Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3117

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
03-703848-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-Promis- Vrijspraak witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703848-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 april 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte]

Raadsman is mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 april 2009, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het witwassen (dan wel schuldwitwassen) van geld.

In de tenlastelegging wordt verdachte met het woord “hij” aangeduid. Dit is onjuist, omdat verdachte een vrouw is. De rechtbank verbetert dit. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van € 156.000 heeft witgewassen als opbrengst uit een valselijk opgemaakte consignatie-overeenkomst tot de verkoop van kunstwerken, die in werkelijkheid niet in bezit van verdachte waren en die evenmin werkelijk zijn verkocht door verdachtes mededader [naam medeverdachte 3]] Verdachte wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman stelt dat er geen bewijs is dat er sprake is van geld van criminele herkomst. Het openbaar ministerie heeft geen onderzoek ingesteld naar de vermogenspositie van [naam verdachte] en/of haar ouders. Ook is er geen bewijs voor de stelling van de officier van justitie dat de kunstwerken nooit in bezit waren van verdachte en nooit zijn verkocht.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte geld heeft witgewassen. Evenmin acht de rechtbank schuldwitwassen bewezen.

De rechtbank zal hieronder eerst bespreken of er sprake is geweest van verhullen. Daarna zal de rechtbank nog ingaan op de herkomst van het geld.

Op 28 maart 2006 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van een persoon, genaamd [naam medeverdachte 1] in verband met de verdenking dat hij de Opiumwet had overtreden. In zijn woning is toen een congsignatie-overeenkomst aangetroffen op naam van [naam medeverdachte 1] en [naam handelsmaatschappij], vertegenwoordigd door [naam medeverdachte 3]] [naam medeverdachte 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam holding]. [naam Holding] is op haar beurt bestuurder van [naam Handels-Maatschappij B.V.] (verder te noemen: D.B.)

Volgens de aangetroffen overeenkomst gaf [naam medeverdachte 1] aan de [D.B.] opdracht werken van Miró te verkopen. Een soortgelijke overeenkomst had de politie al eerder aangetroffen in een andere strafzaak tegen de ex-partner van verdachte. Deze consignatie-overeenkomst d.d. 14 december 2001 staat op naam van verdachte en, wederom, [D.B.], vertegenwoordigd door [naam medeverdachte 3], en betreft de verkoop van 26 werken van Andy Warhol voor een bedrag van € 156.000.

Tijdens een verhoor op 19 februari 2004 heeft verdachte verklaard dat de handtekening onder de overeenkomst van haar is.

[naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij zeefdrukken van Warhol voor [naam verdachte] heeft verkocht. [naam verdachte] heeft voor deze verkoop provisie betaald. Verder heeft [naam medeverdachte 3] verklaard dat [naam verdachte] hem heeft gezegd dat zij de zeefdrukken van haar moeder heeft gekregen toen haar zus een bromfiets kreeg op haar zestiende verjaardag. Ter zitting heeft [naam verdachte] aangegeven dat dit verschil in waarde tussen de kado’s van haar en haar zus te verklaren is door het feit dat haar zus niet de biologische dochter is van haar vader.

Tijdens een doorzoeking in een kantoorpand van [naam medeverdachte 3] is een op schrift gestelde en ondertekende consignatie-overeenkomst van 9 mei 2002 aangetroffen op naam van [D.B.] en [naam medeverdachte 2]. Deze overeenkomst vermeldt de opdracht aan [D.B.] tot verkoop van een tweetal zeefdrukken van Andy Warhol voor een bedrag van € 25.000 per stuk.

[naam medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard de consignatie-overeenkomst te hebben getekend, omdat hij over contant geld beschikte dat hij wilde gebruiken voor een verbouwing van een bedrijfspand. Dit geld kon [naam medeverdachte 2] niet zo maar uitgeven, omdat hij bang was voor een controle door de belastingdienst. Om het geld toch legaal te kunnen uitgeven, benaderde [naam medeverdachte 2] begin oktober 2002 [naam medeverdachte 3], omdat [naam medeverdachte 2] wist dat [naam medeverdachte 3] mensen die zwart geld bezaten behulpzaam was geweest. [naam medeverdachte 2] heeft de twee kunstwerken nooit in zijn bezit gehad en nooit aan [naam medeverdachte 3] overgedragen om te verkopen. [naam medeverdachte 2] heeft vervolgens [naam medeverdachte 3] € 50.000 gegeven. Ongeveer een week later heeft [naam medeverdachte 3] volgens [naam medeverdachte 2] een bedrag van € 39.265,56 op de bankrekening van [naam medeverdachte 2] gestort. Het resterende bedrag hield [naam medeverdachte 3] volgens [naam medeverdachte 2] voor zichzelf als provisie.

De rechtbank acht, mede gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 2], de verklaring van [naam verdachte] ter zitting dat zij vanwege het ontbreken van een biologische band tussen haar zus en haar vader 26 werken van Warhol krijgt, terwijl haar zus slechts een brommer krijgt, ongeloofwaardig.

De rechtbank concludeert dat er door [naam medeverdachte 3] en verdachte documenten zijn opgemaakt, dan wel getekend, om de schijn te wekken dat verdachte via [naam medeverdachte 3] kunstwerken heeft verkocht.

De officier van justitie heeft gesteld dat deze constructie ertoe dient om geld wit te wassen. In de zaak [naam medeverdachte 1] is gebleken dat [naam medeverdachte 3] twee keer een bedrag van € 25.000 heeft overgemaakt naar de bankrekening van [naam medeverdachte 1]. Ook [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat geld op zijn rekening is gestort nadat hij het eerst contant gegeven had aan [naam medeverdachte 3]] Aannemelijk is, naar het oordeel van de rechtbank, dat ook in deze zaak de constructie is opgezet om de herkomst van geld te verhullen.

Echter, de rechtbank heeft in het dossier geen bankafschriften of andere stukken aangetroffen waaruit blijkt dat dergelijke betalingen per bank aan verdachte hebben plaatsgevonden.

Voor een bewezenverklaring van witwassen dient verder vast te staan dat het geldbedrag, waarvan de herkomst verhuld is, afkomstig is uit enig misdrijf.

Met betrekking tot de herkomst van het geld van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier is de rechtbank niet gebleken dat er enig strafbaar feit is gepleegd door [naam verdachte] waaruit een bedrag van € 156.000 verworven zou kunnen zijn. Ook het strafblad van verdachte en de HKD meldingen bieden geen aanknopingspunten voor het aannemen van een voorafgaand gepleegd misdrijf.

Verdachte heeft verklaard zelfstandig ondernemer te zijn. Niet is uit te sluiten, bij gebreke van stukken die inzicht verschaffen in de financiële positie van verdachte, dat verdachte het geld uit legale bron verworven heeft.

Al het vorenstaande leidt ertoe dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primaire en subsidiaire feit.

4 De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen als griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 april 2009.

Buiten staat

Mr. C.G.A. Wouters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van een voorwerp, te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (van in totaal ongeveer 156.000,- Euro), welk(e) hoeveelhe(i)d(en) geld voortvloeide(n) als opbrengst uit/resultaat van een consignatie-overeenkomst door hem, verdachte, op 14 december 2001 gesloten met [naam medeverdachte 3] in diens hoedanigheid van vertegenwoordiger van [D.B.], de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, was/waren of wie voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) (telkens) wist(en) dat voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van een voorwerp, te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (van in totaal ongeveer 156.000,- Euro), welk(e) hoeveelhe(i)d(en) geld voortvloeide(n) als opbrengst uit/resultaat van een consignatie-overeenkomst door hem, verdachte, op 14 december 2001 gesloten met [naam medeverdachte 3] in diens hoedanigheid van vertegenwoordiger van [D.B.], de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, was/waren of wie voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) redelijkerwijs moeste(n) vermoeden dat voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.