Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3164

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
327145 EJ VERZ 09-957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van (zeer kritisch) functioneel directeur afgewezen. Waarom na zeven jaar goed functioneren van het ene op het andere moment sprake van niet goed functioneren?. Inmenging door bestuur (met name penningmeester) in takenpakket van de directeur. Het nemen van besluiten, maar ook het terugkomen op eerder gemaakte afspraken en/of besluiten zonder dat de mening van de directeur daarin wordt betrokken en/of gevraagd.

Het heeft er alle schijn van dat de oorzaak van het ontbreken van vertrouwen in het functioneren van de directeur zijn oorsprong vindt in de zeer kritische houding van de directeur als het gaat om het declaratiegedrag van het DB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2009, 106
AR-Updates.nl 2009-0374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 327145 EJ VERZ 09-957

type: JS

beschikking van 28 april 2009

in de zaak van

Stichting Kasteel van Valkenburg

gevestigd en kantoorhoudend te Valkenburg aan de Geul,

verzoekende partij, verder ook de noemen de Stichting,

gemachtigde: mr. A.L.W.G. Houtakkers te Maastricht;

tegen

[verweerder],

wonend te [adres],

verwerende partij,verder ook te noemen [verweerder],

gemachtigde: mr. J.J.W. van Mens te Eindhoven.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De Stichting heeft op 11 maart 2009 een verzoekschrift met zeven producties ingediend. Namens [verweerder] is hierop gereageerd door het indienen op 10 april 2009 van een verweerschrift waaraan 21 producties zijn toegevoegd.

Op 14 april 2009 is vervolgens nog een schrijven, met bijlage, ontvangen van de gemachtigde van [verweerder] en op 15 april 2009 is een faxbericht, met bijlage, ingekomen van de gemachtigde van de Stichting.

Partijen en de gemachtigden zijn gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van donderdag 16 april 2009 te 10.30 uur. Van het aldaar verhandelde heeft de griffier schriftelijk aantekening gehouden.

Nadat partijen haar stellingen uitgebreid hadden toegelicht, heeft de kantonrechter bepaald uitspraak te doen op uiterlijk 7 mei 2009 of zoveel eerder als mogelijk is.

Voorts heeft de kantonrechter partijen tot 20 april 2009 nader gelegenheid geboden het gerezen geschil in der minne op te lossen en hem over de afloop van de beraadslaging te berichten.

Bij faxbericht, ontvangen 20 april 2009, heeft de gemachtigde van de Stichting te kennen gegeven dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een regeling in der minne.

Vervolgens heeft de kantonrechter uitspraak bepaald op heden.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING

a. vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

[verweerder] -die geboren is op 28 april 1967- is krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op 1 januari 2001 in dienst getreden van de Stichting in de functie van directeur, tegen een bruto maandloon van € 3.645,92, exclusief 8% vakantiebijslag.

[verweerder] is op 2 februari 2009 per direct uit haar functie ”ontheven” onder de mededeling dat het bestuur zijn ”vertrouwen” in haar had verloren en onder aankondiging van een ontslagprocedure. [verweerder] heeft daar via een door haar echtgenoot geredigeerde (op nogal gezwollen toon gestelde) brief van 4 februari 2009 tegenover het bestuur van de Stichting protest tegen aangetekend en (zo nodig) rechtsmaatregelen in het vooruitzicht gesteld.

b. het verzoek

De Stichting is van mening dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van gewichtige redenen, bestaande in veranderingen in de omstandigheden, op korte termijn dient te eindigen, onder toekenning van een vergoeding. In haar verzoekschrift stelt de Stichting ”een vergoeding als hierboven genoemd” in het vooruitzicht . Hoewel de tekst anders doet vermoeden, verzuimt de Stichting in haar verzoekschrift een concreet bedrag of een berekenings-methodiek te noemen.

Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de Stichting - onder verwijzing naar de inhoud van haar verzoekschrift en de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota - dat zij er geen vertrouwen in heeft dat [verweerder] in de toekomst in staat is om haar directeursfunctie op een adequate wijze in te vullen en uit te oefenen. Om de professionele taken van directeur uit te voeren zijn kennis, vaardigheden en een bepaalde attitude noodzakelijk. De Stichting meent te hebben moeten vaststellen dat [verweerder] deze competenties ontbeert. Een professionele aansturing ontbreekt evenzo. Voorts is [verweerder] in onvoldoende mate in staat om een taakstellende begroting op te stellen en de financiële exploitatie te beoordelen, waardoor deze taakstelling vooral bij het bestuur is komen te liggen, als gevolg waarvan de bestuurskosten (onnodig) stijgen. Daarenboven acht de Stichting [verweerder] onvoldoende in staat om haar relatie ten opzichte van het bestuur in te schatten. [verweerder] was van mening dat het Stichtingsbestuur te hoge kosten maakte. Het hoort echter tot de verantwoordelijkheid van het Stichtingsbestuur en niet van de directeur om deze kosten in te schatten en vast te stellen.

Door de werkwijze van [verweerder] schort er volgens de Stichting veel aan het management. De Stichting heeft moeten concluderen dat [verweerder] niet in staat is om haar beleid aan te passen. Aldus restte niets anders dan onderhavige procedure te starten.

c. het verweer

[verweerder], die in haar verweerschrift uitgebreid is stil blijven staan bij de aan haar adres gemaakte verwijten, stelt op 2 februari 2009 met verbijstering kennis te hebben genomen van het feit dat de Stichting haar per direct uit haar functie had ”ontheven” en het dienstverband wilde beëindigen. [verweerder] betwist met klem dat van enig ”disfunctioneren” sprake zou zijn. [verweerder] stelt meer dan zeven jaar in de hoedanigheid van directeur prima te hebben gefunctioneerd. Het wil er bij haar niet in dat zij ”à la minute” moet vertrekken omdat sprake zou zijn van het ontbreken van vertrouwen zijdens het bestuur.

Niet haar functioneren is volgens haar het probleem, maar het functioneren van het bestuur, de verdeeldheid binnen het bestuur over het te voeren beleid en de wijze waarop besluiten werden genomen. Die laatste factoren hebben er toe bijgedragen dat [verweerder] haar functie niet kon uitoefenen zoals van haar werd verwacht. Regelmatig heeft [verweerder] moeten constateren dat zij, die toch dagelijks bij het reilen en zeilen van de Stichting betrokken was, door het bestuur in het geheel niet werd betrokken bij de besluitvorming over bepaalde activiteiten of plannen. Sterker nog: er werden door het bestuur besluiten genomen buiten haar (aanwezigheid) om. Daar komt nog bij dat de penningmeester zich ongevraagd en in strijd met de gemaakte afspraken bemoeide met de dagelijkse gang van zaken en projecten en daarbij zelfs in de weg liep.

De Stichting weerspreekt niet dat [verweerder] verschillende keren zowel mondeling als schriftelijk haar bedenkingen heeft geuit ten aanzien van de gang van zaken, ook voor wat betreft het besluit in september 2008 van het bestuur om aan het DB, de voorzitter en penningmeester/secretaris, een verdubbeling van hun eigen vergoeding toe te kennen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008. Op het moment dat [verweerder] daar een opmerking over heeft gemaakt, was het bestuur van mening dat zij daarover haar mond moest houden. Haar verzoek om aandacht te schenken aan het declaratiegedrag van het DB (8% van de totale kostenpost van de Stichting bestond op enig moment uit bestuurskosten) werd als ”lastig” ervaren.

[verweerder] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat haar kritische houding in dit opzicht de werkelijke aanleiding voor het bestuursbesluit tot non-actiefstelling en uiteindelijk ontslag was. [verweerder] wil niets liever dan terug naar haar werk.

