Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI0459

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-01-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met het oog op de vanaf 1 augustus 2007 geldende wettelijke verplichting voor basisscholen om voor- en naschoolse opvang te bieden dan wel faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen, heeft eiseres verweerder verzocht in te stemmen met de verhuur van een gedeelte van de basisschool [naam school] aan [naam organisatie]", een kinderopvangorganisatie in de zin van de Wet kinderopvang.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08 / 149

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[eiseres]

gevestigd te Kerkrade, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 18 december 2007

Kenmerk: AJOZ nr. 07/14293

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 29 oktober 2008 plaatsgevonden. Daarbij is eiseres vertegenwoordigd door de heer Ruyten, senior adviseur voor de Onderwijsstichting Movare en E.C.M. van Kaam, regiodirecteur, bijgestaan door mr. M.S. Pouw, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H.G.H.M. Quaedvlieg en E. Mees, beiden werkzaam bij de gemeente Brunssum.

2. Overwegingen

Eiseres is een stichting die, voor zover van belang, zich ten doel stelt het verzorgen van bijzonder en openbaar onderwijs. Vanuit die doelstelling voert zij het bestuur over[naam school] te Brunssum.

Met het oog op de vanaf 1 augustus 2007 geldende wettelijke verplichting voor basisscholen om voor- en naschoolse opvang te bieden dan wel faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen, heeft eiseres verweerder verzocht in te stemmen met de verhuur van een gedeelte van de basisschool [naam school] aan [naam organisatie]", een kinderopvangorganisatie in de zin van de Wet kinderopvang.

Bij besluit van 7 augustus 2007, verzonden 27 augustus 2007, heeft verweerder ingestemd [lees: toegestemd] met het verzoek tot verhuur van een gedeelte van basisschool [naam school] tegen een huurprijs van voorshands € 100,- per m² per jaar. Uitgaande van twee groepen kinderopvang/BSO heeft verweerder de jaarhuur vervolgens bepaald op € 23.000,- voor het gebruik van het gebouw, waarbij de betaling van het vastgesteld huurbedrag door eiseres dient te geschieden in tien maandelijkse termijnen aan de gemeente.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar richt zich met name tegen de door verweerder vastgestelde huurprijs. Eiseres is de mening toegedaan dat verweerder niet bevoegd is een huurbedrag vast te stellen en dit als voorwaarde te verbinden aan de verleende toestemming.

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard, onder overweging dat de wet niets regelt ten aanzien van de mogelijkheid van verweerder om bij het verlenen van toestemming aan schoolbesturen tot verhuur van een gedeelte van een basisschool tevens een huurbedrag vast te stellen. Tevens blijft de gemeente verantwoordelijk voor het groot onderhoud van de basisschool.

In beroep voert eiseres primair aan dat verweerder onbevoegd is tot het vaststellen van een huurbedrag, nu hiervoor geen publiekrechtelijke basis bestaat. Eiseres is exclusief bevoegd de huursom vast te stellen, nu zij eigenaar is van het schoolgebouw en als zodanig een gedeelte van dit gebouw aan een derde partij verhuurt. Subsidiair stelt eiseres dat de huursom op onjuiste en onduidelijke wijze is berekend en veel hoger is dan een marktconform tarief en meer subsidiair stelt eiseres dat de verdeling, waarbij verweerder zonder meer de (volledige) huursom incasseert, onredelijk is.

De rechtbank ziet zich hiermee gesteld voor de vraag of verweerder überhaupt bevoegd is om bij het verlenen van toestemming voor de verhuur van een gedeelte van voornoemde school aan een kinderopvangorganisatie tevens een huurbedrag vast te stellen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo) kan het bevoegd gezag, voor zover artikel 107 geen toepassing vindt, een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en wethouders vereist.

Niet in geding is dat eiseres een schoolbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs is en als zodanig onder andere het bestuur over de basisschool [naam school] voert. Evenmin in geschil is – naar ter zitting is gebleken – dat eiseres de juridische eigenaar is van het schoolgebouw waarin de basisschool [naam school] is gevestigd.

