Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI0547

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
318233 CV EXPL 08-5534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Vordering tot nakoming overeenkomst. Geen overeenkomst aangetoond."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 318233 CV EXPL 08-5534

typ: RW

vonnis van 8 april 2009

in de zaak van

[eisende partij].,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

hierna te noemen [eisende partij],

gemachtigde: C.J.M. Coch, advocaat te Maastricht,

tegen

[gedaagde partij],

wonend te [adres] en gevestigd te [adres]

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde partij],

procederend in persoon.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Partijen wisselden achtereenvolgens de volgende processtukken:

- exploot van dagvaarding van 1 december 2008 met producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek met producties;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

[eisende partij] vordert [gedaagde partij] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen om aan [eisende partij] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.226,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2007 althans vanaf 3 juni 2008 tot de dag van algehele voldoening, met verwijzing van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[eisende partij] onderbouwt haar vordering als volgt.

Tussen haar en [gedaagde partij] is een overeenkomst van (onder)aanneming van werk gesloten waarbij [gedaagde partij] [eisende partij] de opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van stukadoor- en schilderwerkzaamheden in een door [gedaagde partij] voor een derde te verbouwen onroerende zaak staande en gelegen te Roermond aan de Roerderweg. De door [eisende partij] voorafgaand aan die overeenkomst opgestelde offerte van 12 september 2006 is door [gedaagde partij] geaccepteerd. De enkele facturen van 17 oktober 2006 en 17 november 2006 en de twee facturen van 22 december 2006 (waaronder een factuur waarin onder andere meerwerk in rekening is gebracht) zijn alle voldaan door [gedaagde partij].

De factuur van 17 december 2007 ad € 1.876,75 betreffende door [eisende partij] uitgevoerde werkzaamheden in dezelfde onroerende zaak heeft [gedaagde partij] evenwel onbetaald gelaten. Deze werkzaamheden betroffen het in opdracht van [gedaagde partij] herstellen van een plafond waarin “een golving” is ontstaan doordat [gedaagde partij] op onjuiste wijze stucplaten heeft geplaatst. Daarnaast heeft [eisende partij] in opdracht van [gedaagde partij] schilder- en stukadoorswerkzaamheden uitgevoerd omdat, nadat de muren volledig gestuukt waren, extra sleuven (voor elektra) in de muren waren gemaakt, zodat de muren op “bepaalde plaatsen” opnieuw gestuukt moesten worden. [gedaagde partij]’ stelling dat de werkzaamheden te laat in rekening zijn gebracht, snijdt volgens [eisende partij] geen hout nu [gedaagde partij] de opdracht voor de werkzaamheden heeft gegeven.

Naast voornoemd bedrag van € 1.876,75 vordert [eisende partij] vergoeding van de incassokosten ad € 350,00. Ten aanzien van de wettelijke rente stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] deze op grond van een sommatie van 27 mei 2008 verschuldigd is vanaf 31 december 2007 althans vanaf 3 juni 2008, de datum dat [gedaagde partij] “ingebreke” is (bedoeld zal zijn: in verzuim)..

In zijn conclusie van antwoord voert [gedaagde partij] het volgende verweer.

