door de getuige [naam getuige 2] is verklaard dat zij van oktober 2000 tot 11 november 2001 aan de [adres getuige 2] heeft gewoond . Verdachte als ook [naam medeverdachte] wordt door de getuige herkend aan de hand van fotokopieën van een tweetal foto’s. [naam getuige 2] verklaarde dat de man en de vrouw boven haar een appartement huurden toen zij aan de [adres getuyige 2] woonde. Ze bewoonden het appartement samen met een meisje.

Ook de getuigen [naam getuige 3] , [naam getuige 4] en [naam getuige 5] hebben verklaard dat verdachte en [naam medeverdachte] op het adres [adres medeverdachte] samenwonen. Door laatstgenoemde is daar nog aan toegevoegd dat verdachte en [naam medeverdachte] na een bepaalde periode samen zijn vertrokken naar een nieuwe woning.

De getuige [naam getuige 6] - hoofd logistiek bij [naam werkgever getuige 6] - heeft verklaard dat uit het persoonsdossier van [naam medeverdachte], die aldaar eveneens in dienst is, blijkt dat door [naam medeverdachte] vanaf 5 september 2003 tot op heden het adres [adres verdachte] wordt gebruikt . Voordien was dat [adres medeverdachte]

Door de getuige [naam getuige 7] is verklaard dat zij al ongeveer 12 jaar aan de [adres getuige 7] woont . Verdachte als ook [naam medeverdachte] wordt door de getuige herkend aan de hand van fotokopieën van een tweetal foto’s. [naam getuige 7] verklaarde dat dit de bewoners zijn van de bovenste verdieping. Ze zijn, naar zij meent, 5 á 6 jaar geleden in het appartementencomplex komen wonen.

De rechtbank gaat er, gelet op het vorenstaande, van uit dat verdachte en [naam medeverdachte] in de gehele ten laste gelegde periode hebben samengewoond en er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Aan de eerst ter zitting afgelegde ontkennende verklaring van verdachte, hecht de rechtbank geen geloof. Verdachte en [naam medeverdachte], met wie verdachte een affectieve relatie onderhield, hadden hun hoofdverblijf in dezelfde woning en hebben er blijk van gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De omstandigheid dat verdachte als ook [naam medeverdachte] in te onderscheiden periodes ingeschreven heeft gestaan aan het adres van [naam tante medeverdachte] leidt niet tot een ander oordeel. Redengevend daarvoor is niet alleen dat [naam medeverdachte] heeft verklaard dat [naam verdachte] op een gegeven moment een postadres is gaan gebruiken van zijn tante [naam tante medeverdachte] , maar ook dat de getuigen [naam getuige 8] , [naam getuige 9] , [naam getuige 10] en [naam getuige 11] , alle buren van [naam tante medeverdachte] hebben verklaard dat [naam tante medeverdachte] alleen woonde. Verdachte en [naam medeverdachte] worden door de getuigen bovendien niet van een foto herkend.

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, nu zij op de desbetreffende formulieren slechts de naam van haar dochter heeft ingevuld bij de vraag of er nog andere personen op haar adres verblijven (vraag 4b) en de vraag of de woonsituatie is gewijzigd steeds met ‘nee’ heeft aangekruist (vraag 2), zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde valsheid in geschrifte. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, overweegt de rechtbank dat verdachte, gelet op het feit dat zij iedere maand vragen diende te beantwoorden omtrent (onder meer) inwoning, zoals gesteld op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dit van belang was voor het vaststellen van haar recht op een uitkering of de hoogte daarvan en had zij de inwoning van [naam medeverdachte] derhalve moeten melden aan de sociale dienst, opdat de sociale dienst de feitelijke situatie kon beoordelen. Nu verdachte dit heeft nagelaten, acht de rechtbank haar eveneens schuldig aan het onder 2 ten laste gelegde.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 31 december 2001 tot en met 02 januari 2006, in de gemeente Landgraaf, meermalen, telkens een aan haar ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "rechtmatigheidsonderzoeksformulier ABW of ABW/WWB of rechtmatigheidsonderzoeksformulier Wet Werk en Bijstand", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier niet heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