Voorts stelt de rechtbank vast dat niet in geding is dat op de voet van artikel 108, eerste lid, van de Wpo voor verhuur van een aantal lokalen aan de kinderopvangorganisatie [naam organisatie]" toestemming van verweerder is vereist en dat verweerder deze toestemming bij besluit van 7 augustus 2007 heeft verleend.

Eiseres houdt als stichting genoemde basisschool in stand en dient derhalve, op grond van artikel 1 van de Wpo, als bevoegd gezag van de volgens de Wpo bekostigde school [naam school] te worden aangemerkt. Aldus berust ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Wpo de bevoegdheid tot verhuur aan derden van gedeelten van het schoolgebouw bij eiseres.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Wpo noch enige ander publiekrechtelijk wettelijk voorschrift een grondslag voor verweerder om de op grond van artikel 108, eerst lid, van de Wpo benodigde toestemming tot verhuur aan derden, aan nadere voorwaarden, zoals in dezen over de hoogte van de door eiseres van de kinderopvangorganisatie te bedingen huurprijs, te verbinden. Ter zitting heeft verweerder ook niet kunnen aangeven waaraan hij het recht om die nadere voorwaarden te formuleren ontleent. Dat de gemeente verantwoordelijk blijft voor het groot onderhoud van het gebouw waarin de basisschool bivakkeert, brengt niet de bevoegdheid mee de huurprijs waartegen gedeelten van het gebouw aan derden worden verhuurd vast te stellen. Evenmin kan verweerder die bevoegdheid ontlenen aan het feit dat de Wpo op dit punt geen regeling geeft. Waar een wettelijke regeling ontbreekt zou naar het oordeel van de rechtbank toch veeleer moeten gelden dat de bevoegdheid van de eigenaar van het gebouw tot verhuur tevens de bevoegdheid impliceert om ter zake het gebouw of gedeelten daarvan de hoogte van de huurprijs vast te stellen. Dat laatste ligt overigens te meer voor de hand omdat uit de toelichting behorende bij artikel 108 van de Wpo kan worden afgeleid dat de wetgever, ingeval verweerder gebruik maakt van het hem ingevolge artikel 107 van de Wpo toekomende vorderingsrecht, het risico van schadeclaims tengevolge van vroegtijdige opzegging van de huur bij het bevoegd gezag, eiseres dus, heeft willen leggen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte en op onjuiste gronden bevoegd heeft geacht aan de verleende toestemming tot verhuur van gedeelten van het schoolgebouw aan een kinderopvangorganisatie zoals door eiseres verzocht, de nadere voorwaarde te verbinden dat verhuur dient te geschieden tegen een prijs van € 100,- per m². Die voorwaarde dient daarom voor niet geschreven te worden gehouden.

Een en ander betekent voorts dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit, voor zover daarbij door verweerder de aan de toestemming verbonden voorwaarde omtrent de hoogte van de huurprijs is gehandhaafd, dient te worden vernietigd, met instandlating van het besluit voor het overige.

Er bestaat tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 644,-.

De door eiseres gevorderde kosten ad € 22,- ten behoeve van uittreksels uit de openbare registers zijn verder niet gespecificeerd, zodat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij heeft gehandhaafd de aan de verleende toestemming tot verhuur verbonden voorwaarde dat verhuur van gedeelten van het schoolgebouw aan een kinderopvangorganisatie ten behoeve van voor- en naschoolse opvang slechts mag plaatsvinden tegen een huurprijs van € 100,- per m² per jaar;

2.bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- wordt vergoed door de gemeente Brunssum;

3.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,-- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Brunssum aan eiseres.

Aldus gedaan door F.L.G. Geisel als rechter in tegenwoordigheid van P.M. van den Brekel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2009.

w.g. P. van den Brekel w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 januari 2009

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.