Mocht de arbeidsovereenkomst toch worden ontbonden, dan dient dit volgens [verweerder] gepaard te gaan met een vergoeding ten bedrage van € 83.450,- bruto (acht gewogen dienstjaren/correctiefactor C=2,5), omdat de huidige situatie slechts is ontstaan door verwijtbaar handelen van de Stichting, [verweerder] is zeer onheus bejegend; de non-actiefstelling en de wijze waarop het ontslagvoornemen werd medegedeeld, getuigen van slecht werkgeverschap.

d. de beoordeling

Vooropstaat dat het door de Stichting ingediende ontbindingsverzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 7:648, 7:670 en 7:670a BW of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst

(artikel 7:685 lid 1 BW).

Ter beoordeling staat thans of het in de ogen van de Stichting bestaande tekort in het functioneren van [verweerder] als directeur terecht is en, zo ja, zodanig ernstig moet worden geoordeeld, dat om die reden de arbeidsovereenkomst zou moeten worden ontbonden.

Een aldus geformuleerde verandering in de omstandigheden acht de kantonrechter op basis van het (overgelegde) feitenmateriaal in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Door de Stichting is ter onderbouwing van haar verzoek van alles aangevoerd. Het betreft echter louter vage stellingen zonder nadere precisering. Concrete voorvallen worden nauwelijks genoemd, laat staan dat de dominante rol en verantwoordelijkheid van [verweerder] - afgezet tegen die van het bestuur - ten aanzien van zulke incidenten duidelijk worden gemaakt.

Het ontgaat de kantonrechter ten enen male waarom na zoveel jaren (zeven) van goed functioneren, althans het tegendeel is gesteld noch gebleken, het functioneren van [verweerder] opeens te wensen overlaat. Een deugdelijk verslag van een gesprek waarin [verweerder] op tekortschietend functioneren is aangesproken, ontbreekt bij de stukken evenals -uiteraard- een verbeterplan. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de door [verweerder] geuite verwijten/kritiek de oorzaak vormen van het thans door de Stichting ingenomen standpunt.

De Stichting stelt [verweerder] regelmatig op haar functioneren te hebben aangesproken, maar

- daargelaten dat ieder bewijs daarvan ontbreekt - rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat haar functioneren inderdaad zodanig te wensen overliet (en overlaat), dat de arbeidsovereenkomst ontbonden zou moeten worden. Door de Stichting is niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt welke activiteiten door haar zijn ondernomen om het functioneren van [verweerder] (zo dat al onvoldoende zou zijn) te verbeteren. Een werkgever kan niet volstaan met signaleren van tekorten bij een werknemer, zeker als deze al jaren tot genoegen heeft gefunctioneerd, maar dient ook concrete middelen in te zetten om tot de gewenste verbetering te geraken.

Daarenboven mag de Stichting, althans haar DB, ook de hand in eigen boezem steken. Het kan en mag niet zo zijn dat zij haar directeur een bepaald takenpakket toebedeelt en haar de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden geeft, om daarna te pas en te onpas en ook nog zonder enig (nader) overleg, zeker in deze specifieke functie, van afspraken en besluiten terug te komen. Van onwil aan de zijde van [verweerder] om haar beleid, handelen en functioneren indien nodig aan te passen, is de kantonrechter -voor zover daar het probleem al in mocht zitten - niet gebleken.

Het vorenstaande brengt met zich dat de Stichting in de verste verte niet waargemaakt heeft dat een verandering in de omstandigheden van voldoende gewicht is ontstaan om te concluderen dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

Allerlei alternatieven voor een dergelijk drastisch middel zijn niet of onvoldoende onderzocht, ook waar deze raken aan de rol van het bestuur (in het bijzonder de secretaris/penningmeester) en de formele en praktische afbakening van de respectieve verantwoordelijkheden van bestuur en directie.

Zo er vertrouwen geschokt is, is vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat het [verweerder] is die daarvoor (primair) verantwoordelijk is.

Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

De Stichting dient als de geheel in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure te dragen.

BESLISSING

Wijst het verzoek af.

Veroordeelt de Stichting tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 400,- aan salaris van de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, in aanwezigheid van J.M.H.M. Slangen-van der Heijden, griffier.