Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BI0303

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
138346/KG ZA 09-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: conservatoir beslag, onnodig, betalingsvoorstel, zekerheid, overwaarde, aflossing, hypotheek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 2 april 2009

Zaaknummer : 138346 / KG ZA 09-88

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[EISER],

wonende te Maastricht,

eiser,

advocaat mr. K.P. Meegdes;

tegen:

de naamloze vennootschap [de Brouwerij]

gevestigd en kantoorhoudende te Lieshout, gemeente Laarbeek,

gedaagde,

gemachtigde mr. H.T.M. Bartels, bedrijfsjurist, kantoorhoudende te Lieshout.

1.Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen: “[eiser]”, heeft gedaagde, hierna te noemen: “[de brouwerij]”, bij exploot van 11 maart 2009 gedagvaard in kort geding. Aan de dagvaarding zijn producties gehecht. Op de dienende dag, 19 maart 2009, heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar de producties nader heeft doen toelichten.

[de brouwerij] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1. [eiser] verzoekt de voorzieningenrechter om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de brouwerij] te veroordelen om het gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak, staande en gelegen te Maastricht aan de [adres1], kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie A, nummer 7215 A 210, ten laste van P.J.A. [eiser] op te heffen binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag dat [de brouwerij] na betekening van het vonnis in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen, met veroordeling van [de brouwerij] in de kosten van deze procedure.

2.2. [eiser] legt, voor zover van belang kort samengevat, aan deze vorderingen ten grondslag dat [de brouwerij] het beslag heeft gelegd tot zekerheid van een vermeende vordering op hem ad € 193.000,-- , maar dat het beslag onnodig is gelegd nu [de brouwerij] niets zal kunnen ontvangen uit de koopsom van de woning, vanwege het feit dat er geen overwaarde op het pand rust gezien de rechten van hypotheek op het pand. Bovendien wordt de verschuldigdheid van de vordering door [eiser] in een aanhangig zijnde bodemprocedure bestreden.

[eiser] stelt spoedeisend belang te hebben bij de opheffing van dit beslag omdat zich in december 2008 een potentiële koper heeft gemeld aan wie het pand is verkocht voor een bedrag van € 135.000,-- kosten koper. Vervolgens moest [eiser] begin februari 2009 het pand vrij van beslag leveren, maar hij was daartoe niet in staat zolang [de brouwerij] het beslag handhaafde. [eiser] heeft [de brouwerij] derhalve gesommeerd het beslag op te heffen, maar [de brouwerij] weigert aan die sommatie gevolg te geven zolang [eiser] geen vervangende zekerheden verstrekt.

2.3. [de brouwerij] voert gemotiveerd verweer, op welk verweer, voorzover van belang, bij de beoordeling wordt ingegaan.

3.De beoordeling

3.1. Het spoedeisend belang volgt uit de omstandigheid dat [eiser], indien onbezwaarde levering niet kan plaatsvinden, schade zal leiden nu de koper na sommatie om te leveren een beroep heeft gedaan op de overeengekomen boete- en schadevergoedingsbepaling. Bovendien volgt de spoedeisendheid uit de stelling van [eiser] dat [de brouwerij] zonder rechtens te respecteren belang het beslag in stand houdt.

3.2. Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (Hoge Raad 14 juni 1996, 1997, 481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd, dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

3.2.1. [eiser] stelt slechts dat de door [de brouwerij] gepretendeerde vordering door hem in een thans aanhangig zijnde bodemprocedure wordt bestreden en voert in het kader van het onderhavige kort geding niets aan waaruit summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering moet blijken. [eiser] ontkent echter niet, hetgeen [de brouwerij] stelt, dat hij op 8 oktober 2008 voor het laatst een betaling ter zake huur heeft gedaan (deelbetaling op de huur van augustus 2008) en ter zake rente en aflossing en dat hij sedertdien helemaal niets meer heeft betaald. Dat [de brouwerij] een vordering op [eiser] heeft wordt door de voorzieningenrechter derhalve aangenomen. [eiser] richt al zijn stellingen tegen de onnodigheid van het beslag.

