Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI1137

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
301432 CV EXPL 08-3110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Belgische Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer vordert een 'toeslag' van een in Nederland woonachtige man die zich zonder vervoersbewijs op een Brussels metrostation in de zogenoemde gecontroleerde zone heeft bevonden. Eerst na gewezen tussenvonnis heeft eiseres het burgerrechtelijk karakter van haar vordering voldoende aangetoond. De noodzakelijke civielrechtelijke elementen om de vordering te kunnen toewijzen ontbreken echter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 301432 CV EXPL 08-3110

typ: RK

Vonnis d.d. 15 april 2009

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Belgisch recht DE MAATSCHAPPIJ VOOR INTERCOMMUNAAL VERVOER,

gevestigd en kantoorhoudend te Brussel (België)

eisende partij,

gemachtigde: M.P.J. Buys, deurwaarder te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland

tegen:

[gedaagde],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. ing. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het eerdere procesverloop wordt verwezen naar het op 3 december 2008 gewezen tussenvonnis.

Ter voldoening aan dit tussenvonnis heeft eiseres ter rolzitting van 24 december 2008 een akte genomen met twaalf meervoudige producties (genummerd 7 tot en met 18) in fotokopievorm ter nadere onderbouwing van haar vordering.

Gedaagde heeft vervolgens ter rolzitting van 21 januari 2009 bij antwoordakte zijn verweer nader onderbouwd.

Daarna is wederom vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is vastgesteld op heden.

MOTIVERING

Voor wat betreft de inhoud van het gevorderde, het tot dusver gevoerde verweer en de voorlopige beoordeling aan de hand van de tot dan toe vastgestelde feiten wordt verwezen naar het voornoemde tussenvonnis van 3 december 2008, waarbij ten volle wordt volhard.

De ter rolzitting van 24 december 2008 ingebrachte akte is kennelijk afkomstig van een andere auteur dan het exploot van dagvaarding en de conclusie van repliek (de akte is niet ondertekend en bevat geen logo van deurwaarder Buys), doch zal wel aan eiseres worden toegerekend. Terzijde merkt de kantonrechter op dat de akte ten onrechte (ook) ingaat op het ‘Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van sommige exploitatievoorwaarden van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’, zoals dat op 1 februari 2008 van toepassing werd; dit is irrelevant, omdat de onderhavige gedraging daarvóór plaatsvond.

Dat in het tussenvonnis ‘verkeerdelijk’ zou zijn verwezen naar de toepassing van artikel 34 sub 10 van het Reglement, zoals eiseres in de akte van 24 december 2008 onder punt 5 betoogt, komt de kantonrechter onbegrijpelijk voor, nu eiseres in haar repliek onder punt 4 zelf naar dat artikellid verwees als zijnde de geschonden norm. Dat de betreffende beëdigde ambtenaar in zijn proces-verbaal uitsluitend artikel 35 sub (volgens eiseres: lid) 3 van het Reglement noemt, maakt dit niet anders, nog daargelaten dat gedaagde bezwaarlijk als ‘reiziger’ (met een contractuele relatie ten opzichte van eiseres) kan worden bestempeld. Eiseres heeft immers het relaas van gedaagde, inhoudende dat hij een vriend naar de trein bracht, niet betwist. Indien eiseres thans uitsluitend nog de schending van artikel 35 sub 3 van het Reglement, dat onder Titel II, hoofdstuk II ‘Verplichtingen van de reizigers’ valt (en dus niet van artikel 34 sub 10, dat valt onder Titel II, hoofdstuk I ‘Verplichtingen van het publiek in het algemeen’), aan haar vordering ten grondslag zou leggen, zou de vordering naar alle waarschijnlijkheid reeds op dat punt stranden. De kantonrechter zal er van uitgaan dat eiseres ook thans nog de schending van artikel 34 sub 10 van het Reglement aan haar vordering ten grondslag legt.

De akte van 24 december 2008 en de daaraan gehechte producties maken wel duidelijk dat er verschil is tussen een administratieve geldboete enerzijds en toeslagen anderzijds, ook voor de te volgen berechtingswijze. Ingevolge artikel 18 van de van toepassing zijnde ‘Ordonnantie betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest’ is ‘de Regering’ bevoegd om het bedrag te bepalen van de “toeslag”, én is zij gemachtigd gedragingen tot administratieve overtredingen te bestempelen (“verheffen”) waarop een administratieve boete wordt gesteld.

Onder punt 11 van de op 24 december 2008 genomen akte stelt eiseres zich expliciet op het standpunt dat het in het onderhavige geval niet gaat om een administratieve boete maar om een ‘toeslag’, met een burgerrechtelijk karakter. Eiseres stelt dat een dergelijke toeslag niet alleen dient om zwartrijders af te schrikken, doch ook ‘om de uiteraard zeer hoge kosten te bestrijden van de controles en verliezen die aan hen te wijten zijn’. De door eiseres hierdoor geleden schade wordt forfaitair begroot aan de hand van het systeem van de toeslagen en op de ‘beklaagde’ verhaald. Hiermee heeft eiseres, zij het pas na het tussenvonnis van 3 december 2008, het civielrechtelijke karakter van de onderhavige vordering (alsnog) voldoende aangetoond. De kantonrechter acht zich om die reden bevoegd om van de onderhavige zaak kennis te nemen.

Dat wil echter nog niet zeggen dat de vordering daarmee voor toewijzing in aanmerking komt. Daarvoor is zelfs na afronding van het in drie procesronden gevoerde debat de civielrechtelijke grondslag van de vordering nog steeds veel te weinig uitgewerkt. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een overeenkomst, terwijl een (succesvol) beroep op een verbintenis uit onrechtmatige daad gestoeld moet zijn op alle daarvoor noodzakelijke elementen, en eiseres in dat kader onvoldoende bijkomende civielrechtelijk relevante feiten heeft gesteld. De enkele stelling dat de ‘toeslag’ (ook) dient om kosten te bestrijden van controles en verliezen die aan zwartrijders te wijten zijn, is onvoldoende om een civielrechtelijke aansprakelijkheid van gedaagde te kunnen vaststellen. Daarmee heeft eiseres niet voldaan aan haar gemotiveerde stelplicht ten aanzien van essentialia als onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, aard, omvang en berekeningswijze van de schade alsmede causaal verband tussen gedraging en schade met inachtneming van de Schutznorm (relativiteit). De vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot de datum van dit vonnis begroot op € 90,00 aan salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier.