Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI2162

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
123930 / FA RK 07-1470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De onderhoudsplichtige [L] heeft als eerste en meest verstrekkende verweer met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 15 januari 2004, C-433/01 inzake Freistaat Bayern/Jan Blijdenstein (LJN: AU3041) opgeworpen dat de Nederlandse rechter in deze zaak geen internationale rechtsmacht toekomt. Volgens [ L] had hij in deze zaak dienen te worden opgeroepen voor het gerecht van zijn woonplaats, derhalve voor een Duits gerecht. Volgens de rechtbank slaagt dat verweer. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bijzondere bevoegdheid van artikel 5, tweede lid, van de EEX-Verordening niet van toepassing is op de vordering waarmee de gemeente besluit op [L] als onderhoudsplichtige verhaal in rechte te zoeken van mede ten behoeve van het minderjarige kind van [L] gemaakte kosten van bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 23 april 2009

Zaaknummer: 123930 / FA RK 07-1470

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven.

inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de gemeente,

zetelende te Kerkrade,

vertegenwoordigd door M.H.G.I. Lanslots-Theunissen

en:

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: [verweerder],

wonende te [adres verweerder],

advocaat mr. S.G.L. Bremen.

1. Verder verloop van de procedure

De rechtbank heeft op 16 juni 2008 een tussenbeschikking gegeven.

De gemeente heeft vervolgens bij brief met bijlagen van 18 juli 2008 gereageerd.

[verweerder] heeft op 13 november 2008 een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog gereageerd bij brieven (met bijlagen) van 21 januari 2009 en van 11 februari 2009.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 17 februari 2009.

2. Verdere beoordeling

Bij tussenbeschikking van 16 juni 2008 is de gemeente in de gelegenheid gesteld een vertaling van het verzoekschrift in de Duitse taal in het geding te brengen, teneinde daarna overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1348/ 2000, het verzoek hernieuwd aan [verweerder] te kunnen toezenden. Tevens is de gemeente in de gelegenheid gesteld een recent bewijs van inschrijving van [verweerder] over te leggen.

Vervolgens heeft de rechtbank het in de Duitse taal gestelde verzoekschrift met een in de Duitse taal gestelde begeleidende brief van 28 juli 2008 aan [verweerder] toegezonden.

De rechtbank volhardt bij hetgeen in de tussenbeschikking van 16 juni 2008 is overwogen.

Indien de persoon op wie de gemeente verhaal zoekt, nadat hem dat is medegedeeld, niet bereid is uit eigen beweging te betalen, kan de gemeente besluiten tot verhaal in rechte.

Tot 1 januari 2009 was dat zelfs een verplichting die volgde uit artikel 102 van de Algemene bijstandswet (Abw) in onderling verband en samenhang met artikel 13 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Verzoekschriften met betrekking tot verhaal in rechte werden ingevolge artikel 103 van de Abw overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingediend bij de rechtbank.

Sinds 1 januari 2009 is sprake van een bevoegdheid tot verhaal, die niet langer haar grondslag vindt in artikel 13 Invoeringswet Wet werk en bijstand, die per die datum is ingetrokken, maar in de artikelen 61 en volgende van de Wet werk en bijstand. Voor de onderhavige zaak doet dat verschil in benadering er verder niet toe.

Het op 29 oktober 2007 ingekomen verzoekschrift van de gemeente strekt tot verhaal in rechte op [verweerder] van de kosten van bijstand die de gemeente heeft moeten maken vanwege de mede ten behoeve van het kind van [verweerder] verstrekte bijstand.

[verweerder] op zijn beurt heeft in zijn op 13 november 2008 ter griffie ingekomen verweerschrift bepleit het verzoek van de gemeente af te wijzen.

Als eerste en meest verstrekkende verweer heeft [verweerder] met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 15 januari 2004, C-433/01 inzake Freistaat Bayern/Jan Blijdenstein (gepubliceerd LJN: AU3041 en NJ 2005, 411) opgeworpen dat de Nederlandse rechter in deze zaak geen internationale rechtsmacht toekomt. Volgens [verweerder] had hij in deze zaak dienen te worden opgeroepen voor het gerecht van zijn woonplaats, derhalve voor een Duits gerecht.

Daartegenover heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld, dat het verweer van [verweerder] dient te worden verworpen, nu het arrest van het HvJ EG waarop [verweerder] zich beroept in deze zaak geen toepassing kan vinden. Inzicht in haar gedachtegang heeft de gemeente hierbij niet gegeven.

Daarmee dient allereerst te worden bezien of voor de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak internatonale rechtsmacht heeft, een antwoord kan worden gevonden in de ter zake toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening). De EEX-Verordening is, voor de toenmalige lidstaten, waaronder Nederland en Duitsland, op 1 maart 2002 in werking getreden en is in communautaire zin de opvolger van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verdrag).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, vindt de EEX-Verordening toepassing in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Het heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, is zij niet van toepassing op:

[…]

c. de sociale zekerheid;

[…]

Het is vaste rechtspraak van het HvJ EG dat het begrip 'burgerlijke en handelszaken' in artikel 1 van het EEX-Verdrag autonoom moet worden uitgelegd en dat het verdrag niet van toepassing is op een geschil tussen een overheidsorgaan en een particulier, wanneer het overheidorgaan krachtens overheidsbevoegdheid heeft gehandeld (zie HvJ EG 14 oktober 1976, inzake Eurocontrol/ LTU, NJ 1982, 95 m.nt. JCS). De rechtspraak van het HvJ EG heeft na de inwerkingtreding van de EEX-Verordening, die op dit punt geen verschillen kent met het EEX-Verdrag, haar gelding behouden.

In verband hiermee is allereerst van belang dat het in deze zaak gaat om een geschil gerezen naar aanleiding van een besluit tot verhaal in rechte door een Nederlandse gemeente, de [verzoekster], tegen [verweerder], Duits staatsburger en ook woonachtig in Duitsland.

De gemeente heeft, toen duidelijk werd dat [verweerder] niet wenste te betalen, op voet van de artikelen 98, tweede lid, aanhef en onder a juncto artikel 103 van de Abw een daartoe strekkende verzoek ingediend teneinde langs die weg de bedragen te verhalen die zij in de vorm van sociale bijstand aan [A.], met wie [verweerder] een kortstondige affectieve relatie heeft gehad en uit welke relatie, naar tussen [A.] en [verweerder] vast staat, het kind van [verweerder] is geboren, mede ten behoeve van dat kind heeft uitgekeerd. [verweerder] heeft het kind, [D.], niet erkend en nooit omgang of enig ander contact met het kind gehad.

Bij vonnis van 14 september 1995 heeft de rechtbank [verweerder] veroordeeld om ten behoeve van de minderjarige [D.] met ingang van 1 december 1994 aan [A.] te betalen een bedrag van ƒ 250,- per maand. [verweerder] heeft in die procedure geen verweer gevoerd. Enig rechtsmiddel tegen het vonnis heeft hij evenmin aangewend. Vast staat wel dat de door [verweerder] deswege aan [A.] verschuldigde bedragen tot op de dag van vandaag steeds door hem zijn voldaan.

Sinds het arrest van het HvJ EG van 14 november 2002, C-271/00 inzake Steenbergen/ Baten (gepubliceerd in NJ 2003, 598) is het een uitgemaakte zaak dat het begrip 'burgerlijke zaak' als bedoeld in artikel 1, eerste alinea, van het EEX-Verdrag – en in het spoor daarvan de EEX-Verordening – aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op een verhaalsvordering door een Nederlandse verhaalsgerechtigde gemeente ingesteld ten aanzien van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 92 en volgende van de Abw en waarmee de gemeente verhaal zoekt voor de bedragen die zij uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd, voor zover de grondslag en de wijze van instellen van deze vordering worden beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht. Het HvJ EG heeft daaraan toegevoegd dat die regel uitzondering lijdt, wanneer de verhaalsvordering gebaseerd is op bepalingen, zoals in Nederland tot 1 januari 2009 artikel 92 van de Abw, waarmee de wetgever de gemeente een eigen recht heeft verleend. Alsdan moet worden aangenomen, zo volgt uit het arrest Steenbergen/ Baten, dat de vordering waarmee het overheidsorgaan verhaal zoekt, niet kan worden geacht te vallen onder het begrip 'burgerlijke zaak'.

Gelet op de criteria zoals die door het HvJ EG in het arrest Steenbergen/ Baten zijn geformuleerd, moet worden geconcludeerd dat ook in de onderhavige zaak sprake is van een besluit tot verhaal – een vordering, om in de woorden van het HvJ EG te blijven – die qua grondslag en wijze van instellen wordt beheerst door de regels van het gemene recht op het gebied van de onderhoudsplicht. Daarmee staat tevens vast dat sprake is van een 'burgerlijke zaak' als bedoeld in artikel 1, eerste alinea, van het EEX-Verdrag. De onderhavige zaak verschilt slechts in zoverre van de zaak Steenbergen/ Baten, dat de gemeente hier een verhaalsrecht uitoefent jegens de onderhoudsplichtige [verweerder] voor de bedragen die zij uit hoofde van sociale bijstand mede ten behoeve van het kind van [verweerder] aan de tot onderhoud gerechtigde [A.] heeft uitgekeerd en niet ten behoeve van een gescheiden echtgenote van de onderhoudsplichtige, wat [A.] nooit is geweest. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet af aan de conclusie dat de aard en de grondslag van de vordering van de gemeente op [verweerder] in wezen niet anders is dan de vordering waarvoor de Nederlandse gemeente Steenbergen verhaal zocht op de in België woonachtige Baten, terwijl ook in het onderhavige geval geldt dat de vordering overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor de civiele rechter moet worden gebracht. Daar komt bij dat de gemeente [verweerder] door middel van het besluit tot verhaal weliswaar tot betaling kan aanspreken, maar deze niet dwingend kan opleggen. Betaalt [verweerder] niet, wat hier het geval is, dan kan de gemeente alleen nog in rechte optreden, waardoor [verweerder], desgewenst, in de gelegenheid wordt gebracht zich te verweren en in voorkomend geval ook het bestaan van de onderhoudsplicht of de hoogte daarvan te betwisten.

De rechtbank voegt hieraan toe dat hierbij niet van belang is, hoe de bijstandsuitkering die aan [A.] is verstrekt, dient te worden gekwalificeerd. Die uitkering en de rechtsbetrekking waarop zij berust is in deze zaak immers niet het voorwerp van het geschil, maar slechts het uitgangspunt voor het besluit van de [verzoekster] om bij [verweerder] verhaal te zoeken voor de bedragen die aan [A.] mede ten behoeve van het minderjarige kind van [verweerder] in de vorm van sociale bijstand zijn verstrekt. Dat maakt de rechtsbetrekking tussen de [verzoekster] en [verweerder] van een geheel andere orde dan die tussen de gemeente en [A.].

Onder die omstandigheden kan niet met succes worden volgehouden dat de [verzoekster], toen zij op grond van artikel 92 en volgende van de Abw verhaal in rechte zocht jegens [verweerder] voor de bedragen die zij uit hoofde van sociale bijstand aan [A.], mede ten behoeve van het kind van [verweerder] en [A.] had uitgekeerd, krachtens een eigen overheidsbevoegdheid handelde. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het geschil dat voortspruit uit het besluit waarmee de gemeente jegens [verweerder] verhaal in rechte zoekt, valt onder het begrip 'burgerlijke zaak' als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de EEX-Verordening.

Hieruit volgt dat de EEX-Verordening in de onderhavige zaak slechts dan niet in materiele zin van toepassing is, indien moet worden geoordeeld dat het begrip 'sociale zekerheid' in de zin van artikel 1, tweede lid, aanhef en sub c, van de EEX-Verordening ook omvat een besluit tot verhaal in rechte waarmee een overheidslichaam op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd. Ook daarover heeft het HvJ EG in het arrest Steenbergen/ Baten zijn licht laten schijnen, waarbij het HvJ EG heeft geput uit een tweetal rapporten (de rapporten Jenard en Schlösser). In die rapporten wordt ervan uitgegaan dat de uitsluiting van de sociale zekerheid van het toepassingsgebied van het EEX-Verdrag slechts betreft de geschillen die voortkomen uit de betrekkingen tussen de administratie en werkgevers of werknemers. Deze rapporten voegen hieraan toe dat het EEX-Verdrag wél van toepassing is wanneer het overheidsorgaan een regresrecht uitoefent tegen een derde die aansprakelijk is voor de schade of jegens deze derde is gesubrogeerd in de rechten van een door haar verzekerd slachtoffer, omdat zij in zulke gevallen optreedt overeenkomstig de bepalingen van het gemene recht. In dat licht beschouwd heeft het HvJ EG vervolgens geconcludeerd dat het begrip 'sociale zekerheid' niet omvat de vordering tot verhaal waarmee een overheidsorgaan volgens de regels van het gemene recht op een particulier verhaal zoekt voor de bedragen die het uit hoofde van sociale bijstand aan de gescheiden echtgenoot en het kind van deze persoon heeft uitgekeerd. Er valt geen enkele grond te bedenken waarom daar anders over moet worden gedacht in het onderhavige geval waarin [A.] niet de gescheiden echtgenoot van [verweerder] is, maar een gewezen partner.

Een en ander betekent dat het antwoord op de door [verweerder] opgeworpen vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak internationale rechtsmacht toekomt, moet worden gezocht in de ter zake toepasselijke bepalingen van de EEX-Verordening.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de EEX-Verordening kunnen degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk (artikelen 5 tot en met 24) gegeven regels.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [verweerder] woonplaats heeft in Hamburg, Duitsland. Dat betekent dat [verweerder] door de [verzoekster] slechts voor de rechtbank in Nederland kan worden opgeroepen indien een van de artikelen 5 tot en met 24 van de EEX-Verordening daartoe de bevoegdheid schept.

Naast de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 kent de EEX-Verordening in artikel 5, tweede lid, een alternatieve bevoegdheidsgrondslag, die bepaalt, voor zover hier van belang, dat een persoon die woonplaats heeft in een andere lidstaat, zoals in dit geval [verweerder] in Duitsland, ten aanzien van onderhoudsverplichtingen (ook) kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft. Uit de bewoordingen van artikel 5, tweede lid, van de EEX-Verordening blijkt dat deze bepaling van toepassing is ten aanzien van onderhoudsverplichtingen. Zij vermeldt daarentegen niets omtrent de persoon die eiser kan zijn. Dat alles roept de vraag op of artikel 5, tweede lid, van de EEX-Verordening een zo ruim toepassingsgebied heeft dat het zich ook uitstrekt tot procedures zoals de onderhavige, waarin niet de tot onderhoud gerechtigde [A.] persoonlijk, maar het vanwege de aan [A.] verstrekte sociale bijstandsuitkering verhaal zoekende overheidsorgaan eiser is.

De vraag of artikel 5, tweede lid, van het EEX-Verdrag van toepassing is in geval van een door een overheidsorgaan aanhangig gemaakte verhaalsvordering is aan de orde geweest in het door [verweerder] aangehaalde arrest van het HvJ EG van 15 januari 2004, C-433/01 inzake Freistaat Bayern/ Jan Blijdenstein (gepubliceerd in NJ 2005, 411). Daarbij heeft het HvJ EG als uitgangspunt vooropgesteld dat de afwijking bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het EEX-Verdrag tot doel heeft, degene die onderhoud vordert en die in een dergelijke procedure als de zwakste partij wordt beschouwd, een alternatieve bevoegdheidsgrondslag te bieden. Hierbij zijn de auteurs van het EEX-Verdrag er volgens het HvJ EG van uitgegaan, dat deze specifieke doelstelling zwaarder moet wegen dan die welke door de regel van artikel 2, eerste alinea, van het EEX-Verdrag wordt nagestreefd, namelijk het beschermen van de verweerder, die gewoonlijk de zwakste partij is omdat hij degene is tegen wie de vordering wordt ingesteld.

Een overheidsorgaan dat een regresvordering aanhangig maakt tegen degene die onderhoud verschuldigd is, bevindt zich echter niet in een zwakke positie ten opzichte van deze laatste. Bovendien is geen sprake meer van een precaire financiële situatie van de tot onderhoud gerechtigde, aangezien diens behoeften zijn gedekt door de sociale bijstand die door dat overheidsorgaan zijn verstrekt. Volgens het HvJ EG mag daaruit worden afgeleid dat, wanneer de tot onderhoud gerechtigde de steun heeft verkregen waarop hij aanspraak kon maken, er geen grondslag meer bestaat om degene die onderhoud verschuldigd is, [verweerder] in dit geval, de door artikel 2 van het EEX-Verdrag geboden bescherming te ontzeggen, vooral nu het gerecht van de woonplaats van de verweerder de draagkracht van deze laatste het best kan beoordelen.

Voor die uitleg heeft het HvJ EG bovendien steun aangetroffen in eerdervermeld rapport Schlösser over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk tot het Executieverdrag. Volgens dit rapport "is het niet de bedoeling van de speciale bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 2, om voor regresvorderingen de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde of zelfs van de overheid te baseren - ongeacht welk van beide technieken men in een bepaald recht heeft gekozen".

Een en ander heeft het HvJ EG in zijn arrest van 15 januari 2004 tot de conclusie gebracht dat artikel 5, tweede lid van het EEX-Verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat het niet kan worden ingeroepen door een overheidsorgaan, dat via een regresvordering de bedragen terugvordert die het uit hoofde van sociale bijstand krachtens de Abw heeft verstrekt aan de tot onderhoud gerechtigde, in wiens rechten het is gesubrogeerd en dat alleen de tot onderhoud gerechtigde beroep kan doen op de daarin bedoelde bijzondere bevoegdheid.

Derhalve moet ook in deze zaak worden geconcludeerd dat de bijzondere bevoegdheid van artikel 5, tweede lid, van het EEX-Verdrag, en in het spoor daarvan artikel 5, tweede lid, van de ter zake toepasselijke EEX-Verordening, niet van toepassing is op de vordering waarmee een overheidsorgaan zoals in dit geval de [verzoekster], dat steun heeft verstrekt aan [A.] als behoeftige en is gesubrogeerd in diens onderhoudsvordering jegens een derde, in dit geval [verweerder], besluit verhaal in rechte te zoeken op de onderhoudsplichtige derde.

Daarmee staat vast dat [verweerder] ter zake het door de gemeente gezochte verhaal in rechte van mede ten behoeve van het kind van [verweerder] gemaakte kosten van bijstand, slechts kan worden opgeroepen voor de gerechten in Duitsland. [verweerder] heeft daarin het gelijk aan zijn zijde en het door hem als eerste opgeworpen verweer dat de rechtbank in deze zaak geen internationale rechtsmacht toekomt, heeft [verweerder] derhalve met succes voorgesteld.

Dientengevolge dient de rechtbank Maastricht zich onbevoegd te verklaren.

3. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart zich (internationaal) onbevoegd kennis te nemen van het door de [verzoekster] ingediende verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, tevens voorzitter, mr. R.E. Bakker en mr. L.M.I.A. Bregonje, rechters, allen tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2009 in tegenwoordigheid van H.P. Thevissen als griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.