In overleg met [eisende partij] is besloten het plafond te herstellen en opnieuw te stukadoren. Dit is gebeurd voordat is geschilderd en opgeleverd. Dit meerwerk voor wat betreft het stukadoren is [gedaagde partij] in rekening gebracht en heeft [gedaagde partij] reeds betaald. [gedaagde partij] verwijst daartoe naar de rekening van 22 december 2006 betreffende het door [eisende partij] uitgevoerde meerwerk. Van meerwerk voor wat betreft schilderen is volgens [gedaagde partij] geen sprake, omdat eerst na afronding van het stukadoren wordt geschilderd. [gedaagde partij] trekt de lezing van [eisende partij] dat de “golving” aan [gedaagde partij] valt te wijten, in twijfel. Volgens [gedaagde partij] kan de “golving”ook zijn ontstaan door een te vochtige ruimte en het te dun opbrengen van goudband door [eisende partij] (“slechts enkele millimeters”). Als de ondergrond al niet goed geweest zou zijn, dan had van [eisende partij] mogen worden verwacht dat zij dit zou hebben gemeld, hetgeen niet is gebeurd. [eisende partij] heeft haar werkzaamheden “gewoon uitgevoerd”. De meerwerkzaamheden voor het herstellen van een “elektra sleuf” zijn eveneens verdisconteerd in de daarop betrekking hebbende factuur van 22 december 2006 en derhalve door [gedaagde partij] betaald. [gedaagde partij] stelt dat [eisende partij] eerst vanaf het moment dat [gedaagde partij] voor een ander stukadoorsbedrijf heeft gekozen, de opvatting heeft geventileerd dat er nog meerwerk op een “oud project” zou zijn. Het moment van factureren doet vermoeden dat “er iets niet correct zou zijn”. [gedaagde partij] verzoekt [eisende partij] te verwijzen in de door hem gemaakte kosten.

In voortgezet debat voert [eisende partij] nog het volgende aan.

[eisende partij] handhaaft haar stelling dat de “golving” in het plafond van de studeerkamer is veroorzaakt doordat [gedaagde partij] op onjuiste wijze stucplaten heeft geplaatst en biedt op dat punt bewijs aan. [eisende partij] stelt dat, om de zogenoemde hoekbeschermers weg te werken, er in ieder geval minstens vijf millimeter goudband moest worden aangebracht aan het plafond. Deze stukadoorswerkzaamheden zijn uitgevoerd in overleg met [gedaagde partij], door [gedaagde partij] goedgekeurd en door [gedaagde partij] betaald. Volgens [eisende partij] was niet zichtbaar hoe de stucplaten waren aangebracht, aangezien het hele plafond daarmee was “dichtgemaakt. Daarnaast vindt zij dat zij er op mocht vertrouwen dat [gedaagde partij] zijn werk goed uitvoert en dat het niet de taak van [eisende partij] is om het werk van [gedaagde partij] te controleren.

[eisende partij] stelt dat de factuur van 17 december 2007 de extra schilderwerkzaamheden aan het plafond in de studeerkamer van het bewuste pand betreft. Dit plafond is meermaals door [medewerker] (een medewerker van [eisende partij]) geschilderd met latex om zo de “inham van de golving” zo goed mogelijk op te vullen. Deze werkzaamheden zijn in overleg met [gedaagde partij] verricht. [eisende partij] biedt ten aanzien van deze stellingen uitdrukkelijk bewijs aan. Volgens [eisende partij] bedragen alleen al de met deze schilderswerkzaamheden gepaard gaande reiskosten Maastricht-Roermond (v.v.) en de arbeidskosten € 1.620,00 exclusief btw. Coulancehalve heeft [eisende partij] niet alle kosten in rekening gebracht en volstaan met een bedrag van

€ 1.876,00. De extra “elektra-sleuven” zijn aangebracht nadat de woning geheel was gestuct en geschilderd. [eisende partij] heeft derhalve die sleuven afgewerkt en de daarmee gepaard gaande kosten ad € 39,00 inclusief btw (ook) in rekening gebracht bij de factuur van 17 december 2007.

