Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI0653

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
325156 EJ EXPL 09-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder, bij verzoeker werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur, heeft op 16 januari 2009 een beëindigingsovereenkomst ondertekend. Nadat hij werkgever mededeelt dat die overeenkomst niet overeenkomstig de daarvoor geldende richtlijnen is tot stand gekomen en werkgever hem desondanks aan die overeenkomst houdt, dagvaardt werknemer werkgever in kort geding en vraagt loondoorbetaling en smartengeld.

Werkgever dient een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in. In zijn verweerschrift tegen dit voorwaardelijk verzoek, stelt werknemer een zelfstandig verzoek in en vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst tegen een vergoeding van € 75.000,-- op grond van zijn stelling dat werkgever ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld tijdens een incident [mishandeling], dat op 4 november 2008 bij de werkgever heeft plaatsgevonden en waarvan werknemer – kort na 16 januari 2009 – alsnog aangifte bij de politie heeft gedaan.

In kort geding wordt beslist dat het hoogst waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure zal worden beslist dat de beëindigingsovereenkomst geen stand houdt.

Ter zake het voorwaardelijk verzoek wordt overwogen dat deze kantonrechter relatief niet bevoegd is en dat de zaak worden verwezen naar de bevoegde kantonrechter in Venlo, als de eindbeslissing op het tegenverzoek van werknemer wordt gegeven. In dat tegenverzoek van de werknemer wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden, maar wordt de beslissing ter zake de verzochte vergoeding aangehouden totdat de verbalisanten die het proces-verbaal van de aangifte hebben opgemaakt als getuigen gehoord zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/repnr: 325156 EJ VERZ 09-764

typ: LD

coll:

beschikking van de kantonrechter d.d. 9 april 2009

inzake

de besloten vennootschap [verzoekende partij],

gevestigd te [adres],

verzoekende partij, verder te noemen: [verzoekende partij],

gemachtigde: mr. H.T.M. Bartels te Geleen,

contra:

[verweerder],

wonende te [adres],

verwerende partij, verder te noemen: [verweerder],

toevoegingsnummer: [nummer] afgegeven d.d. 26 februari 2009,

gemachtigde: mr. B.P.W. van Brink te Venlo.

1. Verloop van de procedure

[verzoekende partij] heeft op 17 februari 2009 een voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:685 BW ingediend en daarbij producties overgelegd.

[verweerder] heeft op 26 maart 2009 een verweerschrift met producties ingediend. In dit verweer schrift heeft hij ook een zelfstandig verzoek verwoord.

De inhoud van deze stukken, alsmede de inhoud van de overige stukken, waaronder de aantekeningen van de mondelinge behandeling op donderdag 2 april 2009, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2. De feiten

2.1

[verweerder], geboren op [1947], is op 6 augustus 2007 voor bepaalde tijd (één jaar) als internationaal chauffeur bij [verzoekende partij] in dienst getreden. Per 6 augustus 2008 is de arbeidsovereenkomst voortgezet. Dit wederom voor de duur van één jaar. [verweerder] heeft gesteld dat zijn laatstelijk verdiende vast salaris € 1.994,48 bruto per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag en exclusief dertiende maand (zijnde 1/12 deel = € 166,21 exclusief vakantietoeslag) heeft bedragen en dat hij daarnaast structureel € 1.212,80 bruto exclusief vakantietoeslag per vier weken aan overwerk heeft genoten. Het totale inkomen per vier weken is dan volgens [verweerder] € 3.643,37 inclusief vakantietoeslag per vier weken ofwel € 3.946,99 bruto per maand.

2.2

[verweerder] heeft op 16 januari 2009 een door [verzoekende partij] opgestelde beïndigingsovereenkomst ondertekend. In deze overeenkomst is bepaald dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt per 11 februari 2009.

2.3

Per e-mailbericht van 27 januari 2009 heeft [verweerder] [verzoekende partij] medegedeeld dat hij betreffende de op 16 januari 2009 ondertekende beëindigingsovereenkomst, contact heeft opgenomen met FNV Bondgenoten. Hij stelt in zijn bericht dat FNV Bondgenoten hem heeft laten weten dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig en niet conform de CAO is.

[verweerder] deelt voorts mede dat hij bij DAS rechtsbijstand verzekerd is en dat DAS hieromtrent met [verzoekende partij] contact zal opnemen.

[verweerder] laat [verzoekende partij] via deze e-mail verder nog weten dat hij vanaf 19 januari 2009 ziek is.

2.4

De gemachtigde van [verweerder] heeft bij brief van 9 februari 2009 betreffende de beëindigingsovereenkomst waarin is gesteld dat partijen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd, aan [verzoekende partij] medegedeeld dat [verweerder] zich aan die overeenkomst niet gebonden acht omdat die is tot stand gekomen in strijd met hetgeen een goed werkgever betaamt. Hij sommeert [verzoekende partij] per 13 februari 2009 schriftelijk te bevestigen dat de beëindigingsovereenkomst van 16 januari 2009 geen waarde toekomt en dat het dienstverband met [verweerder] zal voortduren totdat dit rechtsgeldig is beëindigd. Hij verzoekt in die brief tevens om te bevestigen dat [verzoekende partij] de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst volledig zal nakomen.

2.4

[verzoekende partij] heeft geen gehoor aan die sommatie gegeven.

[verweerder] heeft hierop [verzoekende partij] op 13 maart 2009 onder zaaknummer 327094 in kort geding gedagvaard en in die procedure – kort gezegd – gevorderd om [verzoekende partij] te veroordelen tot doorbetaling van loon met alle emolumenten en om [verzoekende partij] te veroordelen om het bedrag van € 2.500,-- aan smartengeld aan [verweerder] te betalen.

3. De verzoeken

3.1

[verzoekende partij] verzoekt in deze procedure voor het geval zou komen vast te staan dat via de beëindigingsovereenkomst van 16 januari 2009 geen rechtsgeldige beëindiging per 13 februari 2009 is tot stand gekomen, om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op zo kort mogelijke termijn te ontbinden. Een en ander zonder toekenning van enige vergoeding en onder veroordeling van [verweerder] in de kosten van dit geding.

3.2

[verweerder] heeft in zijn verweer tegen dit voorwaardelijk verzoek voorop gesteld dat de in de locatie Heerlen zetelende kantonrechter van de rechtbank Maastricht onbevoegd is van dit verzoek kennis te nemen en daarover te beslissen. [verweerder] heeft vervolgens het verzoek inhoudelijk betwist.

[verweerder] heeft zelfstandig verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen hem en [verzoekende partij] te ontbinden met ingang van 1 juni 2009 – althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum – onder toekenning van een door [verzoekende partij] aan [verweerder] te betalen vergoeding van € 75.000,--.

3.3

[verzoekende partij] heeft dit verzoek gemotiveerd weersproken.

4. De beoordeling

4.1 Het voorwaardelijk verzoek

4.1.1

[verweerder] heeft aangevoerd dat de kantonrechter van de rechtbank Maastricht, locatie Heerlen niet relatief bevoegd is kennis te nemen van het door [verzoekende partij] voorwaardelijk ingediend verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft hiertoe gesteld dat de plaats waar hij de arbeid voor [verzoekende partij] verricht geen enkele relatie heeft met het kanton Heerlen. Hij komt hooguit twee keer per week in Hoensbroek. Een keer wanneer hij de vrachtwagen terugbrengt en documenten van de vrachten inlevert en dan weer wanneer hij de wagen aan het begin van de nieuwe werkweek ophaalt om nieuwe vrachtopdrachten te gaan uitvoeren. Als internationaal chauffeur zit hij het overgrote deel van de week her en der in Europa. Er komen ook weekenden voor dat hij helemaal niet in Hoensbroek langs gaat. Dat is het geval wanneer hij de opdrachten en instructies per web-carrier ontvangt.

