Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI0544

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
317520 CV EXPL 08-5437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"achterstallige betaling premie ziektekostenverzekering sedert 1 januari 2006. Geen opzegging aangetoond per die datum."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 317520 CV EXPL 08-5437

typ: RW

vonnis van 8 april 2009

in de zaak van

de coöperatie VGZ-IZA-TRIAS U.A.,

statutair gevestigd te Gorinchem,

eisende partij,

hierna te noemen VGZ,

gemachtigden: mr E.L.B. Hunscheid en F.H.M. Bazuin, deurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde],

in persoon procederend.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de volgende processtukken gewisseld en/of proceshandelingen verricht:

- exploot van dagvaarding van 2 december 2008;

- akte vermindering van eis;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis, met producties;

- conclusie van dupliek met een productie.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

VGZ vordert [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling aan VGZ van een bedrag van € 1.947,18, vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 1.590,18 vanaf de eerste dag van elke respectieve premiemaand waarvan VGZ thans betaling vordert, althans vanaf de dag van dagvaarding, telkens tot de dag van algehele voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

Ter eerst dienende datum respectievelijk bij repliek heeft VGZ de vordering in verband met door [gedaagde] verrichte betalingen verminderd met achtereenvolgens € 93,00 en

€ 197,00.

VGZ onderbouwt haar vordering als volgt.

Zij heeft met [gedaagde] een overeenkomst van basisziektekostenverzekering gesloten, op welke overeenkomst de door VGZ gehanteerde algemene verzekeringsvoorwaarden van toepassing zijn. Op grond van die overeenkomst was [gedaagde] nog premies verschuldigd over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 april 2008 tot een bedrag van € 1.590,18. Ondanks aanmaning en sommatie is [gedaagde] in gebreke gebleven met betaling van dit bedrag, zodat VGZ zich genoodzaakt heeft gezien de vordering ter incasso uit handen te geven aan haar incassogemachtigde. Ondanks de inspanningen van de incassogemachtigde is de hoofdsom onbetaald gebleven. VGZ vordert tevens, primair op grond van de algemene voorwaarden en subsidiair op grond van de wet, vergoeding van de incassokosten die zij stelt op een bedrag van € 357,00 inclusief btw.

Voorts vordert VGZ de wettelijke rente op grond van het bepaalde in artikel 6:119 juncto 6:120 lid 1 BW vanaf de datum dat [gedaagde] in verzuim is. VGZ stelt in dat verband dat [gedaagde] de premie bij vooruitbetaling verschuldigd is, zodat hij vanaf de eerste dag van elke premiemaand waarvan VGZ thans betaling vordert in verzuim is. VGZ is van oordeel dat [gedaagde] in ieder geval vanaf de dag van dagvaarding in verzuim is.

In zijn conclusie van antwoord stelt [gedaagde] dat hij op 1 januari 2006 een brief heeft geschreven aan VGZ om de verzekering op te zeggen omdat hij de premie niet kon betalen. Hij heeft daar geen schriftelijke reactie op ontvangen. Daarna heeft hij op 17 maart 2008 een brief naar de incassogemachtigde van VGZ gezonden en op 13 oktober 2008 een naar mr. F. van Campfort. Hij wenst het bedrag niet te betalen en stelt dat hij er niets aan kan doen als “hun die fouten maken”.

In haar conclusie van repliek (tevens akte vermindering van eis) neemt VGZ het standpunt in dat nu [gedaagde] eerst bij conclusie van antwoord verweer voert, dit verweer als tardief aangemerkt moet worden. Volgens VGZ heeft [gedaagde] de vordering in een brief van 17 maart 2008 gericht aan haar incassogemachtigde erkend. Bovendien heeft [gedaagde] inmiddels drie betalingen verricht. Daarnaast stelt VGZ nimmer een (tijdige) schriftelijke opzegging van [gedaagde] te hebben ontvangen. VGZ wijst er op dat opzegging van de zorgverzekering op grond van artikel 7 lid 1 Zvw slechts mogelijk is op uiterlijk 31 december van ieder jaar met ingang van 1 januari van het volgende kalenderjaar en dat opzegging op grond van artikle 8a Zvw niet mogelijk is gedurende de tijd dat de verschuldigde premie en incassokosten waarvoor is aangemaand, niet zijn voldaan. Op grond van artikel 6.6 van de algemene voorwaarden zijn partijen volgens VGZ overeengekomen dat opzegging slechts schriftelijk kan geschieden. [gedaagde] mocht er volgens VGZ niet op vertrouwen dat de verzekering was beëindigd, nu het volgens haar een feit van algemene bekendheid is dat de verzekeraar altijd een beëindigingsbevestiging verstuurt en [gedaagde] deze nooit van VGZ heeft ontvangen. Betalingsonmacht is, zo stelt VGZ, geen reden om niet aan de verplichting tot premiebetaling te voldoen. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de incassokosten verwijst VGZ naar de bij deze conclusie overgelegde producties.

In verband met door [gedaagde] verrichte betalingen vermindert VGZ de vordering wederom en wel met € 197,00.

In zijn conclusie van dupliek stelt [gedaagde] dat hij de verkeerde brief van 17 maart 2008 naar de incassogemachtigde van VGZ heeft gestuurd. Hij heeft vanaf 1 januari 2006 tot 20 februari 2009 niets betaald aan VGZ. Dat weet hij zeker, want hij heeft opgezegd omdat hij niet kan betalen. [gedaagde] verwijst naar een door hem overgelegde kopie van een formulier “aanvraag schuldregeling”, door hem ingediend bij kredietbank en stelt dat hij van alle problemen af moet komen.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

Tussen partijen is een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] tegen maandelijkse premiebetaling, bij vooruitbetaling aan VGZ te voldoen, is verzekerd tegen ziektekosten.

Partijen verschillen van mening over de vraag of voornoemde overeenkomst door [gedaagde] is opgezegd met ingang van 1 januari 2006. [gedaagde] beroept zich op een schriftelijke opzegging, gedaan bij brief van 1 januari 2006. Niet aangetoond of aannemelijk gemaakt is door [gedaagde] dat VGZ die (niet-aangetekende) brief heeft ontvangen, terwijl dit wel op zijn weg ligt. Daarnaast is de blote ontkenning van VGZ dat zij de brief heeft ontvangen, geloofwaardig te achten nu in deze procedure is gebleken dat [gedaagde] zijn administratie niet op orde heeft. Hij beroept zich immers (ook) op een bij nader inzien volgens hem toch niet verzonden brief aan de incassogemachtigde van VGZ. Nu ook overigens niet is gebleken dat de betreffende overeenkomst tussen partijen na 1 januari 2006 is geëindigd, staat daarmee vast dat [gedaagde] ook met ingang van die datum verplicht is gebleven de op grond van de (voortgezette) overeenkomst verschuldigde maandelijkse premie te betalen.

De door [gedaagde] gestelde betalingsonmacht ontslaat hem niet van zijn verplichting om de aan VGZ verschuldigde premies te voldoen. Het staat hem (uiteraard) wel vrij zich tot VGZ te wenden om wegens die betalingsonmacht een betalingsregeling te treffen. De kantonrechter kan een dergelijke regeling echter niet aan partijen opleggen.

Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde hoofdsom zonder meer is toe te wijzen omdat deze betrekking heeft op het onbetaald laten van de premies na 1 januari 2006 en [gedaagde] erkent dat hij de premies met ingang van die datum niet heeft betaald. Gelet op de verminderingen van eis zal derhalve worden toegewezen een bedrag van € 1.300,18

(€ 1.590,18 - € 93,00 - € 197,00).

De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen. [gedaagde] ontkent immers niet dat de door hem verschuldigde premie maandelijks bij vooruitbetaling dient te worden voldaan. Hieruit volgt dat [gedaagde] in het geval hij niet betaalt, van rechtswege in verzuim is (op grond van artikel 6:83 aanhef en onder a BW) met ingang van de eerste dag van de maand waarover de niet betaalde premie verschuldigd is.

Ook de gevorderde vergoeding van incassokosten zal worden toegewezen. De daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden worden immers gespecificeerd in het door VGZ overgelegde overzicht, deze werkzaamheden worden op zich niet door [gedaagde] betwist en aard en omvang van deze werkzaamheden rechtvaardigen redelijkerwijs het kostenbedrag, berekend naar de gebruikelijke forfaitaire maatstaf.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] ten slotte tevens worden verwezen in de proceskosten.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.657,18, vermeerderd met de wettelijke rente over de maandelijks verschuldigde premiebedragen die onderdeel uitmaken van het bedrag van € 1.300,18, vanaf de eerste dag van elke respectieve premiemaand, telkens tot de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van VGZ, tot de datum van dit vonnis begroot op € 593,44, bestaande uit € 300,00 aan salaris gemachtigde,

€ 201,00 aan vastrecht, en € 92,44.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.