3.3. [de brouwerij] voert tegen de gestelde onnodigheid van het beslag twee verweren.

3.3.1. Op de eerste plaats voert [de brouwerij] aan dat er tussen haar en [eiser] een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser] € 50.000,-- op de schuld zou aflossen waarna [de brouwerij] het beslag zou opheffen. Deze overeenkomst is door [eiser] niet nagekomen, reden waarom het beslag niet onnodig is en [de brouwerij] het dus handhaaft.

3.3.2. In dit verweer wordt [de brouwerij] niet gevolgd. Gelet op de gedingstukken (productie 5 [de brouwerij]) is er inderdaad op 20 februari 2009 door [de brouwerij] een betalingsvoorstel gedaan inhoudende dat [eiser] € 50.000,-- zou betalen waarna [de brouwerij] tot opheffing van het beslag over zou gaan, echter [eiser] ontkent dit voorstel te hebben aanvaard. Uit de correspondentie die sedert 20 februari 2009 is gevoerd tussen partijen (productie 3 [de brouwerij]) valt niet af te leiden dat [eiser] dit voorstel zou hebben aanvaard. Wel zijn er door [eiser] nog een aantal andersluidende voorstellen gedaan. Zonder nader onderzoek naar feiten en omstandigheden, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat [eiser] het betalingsvoorstel niet heeft aanvaard zodat de door [de brouwerij] bedoelde overeenkomst niet tot stand is gekomen.

3.4. Op de tweede plaats voert [de brouwerij] aan, dat het beslag niet onnodig is, nu anders dan [eiser] stelt, niet bij voorbaat uitgesloten is, dat [de brouwerij] iets zal kunnen ontvangen uit de verkoopopbrengst van de woning, zodat de stelling van [eiser] dat [de brouwerij] geen rechtens te respecteren belang zou hebben bij instandhouding van het beslag onjuist is en nergens op berust.

3.4.1. In dit verweer slaagt [de brouwerij].

[de brouwerij] wordt gevolgd in haar betoog dat [eiser] de beide hypotheken ten onrechte bij elkaar optelt en zo op een bedrag uit komt van € 366.458, 56 aan hypothecaire inschrijvingen stellende dat er duidelijk géén overwaarde op het pand aan de [adres1] bestaat. De tweede hypotheek ad. € 250.000,-- ten behoeve van de Rabobank rust immers mede op het woonhuis aan de [adres2] te Maastricht.

[de brouwerij] wordt bovendien gevolgd in haar betoog dat uit de als productie 10 door [eiser] overgelegde aflossingsnota, die dateert van 30 oktober 2008, blijkt dat Nationale Nederlanden op dat moment, vanwege het feit dat de lening opeisbaar was geworden, reeds € 116.458,56 probeerde te verhalen op [eiser]. [eiser] legt in het geheel géén bescheiden over waaruit blijkt dat hij niet aan die aflossingsvordering zou hebben voldaan, zodat zonder nader onderzoek naar feiten en omstandigheden het er voorshands voor moet worden gehouden dat er een gehele of gedeeltelijke aflossing door [eiser] heeft plaatsgevonden met als gevolg dat er enige overwaarde bestaat op het pand aan het [adres1] te Maastricht. Voldoende aannemelijk is derhalve dat het beslag niet onnodig is gelegd.

3.4.2. Gelet op het feit dat [eiser] niet ontkent dat hij op geen enkele wijze meewerkt aan door [de brouwerij] geopperde betalingsregelingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van [de brouwerij] bij de handhaving van dit beslag dienen te prevaleren boven de belangen van [eiser] bij de opheffing daarvan. In het geval dat de vooralsnog niet vaststaande vordering van [de brouwerij] op [eiser] in de bodemprocedure zal worden toegewezen, moet er voor [de brouwerij] enig verhaal mogelijk zijn, reden waarom de vordering van [eiser] tot opheffing van het beslag zal worden afgewezen zoals hierna in het dictum is bepaald.

3.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de gevorderde voorzieningen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van [de brouwerij] begroot op € 262,-- aan vast recht en € 816,-- voor salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.Ph. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

EvdP