Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3157

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
291400 CV EXPL 08-1697
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanrijding, onrechtmatigde daad (6:162 BW), schadevergoeding, getuigenverhoor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 291400 CV EXPL 08-1697

typ: AE

Vonnis van 29 april 2009

in de zaak van

[eisende partij],

wonend te [adres],

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde: mr. D. Osmic, advocaat te Maastricht (met toevoeging 1EB5763),

tegen

[gedaagde partij],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde: mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten.

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het voorafgaande procesverloop wordt verwezen naar het tussenvonnis van 29 oktober 2008. Ter voldoening aan voormeld tussenvonnis heeft [eisende partij] een akte genomen en heeft op 9 januari 2009 aan zijn zijde een getuigenverhoor plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat bij de gedingstukken is gevoegd. [gedaagde partij] heeft vervolgens - anders dan blijkens het proces-verbaal van 9 januari 2009 aan haar was toegestaan - een conclusie na enquête genomen onder bijvoeging van zes gefotokopieerde producties. Bij die gelegenheid heeft zij impliciet afgezien van het voorbrengen van zichzelf en anderen als getuigen in tegenverhoor. [eisende partij] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd. Daarna is opnieuw vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is vastgesteld op heden.

MOTIVERING

Voor de inhoud van de door [eisende partij] ingestelde vordering en voor hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, verwijst de kantonrechter naar de inhoud van het tussenvonnis van 29 oktober 2008, waarbij ten volle wordt volhard.

Bij voormeld tussenvonnis heeft de kantonrechter [eisende partij] toegelaten om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen dat er sprake is geweest van een aanrijding tussen het door [gedaagde partij] bestuurde rijdende voertuig en het aan hem toebehorende stilstaande voertuig op 14 juli 2007 om 18:00 uur en dat daarbij aan laatstgenoemd voertuig deuk- en krasschade is ontstaan die aan [gedaagde partij] kan worden toegerekend.

[eisende partij] heeft één getuige doen horen, te weten [getuige], wonend te [woonplaats] en destijds buurvrouw van [eisende partij]. Zij heeft tijdens de enquête op 9 januari 2009 onder ede - onder meer - het volgende verklaard:

“Op de bewuste avond in juli 2007 rond 18:00 uur stond ik in de keuken van mijn woning (…) naar buiten te kijken waarbij ik vol zicht had op de parkeerplaats van [eisende partij].

[eisende partij] was op dat moment gewoontegetrouw naar de zaterdagdienst in de kerk, die om 18:00 uur begint”

(…)

Er kwam op dat moment een oudere auto, althans een ouder model auto, aanrijden waarin ik een blonde bestuurster zag zitten die mij tot dat moment onbekend was. Ik heb haar ook sedertdien niet gezien maar herken in de hier aanwezige mevrouw [gedaagde partij] de bewuste bestuurster. De auto, die ik in mijn schriftelijke verklaring aanduidde als een oudere Peugeot, kan heel goed een Volvo geweest zijn. De bestuurster reed op enig moment achteruit de parkeerplaats op naast de auto van [eisende partij] en raakte daarbij met een klap de auto van [eisende partij]. Dat zag en dat hoorde ik. Na de aanrijding reed de Peugeot/Volvo onmiddellijk weg, voordat ik naar buiten had kunnen gaan. Ik prentte me het nummer in, schreef dat vervolgens met potlood op het tafelblad en heb die notitie vervolgens overgenomen op een papiertje. Daarom weet ik zo zeker dat het kenteken [kenteken nummer] was.”

Met de bovengeciteerde beëdigde verklaring in aanvulling op het beschikbare schriftelijke bewijsmateriaal acht de kantonrechter de door [eisende partij] gestelde aanrijding die volgens hem heeft plaatsgevonden op 14 juli 2007 om 18:00 uur en waarbij het door [gedaagde partij] bestuurde rijdende voertuig (met kenteken [kenteken nummer]) tegen het aan [eisende partij] toebehorende stilstaande voertuig (met kenteken [kenteken nummer]) is gebotst, voldoende aangetoond. Dat [getuige] eerder in haar schriftelijke verklaring van 14 april 2008 heeft vermeld dat het om een Peugeot zou gaan, terwijl [gedaagde partij] - naar thans is gebleken - een Volvo bestuurde, doet niet af aan de geloofwaardigheid van hetgeen onder ede is verklaard. [getuige] heeft immers tijdens het getuigenverhoor te kennen gegeven dat het “heel goed een Volvo geweest [kan] zijn”. Daarenboven is onbetwist gebleven dat zij het juiste kenteken heeft genoteerd. Tevens heeft [getuige] een verklaring gegeven voor het feit dat zij zich het voorval zo goed herinnert. Het was een warme dag geweest (“het was wel 30 graden”) en zij zou die avond met haar dochter de musical ‘Cats’ bezoeken. De omstandigheid dat de schriftelijke verklaring eerst (ongeveer) negen maanden na de aanrijding is opgesteld, heeft volgens [getuige] vooral te maken met de omstandigheid dat haar dit (pas) is gevraagd nadat [eisende partij] een advocaat had ingeschakeld. Gelet hierop doet ook deze kanttekening - anders dan [gedaagde partij] suggereert - geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door [getuige] afgelegde verklaring.