In zijn conclusie van dupliek stelt [gedaagde partij] dat “golvingen” niet weggewerkt kunnen worden door schilderswerkzaamheden. Volgens [gedaagde partij] is geschilderd nadat het plafond is hersteld door middel van stukadoorswerk, zodat geen sprake is van meerwerk voor schilderwerkzaamheden. Anders dan [eisende partij] stelt is “direct zichtbaar” op welke wijze de platen zijn gemonteerd. Verder heeft [eisende partij] te dun, want minder dan een centimeter dik, goudband aangebracht. Of de platen al dan niet juist zijn gemonteerd, doet overigens niet ter zake aangezien [gedaagde partij] de herstelwerkzaamheden aan het plafond reeds heeft betaald. Ten onrechte heeft [eisende partij] gesteld dat eventuele golvingen pas zichtbaar zijn na schilderwerk. Volgens [gedaagde partij] is dit onzin. Voor het overige verwijst [gedaagde partij] naar zijn conclusie van antwoord.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben een overeenkomst van (onder)aanneming van werk gesloten. Bij die overeenkomst heeft [gedaagde partij] [eisende partij] conform de offerte van 12 september 2006 de opdracht gegeven om tegen betaling door [gedaagde partij] stukadoor- en schilderwerkzaamheden uit te voeren in een door [gedaagde partij] voor een derde te verbouwen onroerende zaak staande en gelegen te Roermond aan de Roerderweg.

Voornoemde werkzaamheden zijn door [eisende partij] verricht en aan [gedaagde partij] in rekening gebracht bij de facturen van 17 oktober 2006, 17 november 2006 en 22 december 2006. Bij één van de twee facturen van 22 december 2006 zijn [gedaagde partij] tevens kosten voor door [eisende partij] verricht meerwerk in rekening gebracht, waaronder “meerwerk plafond” en “meerwerk elektra sleuven”. Deze facturen zijn door [gedaagde partij] aan [eisende partij] voldaan.

Aan het plafond van de studeerkamer van het genoemde pand zijn stucplaten aangebracht door [gedaagde partij]. Vervolgens heeft [eisende partij] dit plafond gestukadoord en geverfd. Op enig moment is aan dit plafond een onregelmatigheid (“golving”) geconstateerd, hetgeen is hersteld door [eisende partij].

[eisende partij] baseert haar vordering met betrekking tot de in de factuur van 17 december 2007 vermelde werkzaamheden op de stelling dat door partijen naast de overeenkomst van onderaanneming een tweede overeenkomst is gesloten voor het verrichten van schilderwerkzaamheden aan het plafond en het afwerken van sleuven. Deze werkzaamheden op basis van die tweede (door [gedaagde partij] betwiste) overeenkomst zijn volgens [eisende partij] verricht nadat de werkzaamheden (inclusief meerwerk) op grond van de eerste overeenkomst waren voltooid. Door [eisende partij] is niet gespecificeerd en waar mogelijk gedocumenteerd gesteld en evenmin is gebleken dat partijen een dergelijke tweede overeenkomst schriftelijk zijn aangegaan. De aanleiding voor het sluiten van die gestelde tweede (kennelijk mondelinge) overeenkomst heeft [eisende partij] onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Zo is onduidelijk gebleven wanneer de werkzaamheden ten aanzien van de (eerste) overeenkomst van aanneming zijn voltooid. [eisende partij] vermeldt bovendien niet wanneer en door wie “de golving” in het plafond is geconstateerd en op welk moment het herstel van dat plafond en het afwerken van “de elektra-sleuven” heeft plaatsgevonden. Ook verzuimt [eisende partij] te vermelden door wie en op welk moment namens [eisende partij] en namens [gedaagde partij] de tweede overeenkomst is gesloten en onder welke (nadere) condities.

Nu [eisende partij] haar vordering dermate summier met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, bestaat er onvoldoende aanleiding haar toe te laten (getuigen)bewijs te leveren met betrekking tot het bestaan van de door haar gestelde tweede overeenkomst. Zij wordt geacht de grondslag van haar vordering volstrekt onvoldoende te hebben geadstrueerd, nog daargelaten dat zij heeft nagelaten een op de bijzondere omstandigheden en het bewijsthema toegespitst bewijsaanbod te doen.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eisende partij] integraal dient te worden afgewezen.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van [gedaagde partij].

BESLISSING

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] tot op heden begroot op € 50,00 als noodzakelijke reis- en verletkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.