4.1.2

[verzoekende partij] betwist dat deze kantonrechter niet bevoegd zou zijn. [verzoekende partij] stelt dat [verweerder] vanuit de standplaats Hoensbroek zijn werkzaamheden verricht. In het licht hiervan stelt zij dat in artikel 262 Rv is bepaald dat in geval het een verzoekschriftprocedure betreft (ook) de rechter van de woonplaats van verzoeker bevoegd is, tenzij de wet anders bepaalt. Nu in artikel 7:685 lid 3 BW is bepaald dat de rechter van de plaats waar de arbeid wordt verricht mede bevoegd is en dit artikel dus niet anders bepaalt, acht [verzoekende partij] deze kantonrechter bevoegd van haar verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.

4.1.3

Zoals door partijen is aangegeven is ingevolge het bepaalde in artikel 7:685 lid 3 BW juncto de artikelen 99 en 100 Rv relatief bevoegd de kantonrechter van de woonplaats van de verweerder. Mede bevoegd is de kantonrechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht.

[verweerder] woont in [woonplaats]. [woonplaats] ligt binnen het rechtsgebied van de sektor kanton, locatie Venlo van de rechtbank Roermond. Gelet op hetgeen partijen ter zake het werk dat [verweerder] verricht ter zitting hebben verklaard, moet worden aangenomen dat [verweerder] zijn werk in elk geval niet gewoonlijk verricht in de nabijheid van de vestigingsplaats van zijn werkgever en dus ook buiten het rechtsgebied van de sector kanton, locatie Heerlen van de rechtbank Maastricht. Hieruit volgt dat de kantonrechter in de locatie Heerlen relatief onbevoegd is kennis te nemen van het voorwaardelijk verzoek van [verzoekende partij]. Dit onderdeel van deze procedure wordt derhalve op de voet van het bepaalde in artikel 99 juncto 270 lid 1 Rv verwezen naar de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo.

4.2 Het zelfstandig tegenverzoek

4.2.1

Het door [verweerder] tegen [verzoekende partij] aangespannen kort geding met zaaknummer 327086 is tegelijk met het door [verzoekende partij] ingediende voorwaardelijk verzoek en het door [verweerder] ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst behandeld.

In de kort geding procedure is, voor zover van belang voor deze procedure, beslist dat de loonvorderingen worden toegewezen. De onderliggende motivering is dat aangenomen moet worden dat in een eventuele bodemprocedure komt vast te staan dat de beëindigingsovereenkomst die [verzoekende partij] [verweerder] op 16 januari 2009 heeft laten ondertekenen geen stand zal houden en het dienstverband dus onverkort is blijven voortbestaan.

4.2.2

[verweerder] heeft zijn verzoek gegrond op gewijzigde omstandigheden in de vorm van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie, welke volgens hem geheel en al te wijten is aan [verzoekende partij]. Dit maakt dat er aan een verdere samenwerking niet meer te denken valt.

Ter onderbouwing van zijn stelling wijst [verweerder] op de inhoud van het schrijven van de bedrijfsarts dat deze, nadat [verweerder] hem op 10 februari 2009 had geconsulteerd, op 11 februari 2009 aan [verzoekende partij] zijn bevindingen met toestemming van [verweerder] heeft medegedeeld. [verweerder] stelt dat daaruit blijkt dat de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er sprake is van een dusdanig ernstige arbeidsconflictueuze situatie dat werkhervatting van [verweerder] bij [verzoekende partij] niet meer waarschijnlijk is te achten.

Hiermee rekening houdend en gelet op hetgeen partijen met betrekking tot het incident dat op 4 november 2008 bij de chauffeursbalie in de loods op het bedrijfsterrein van [verzoekende partij] heeft plaatsgevonden ter zitting hebben verklaard (van welk voorval [verweerder] uiteindelijk aangifte bij de politie heeft gedaan), kan niet anders worden geoordeeld dan dat er sprake is van een verandering in de omstandigheden, die een gewichtige reden vormt, welke van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn behoort te eindigen.

4.2.3

[verzoekende partij] is van mening dat [verweerder] geen vergoeding toekomt.

[verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld onder de omstandigheden van dit geval een vergoeding ter hoogte van € 75.000,-- op zijn plaats is.

[verweerder] stelt ter onderbouwing van deze stelling dat hij nu ruim anderhalf jaar in dienst is. Afgerond betekent dit dat er gerekend moet worden met twee dienstjaren. Zijn inkomen bedraagt € 3.946,99 bruto per maand. Indien geen van partijen een verwijt zou zijn te maken voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou volgens [verweerder] een vergoeding van vier maandsalarissen ofwel € 15.787,96 bruto billijk zijn. Nu [verzoekende partij] evenwel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens hem, vindt hij een vergoeding van € 75.000,-- op zijn plaats.

[verzoekende partij] betwist dat er sprake kan zijn van een vergoeding, laat staan een vergoeding in de orde van grootte zoals die door [verweerder] wordt verzocht. [verzoekende partij] stelt in dit kader dat [verweerder] haar ter zake het voorval van 4 november 2008 valselijk beschuldigt omdat dit toen direct daarna met tussenkomst van de politie is uitgepraat en dus was opgelost. Nu hij alsnog aangifte heeft gedaan en ter zake de ondertekende beëindigingsovereenkomst stelt dat die niet rechtsgeldig is, heeft hij daarmee het vertrouwen van [verzoekende partij] zodanig geschaad dat er geen sprake kan zijn van ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een ten laste van [verzoekende partij] aan [verweerder] te betalen vergoeding. Los daarvan stelt [verzoekende partij] dat [verweerder] haar directeur [directeur] valselijk beschuldigt met de stelling dat hij door [directeur] zou zijn geslagen en geschopt.

[verweerder] heeft ter zake het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekende partij] jegens hem daarop gesteld dat het proces-verbaal, dat door de twee politiemedewerkers, die nadat [verweerder] de politie op 4 november 2008, na plaatsvinden van het incident had gebeld en ter plekke zijn gekomen, is opgemaakt nog niet kan worden verstrekt. De heer [medewerker politie] van de politie Limburg-Zuid heeft de gemachtigde van [verweerder] bevestigd dat er door de medewerkers [brigadier] (brigadier van de regiopolitie) en [hoofdagent] (hoofdagent van de regiopolitie) onder nummer 2008149500-5 proces-verbaal is opgemaakt en dat in dat proces-verbaal staat opgetekend dat directeur [directeur] heeft erkend [verweerder] te hebben geslagen.

[verweerder] heeft gesteld dat hij via het horen van deze politiemedewerkers zijn stellingen in zake het verwijtbaar handelen van [verzoekende partij] wil en kan bewijzen.

4.2.4

Voor de beantwoording van de vraag of de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate aan [verzoekende partij] is te wijten, is het nodig dat de politiefunctionarissen [brigadier] en [hoofdagent] als getuigen worden gehoord. De kantonrechter zal [verweerder] daarom toelaten om door middel van het horen van genoemde politiefunctionarissen te bewijzen dat [directeur] hem heeft geslagen en/of heeft geschopt.

4.2.5

Op grond van het voorgaande kan de ontbinding in deze beschikking al worden uitgesproken en zal de beslissing ter zake het wel of niet toekennen van een vergoeding alsmede de beslissing in zake de kostenveroordeling worden aangehouden.

5. De uitspraak

De kantonrechter:

5.1 ter zake het voorwaardelijk verzoek

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het onderhavige verzoek;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zendt aan de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo.

5.2 ter zake het zelfstandig verzoek van [verweerder]

ontbindt de arbeidsovereenkomst per heden, 9 april 2009;

laat [verweerder] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen dat directeur [directeur] hem tijdens het incident dat op 4 november 2008 heeft plaatsgevonden heeft geslagen en/of geschopt;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank, sector kanton locatie Heerlen, gelegen aan de Akerstraat 108 te Heerlen, op een datum en tijdstip als door de kantonrechter zal worden bepaald, nadat [verweerder] schriftelijk de personalia en gekozen adressen van de getuigen zal hebben opgegeven, alsmede de verhinderdata en nadat [verzoekende partij] nog schriftelijk verhinderdata zal hebben opgegeven;

bepaalt dat die opgave binnen veertien dagen na heden ter griffie van het kantongerecht dient te zijn gedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gegeven door mr. P. Hoekstra en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.