Ten aanzien van de schade die [eisende partij] stelt te hebben geleden door toedoen van bedoelde aanrijding, heeft [getuige] - voor zover thans van belang - tijdens het getuigenverhoor het volgende verklaard.

“[Buurman] die in de flat naast [eisende partij] woont, heb ik telefonisch gewaarschuwd om naar beneden te komen. Er ontstond beneden een oploopje van mensen die iets hadden gezien of gehoord. [Buurman] heeft in mijn bijzijn op eigen initiatief foto’s op zijn gsm gemaakt. Als u mij die foto’s laat zien, herken ik mijzelf in de weerspiegeling op de eerste foto in het dossier.

(…)

Ik heb zelf waargenomen dat de schade aan de auto van [eisende partij] verse schade was en ik weet zeker dat er voor de aanrijding geen beschadiging aan de auto bestond. [eisende partij] poetste zijn auto ongeveer iedere dag en maakte ieder schroefje schoon.”

In het proces-verbaal heeft de dienstdoende hoofdagent vastgesteld dat de schade aan het voertuig van [eisende partij] zich bevond op 61 centimeter hoogte. De niet nader onderbouwde stelling van [gedaagde partij] dat deze schade niet door haar kan zijn veroorzaakt omdat de schade aan haar voertuig (“mocht daarvan volgens haar al sprake zijn”) zich op een hoogte van 55 centimeter zou bevinden, kan tegenover hetgeen door [getuige] is verklaard niet leiden tot het door [gedaagde partij] gewenste resultaat. Ditzelfde geldt voor de stelling dat de lichte kleur van de krassen niet overeen zou komen met de kleur van haar auto, te weten donkergrijs. Uit de door [getuige] afgelegde verklaring in combinatie met het in het geding gebrachte fotomateriaal is immers genoegzaam gebleken dat de deuk- en krasschade aan [eisende partij]’ voertuig is ontstaan als gevolg van de aanrijding die op 14 juli 2007 om 18:00 uur heeft plaatsgevonden en waarbij [gedaagde partij] als bestuurster betrokken was.

[eisende partij] stelt een poging te hebben ondernomen om een minnelijke regeling met [gedaagde partij] te treffen. Ter onderbouwing hiervan heeft [eisende partij] een aan [gedaagde partij] gerichte brief van

11 november 2007 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat hij aan haar een voorstel heeft gedaan om de zaak af te doen voor € 750,00. In een schriftelijke reactie hierop van 13 november 2007 is van de zijde van [gedaagde partij] - onder meer - gesteld dat de gevorderde schadepost niet is voorzien van een (schade)taxatie. Vervolgens heeft [eisende partij] op 26 november 2007 een schade¬taxatierapport laten opstellen door een gespecialiseerd bedrijf. Deze schade had volgens dit rapport betrekking op “de-/montage, herstel en spuiten / uitspuiten van het rechterachterscherm en de achterbumper”. De totale schade bedroeg volgens die taxatie € 946,05. De verklaring van [eisende partij] dat hij pas een taxatierapport heeft laten opmaken nadat hij had geprobeerd een minnelijke regeling te treffen, acht de kantonrechter in het licht van bovenstaande correspondentie voldoende aannemelijk. Hetgeen van de zijde van [gedaagde partij] is opgemerkt ten aanzien van het al dan niet inschakelen van een verzekeringsexpert of het Waarborgfonds, kan haar niet baten.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat [gedaagde partij] een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW jegens [eisende partij] heeft gepleegd ten gevolge waarvan [eisende partij] schade heeft geleden. De volledige schade kan [gedaagde partij] worden toegerekend in de omvang zoals deze door [eisende partij], gelet op het door hem in het geding gebrachte schaderapport, in voldoende mate is onderbouwd.

De door [eisende partij] gevorderde hoofdsom ad € 946,05 ligt voor toewijzing gereed evenals de rentevordering die [eisende partij] eerst per datum dagvaarding doet ingaan.

Naast genoemde brief van 11 november 2007 heeft [eisende partij] nog een brief van

27 december 2007 in het geding gebracht, waarin hij [gedaagde partij] aanspreekt tot vergoeding van de door hem geleden schade. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze twee brieven tezamen onvoldoende om daaruit te concluderen dat werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan. Daarmee is niet komen vast te staan dat de door [eisende partij] bedoelde werkzaamheden en kosten verder strekten dan de verrichtingen en kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv. een voorziening geven. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

[gedaagde partij] zal tot slot als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure dienen te dragen.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 946,05, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 591,42 waarvan te betalen aan [eisende partij] een bedrag van € 38,25 wegens het door hem betaalde gedeelte van het vastrecht en aan de Griffier van de Rechtbank € 553,17 die dit bedrag op de voet van art. 243 Rv zal verrekenen als volgt:

- € 88,42 voor kosten dagvaarding

- € 114,75 voor in debet gesteld vastrecht

- € 350,00 voor salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.