- zij samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerde met [naam medeverdachte]

en hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

- er niets was gewijzigd in de gezinssamenstelling en woonsituatie en vervolgens dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

in de periode van 03 januari 2006 tot en met 31 januari 2007, in de gemeente Landgraaf, in strijd met een haar bij of krachtens de Wet Werk en Bijstand, in elk geval krachtens een wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de gemeente Landgraaf telkens opzettelijk geen mededeling gedaan van het samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam medeverdachte];

3.

in de periode van 01 februari 2007 tot en met 01 november 2007, in de gemeente Landgraaf, meermalen, telkens een aan haar ter uitvoering van de bij of krachtens de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "rechtmatigheidsonderzoeksformulier Wet Werk en Bijstand", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier niet heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

- zij samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerde met [naam medeverdachte]

en hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

- er niets was gewijzigd in de gezinssamenstelling en woonsituatie en vervolgens dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Feit 2:

in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking, meermalen gepleegd.

Feit 3:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak kan worden volstaan met oplegging van een taakstraf. en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat men, indien men een uitkering krachtens de

sociale zekerheidswetgeving geniet, gehouden is om ten allen tijde gegevens, die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op die uitkering, tijdig aan de betrokken uitkeringsinstantie door te geven; zulks te meer indien het gegevens zijn die betrekking hebben op een gewijzigde woonsituatie dan wel op het samenwonen alsmede het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank slaat acht op de omstandigheid dat verdachte, die de formulieren invulde en ondertekende, heeft verklaard met deze verplichting bekend te zijn.

In deze zaak kan niet worden volstaan met de door de verdediging bepleite oplegging van een werkstraf omdat daarin de ernst van het feit in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt.

Uit een inventarisatie van vonnissen en arresten die door de gerechten op Rechtspraak.nl zijn

gepubliceerd, volgt dat het plegen van bijstandsfraude van zulke omvang veelvuldig wordt

bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hoewel de strafoplegging in een

concrete strafzaak in belangrijke mate wordt bepaald door zaaksgebonden omstandigheden,

ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van deze strafmodaliteit. De rechtbank

acht alles afwegende een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden op

zijn plaats.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de mate waarin door het bewezen verklaarde feit het vertrouwen dat uitkeringsinstanties bij de uitvoering van hun taak mogen stellen in de juistheid van ingediende formulieren als de onderhavige, is geschonden;

- de mate waarin de bewezen verklaarde feiten financiële schade teweeg heeft gebracht aan de gemeente Landgraaf, welke schade blijkens het onderzoek ter terechtzitting in totaal ruim € 100.000,= bedraagt;

- de lange periode gedurende welke de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, te weten: bijna zes jaren; en

- de laakbare houding van verdachte ten opzichte van de strafwaardigheid van haar handelen.

Ten slotte heeft de rechtbank bij vaststelling van de hoogte van de straf ten voordele van verdachte rekening gehouden met het strafblad van 12 februari 2009 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. A.W. Oosterman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 maart 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 31 december 2001 tot en met 02 januari 2006, in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een aan haar ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "rechtmatigheidsonderzoeksformulier ABW en/of ABW/WWB en/of rechtmatigheidsonderzoeksformulier Wet Werk en Bijstand", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier niet heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-zij samenwoonde en/of een gezamenlijke huishouding voerde met [naam medeverdachte] en/of hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

-er niets was gewijzigd in de gezinssamenstelling en/of woonsituatie en (vervolgens) dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij in of omstreeks de periode van 03 januari 2006 tot en met 31 januari 2007, in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens de Wet Werk en Bijstand, in elk geval krachtens een wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan de gemeente Landgraaf (telkens) opzettelijk geen mededeling gedaan van;

het samenwonen en/of het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam medeverdachte]

of

voor de gemeente Landgraaf (telkens) opzettelijk het samenwonen en/of het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam medeverdachte] verzwegen;

3.

zij in of omstreeks de periode van 01 februari 2007 tot en met 01 november 2007, in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een aan haar ter uitvoering van de bij of krachtens de Wet Werk en Bijstand gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "rechtmatigheidsonderzoeksformulier Wet Werk en Bijstand", zijnde dit formulier een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier niet heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

- zij samenwoonde en/of een gezamenlijke huishouding voerde met [naam medeverdachte]

en/of hierin bestaande dat zij, verdachte, valselijk op dat formulier heeft opgegeven dat, in de periode waarop dat formulier betrekking had, zakelijk weergegeven,

- er niets was gewijzigd in de gezinssamenstelling en/of woonsituatie en (vervolgens) dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken