Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI1360

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 998
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid. Dringende reden voor ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08 / 998

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[eiser],

wonend te Brunssum, eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

vestiging Groningen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 mei 2008

Kenmerk: B&B 236.0024.16V E.J.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 3 maart 2009 plaatsgehad.

Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker, werkzaam bij verweerder.

2. Overwegingen

Voor de feiten verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 3 februari 2009, kenmerk 08/1090 AW.

Eiser is vanaf 1 april 1984 werkzaam geweest als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie (hierna: de werkgever). Eiser is vanaf 1 juli 2006 boventallig verklaard en hij heeft een herplaatsingstraject gevolgd.

Eiser is in september 2007 veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en tevens tot 180 uur werkstraf, wegens het smokkelen van harddrugs. De veroordeling is op 26 september 2007 onherroepelijk geworden.

De werkgever heeft bij besluit van 25 oktober 2007 eiser bij wijze van disciplinaire straf per 1 november 2007 ontslag verleend. De werkgever heeft bij besluit op bezwaar van 29 mei 2008 zich op het standpunt gesteld dat het ontslag primair wordt gebaseerd op het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder e, van het Burgerlijke ambtenaren reglement defensie (Bard) en subsidiair op artikel 99 van het Bard. De werkgever heeft het zich schuldig maken aan een ernstig drugsvergrijp als ontslagwaardig gekwalificeerd. Door de onherroepelijk geworden veroordeling vanwege een misdrijf in de zin van de Opiumwet is eveneens aan de vereisten voldaan voor toepassing van de ontslaggrond als bedoeld in artikel 121, eerste lid, onder e, van het Bard.

Tegen het besluit van 29 mei 2008 heeft eiser beroep ingesteld en bij uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009, procedurenummer 08/1100 AW, is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in genoemde uitspraak geoordeeld dat de op 26 september 2007 onherroepelijk geworden veroordeling tot gevangenisstraf wegens het plegen van een misdrijf tot gevolg heeft dat verweerder bevoegd was tot ontslagverlening op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder e van het Bard en dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Naar aanleiding van een aanvraag van eiser van 22 november 2007 om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft verweerder deze uitkering met ingang van 1 november 2007 blijvend geheel geweigerd omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

Eiser heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt en verweerder heeft met het thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden omdat aan het ontslag per 1 november 2007 een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag ligt. Volgens verweerder levert het feit dat eiser is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en 180 uur werkstraf wegens het smokkelen van drugs voor de werkgever een dringende reden op voor ontslag op staande voet.

Ten aanzien van de door eiser gestelde onbekendheid met het beleid ten aanzien van drugs en handel in drugs geeft verweerder aan dat behalve dat aan het drugsbeleid door Defensie ruime bekendheid is gegeven het duidelijk mag zijn dat het smokkelen van drugs maatschappelijk niet aanvaard is. Indien bij eiser over het drugsbeleid gerede twijfel bestond dan had het op de weg van eiser gelegen zich daarover te laten informeren. Verweerder wijst er op dat op internet de nodige informatie kan worden verkregen over het drugsbeleid.

Volgens verweerder blijkt uit onderdeel 1.3 van de Aanwijzing SG A/925 dat het drugsbeleid zowel voor het militair als het burgerpersoneel geldt en verweerder acht de stelling van eiser dat slechts sprake is van onwenselijk gedrag dat geen reden oplevert voor ontslag op staande voet niet de juiste interpretatie van onderdeel 1.3. van de Aanwijzing SG A/925.

Verweerder is van mening dat het belang van de werkgever is geschaad omdat eiser formeel nog bij de werkgever in dienst was. Verweerder heeft geen reden gezien om de sanctie te matigen.

Eiser betwist het standpunt van verweerder dat bij de werkgever ruime bekendheid is gegeven aan het drugsbeleid binnen de werkgever.

Eiser vindt het onzorgvuldig dat verweerder geen consequenties heeft verbonden aan het, door verweerder niet betwiste, verschil tussen handelen van militairen en burgers. Volgens eiser geeft verweerder een onjuiste uitleg aan onderdeel 1.3 van de Aanwijzing SG A/925.

Eiser vindt het tevens onzorgvuldig dat verweerder bij de besluitvorming volledig voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat eiser ten tijde van het overtreden van de Opiumwet al meer dan één jaar vrijgesteld was van dienst, dat zijn ontslagdatum al vaststond en dat eiser geen enkele bemoeienis, behoudens het op de loonlijst staan, meer had met de werkgever.

Eiser acht het eveneens onzorgvuldig dat verweerder niet heeft aangegeven welk belang van de werkgever is geschaad.

Eiser is gelet op het voorgaande van mening dat de veroordeling voor een overtreding van de Opiumwet geen zodanig misdrijf oplevert waardoor de werknemer het vertrouwen van de werknemer onwaardig wordt zodat geen sprake is van een dingende reden.

De vraag is of verweerder op goede gronden heeft besloten om eiser geen WW-uitkering toe te kennen vanwege verwijtbare werkloosheid.

In artikel 24, eerste lid onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

In artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

In artikel 678, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

In artikel 678, tweede lid onder d, van Boek 7 van het BW is bepaald dat dringende redenen onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich op 18 februari 2009 in meerdere zaken uitgesproken over het sinds 1 oktober 2006 gewijzigde artikel 24, tweede lid van de WW (onder meer LJN BH 2387). De CRvB heeft onder meer overwogen dat, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van het gewijzigde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW een materiële beoordeling dient plaats te vinden voor de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij zijn de artikelen 678 en 677 van Boek 7 van het BW van belang. De CRvB geeft aan deze artikelen in het kader van de WW geen andere toepassing dan de Hoge Raad. Volgens de CRvB is hiermee de uitkomst van de hantering van die maatstaf echter nog niet gegeven en zal steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld of de gedraging voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Volgens de CRvB behoren tot de elementen die moeten worden gewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

Vast staat dat eiser ten tijde van zijn dienstverband is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf (waarvan drie voorwaardelijk) en 180 uur werkstraf wegens het smokkelen van harddrugs, welke veroordeling op 26 september 2007 onherroepelijk is geworden.

Voor de werkgever is dit aanleiding geweest om het dienstverband te beëindigen. Bij uitspraak van 3 februari 2009 heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar inzake het ontslag ongegrond verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eiser is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en 180 uur werkstraf wegens het smokkelen van harddrugs zodanige ernstige twijfel aan de betrouwbaarheid en integriteit van eiser, ook al was eiser feitelijk niet meer werkzaam, bij de werkgever heeft opgeroepen, dat eiser het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit een dringende reden als bedoeld in artikel 678, tweede lid, onder d, van Boek 7, van het BW in verbinding met artikel 678, eerste lid, van Boek 7, van het BW voor ontslag opgeleverd.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan onderdeel 1.3. van de Aanwijzing SG A/925.

Ten aanzien van de grond dat verweerder niet heeft aangegeven welk belang van de werkgever is geschonden merkt de rechtbank het volgende op. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat het belang van de werkgever is geschaad omdat eiser nog formeel in dienst was. De rechtbank is van oordeel dat uit dit laatste kan worden afgeleid dat verweerder daarmee heeft bedoeld te zeggen dat zolang sprake is van een dienstverband de werkgever een belang heeft bij de betrouwbaarheid en integriteit van het personeel. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Ten aanzien van de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden, te weten dat hij wegens het herplaatsingstraject geen werkzaamheden meer verrichtte en alleen nog op de loonlijst stond, merkt de rechtbank op dat tot 1 juli 2008 nog sprake was van een dienstverband, als gevolg waarvan ook door een herplaatsingskandidaat als eiser aan de voor een ambtenaar geldende regels diende te worden voldaan en dat bekend dient te worden verondersteld dat die regels bij een ministerie als dat van de werkgever stringenter zijn dan elders.

Gelet op de aard en de ernst van de gedraging, in samenhang bezien met de aard van het dienstverband, waarbij de rechtbank in onderhavige zaak omstandigheden als de duur van het dienstverband en de leeftijd van eiser van minder belang acht, is de rechtbank van oordeel dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden als gevolg van een dringende reden.

De vraag is vervolgens of eiser een verwijt kan worden gemaakt van de gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de ter beschikking staande gegevens

niet kan worden gesteld dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt van het gebeurde.

De stelling van eiser dat het drugsbeleid van de werkgever hem niet bekend was, waarbij de rechtbank opmerkt dat van een werknemer mag worden verwacht dat hij op de hoogte dient te zijn van het (drugs)beleid bij de werkgever, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om aan te nemen dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser dan ook verwijtbaar werkloos geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, juncto artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW.

In artikel 27, eerste lid, van de WW is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onder a opgelegd, niet is nagekomen, het UWV de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

Verweerder heeft aangegeven dat er geen redenen zijn om de overtreding niet aan eiser in overwegende mate te verwijten. Verweerder heeft de uitkering dan ook blijvend geheel geweigerd.

Het is de rechtbank evenmin gebleken dat het niet nakomen van de verplichting eiser niet in overwegende mate kan worden verweten.

Gelet op artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van R.G. Willems-Cremers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2009.

w.g. R.G. Willems-Cremers w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 9 april 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.