Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH9136

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
315385 CV EXPL 08-4951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Telefoonabonnement, ontbinding, schadevergoeding met betrekking tot resterende abbonnementsgelden en kosten mobiel telefoontoestel, ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 315385 CV EXPL 08-4951

typ: AE

Vonnis van 25 maart 2009

in de zaak van

LINDORFF PURCHASE B.V.,

voorheen geheten TRANSFAIR PURCHASE B.V.,

statutair gevestigd te Zwolle,

eisende partij,

verder te noemen Lindorff,

gemachtigden: F.G.C. Vaessen en J.A.P.M. Kerckhoffs, deurwaarders te Sittard (gemeente Sittard-Geleen),

tegen:

[gedaagde],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde],

gemachtigde: mr. Th.P.A.G.M. Coenegracht, advocaat te Lanaken (België).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 10 november 2008 heeft Lindorff een vordering ingesteld tegen [gedaagde]. In reactie hierop heeft [gedaagde] voor antwoord geconcludeerd onder toevoeging van een aantal (ongenummerde) producties in fotokopievorm. In voortgezet debat heeft Lindorff voor repliek geconcludeerd, waarbij (alsnog) drie gefotokopieerde producties in het geding zijn gebracht. Het bewuste processtuk is afkomstig van ene “[medewerkster]” die zich nimmer als gemachtigde heeft gesteld, doch het zal aan Lindorff worden toegerekend. [gedaagde] heeft voor dupliek geconcludeerd. Daarna is uitspraak bepaald.

MOTIVERING

de vordering

Lindorff vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.296,91 (samengesteld uit een hoofdsom ad € 972,97, buitengerechtelijke kosten ad € 178,50 en vervallen contractuele rente ad € 145,44), te vermeerderen met de overeengekomen rente naar 1% per maand over een bedrag van € 972,97 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

het geschil

Lindorff legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] met T-Mobile Netherlands B.V. (hierna: T-Mobile), op 21 december 2006 een overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan op grond waarvan T-Mobile aan [gedaagde] een mobiele communicatieaansluiting en een telefoon(nummer) ter beschikking heeft gesteld en een abonnement met een SIM-kaart heeft verschaft waarmee [gedaagde] telefoongesprekken heeft kunnen accepteren en voeren. Van haar kant was [gedaagde] verplicht periodiek alle kosten voor het gebruik van het mobiele telefoonnetwerk aan T-Mobile te voldoen.

Lindorff stelt dat [gedaagde] vanaf 16 februari 2007 met de nakoming van de contractuele betalingsverplichting in gebreke is gebleven en dat T-Mobile op 14 mei 2007 de door haar aangeboden diensten conform de toepasselijke algemene voorwaarden geheel buiten gebruik heeft gesteld. Veertien dagen later heeft T-Mobile wegens het uitblijven van betaling de overeenkomst ontbonden.

Naar de opvatting van Lindorff heeft T-Mobile door de vroegtijdige ontbinding van de overeenkomst vermogensschade geleden, in de vorm van geleden verlies en gederfde winst. De hiermee gepaard gaande vordering heeft T-Mobile aan Lindorff gecedeerd, van welke cessie [gedaagde] schriftelijk in kennis is gesteld.

[gedaagde] betwist bovenstaande vordering. Zij heeft daartoe aangevoerd dat T-Mobile had toegezegd zorg te dragen voor de beëindiging van het telefoonabonnement van [gedaagde] bij “Orange”. De reden hiervoor was gelegen in de omstandigheid dat [gedaagde] van februari 2007 tot augustus 2007 voor een stage naar het buitenland ging. Op 25 september 2006 heeft [gedaagde] van “Orange” de bevestiging ontvangen dat het abonnement zou zijn omgezet naar T-Mobile. Zij heeft T-Mobile gemachtigd om de abonnementskosten per automatische incasso van haar rekening ([giro]) af te doen schrijven. T-Mobile heeft echter geprobeerd om de maandelijkse abonnementsgelden te incasseren via een ander rekeningnummer ([giro]). Hier kwam [gedaagde] naar eigen zeggen pas achter nadat zij in augustus 2007 was teruggekeerd uit het buitenland. Het saldo op laatstgenoemde rekening was niet toereikend om de maandelijkse abonnementsgelden te innen. Bovendien bleef ook “Orange” bedragen van de rekening van [gedaagde] afschrijven, terwijl het abonnement al was beëindigd. Omdat [gedaagde] op 24 februari 2007 per sms-bericht op de hoogte was gebracht van het feit dat de incasso niet was geslaagd, heeft haar vader diverse keren contact opgenomen met de klantenservice van T-Mobile. Hierbij heeft T-Mobile volgens [gedaagde] toegezegd dat bekeken zou worden of de (ten onrechte) door “Orange” afgeschreven bedragen door T-Mobile geïnd zouden kunnen worden. Na terugkeer uit het buitenland in augustus 2007 trof [gedaagde] een reeks aanmaningen aan, waarbij het saldo was opgelopen tot een bedrag van € 1.100,00. T-Mobile had naar de opvatting van [gedaagde] behoren te weten dat zij niet op haar studentenadres bereikbaar was. Het is volgens [gedaagde] aan T-Mobile zelf te wijten dat zij er niet in is geslaagd om de betalingen te incasseren. De vordering dient naar haar opvatting dan ook te worden afgewezen.

de feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, mede aan de hand van de overgelegde producties, het volgende vast.

i. [gedaagde] heeft op 21 december 2006 bij T-Mobile een abonnement voor een mobiel telefoonnummer afgesloten waarbij aan haar een (mobiel) telefoontoestel en een SIM-kaart zijn verschaft.

ii. De afgesproken contractsduur bedroeg 24 maanden.

iii. Op deze overeenkomst zijn “Algemene voorwaarden T-Mobile Abonnee” van toepassing. Bij het aangaan van de overeenkomst was [gedaagde] hiermee bekend. Bedoelde algemene voorwaarden zijn inde versie van 22 december 2003 als productie 1 aan de conclusie van repliek gehecht.

iv. T-Mobile heeft voorts (in kopie) vier facturen in het geding gebracht van 6 februari 2007, 27 februari 2007, 29 maart 2007 en 21 mei 2007. Hierbij is in totaal een bedrag van € 225,45 aan abonnementsgelden aan [gedaagde] op het adres aan de [adres] in rekening gebracht.

v. De in rekening gebrachte bedragen zouden, zo blijkt uit de facturen, per automatische incasso worden afgeschreven van (giro)rekeningnummer [giro], waarvan [gedaagde] de houdster is.

vi. Niet in geschil is dat [gedaagde] deze nota’s niet heeft voldaan.

vii. Wegens deze betalingsachterstand heeft T-Mobile met ingang van 6 maart 2007 de ten behoeve van [gedaagde] verstrekte telefoonaansluiting buiten gebruik gesteld.

viii. Artikel 11.3 van de algemene voorwaarden bevat de mogelijkheid voor T-Mobile om de overeenkomst (eenzijdig) te beëindigen indien haar klant, na een schriftelijk verzoek om betaling, een periode van veertien dagen heeft laten verstrijken zonder (alsnog) aan de op haar rustende betalingsverplichting te hebben voldaan. Van deze mogelijkheid heeft T-Mobile gebruik gemaakt en zij heeft de overeenkomst met [gedaagde] op 14 mei 2007 (eenzijdig) ontbonden.

ix. Op grond van het bepaalde in artikel 16.1 van meergenoemde algemene voorwaarden heeft T-Mobile bij factuur van 21 mei 2007 resterende abonnementskosten voor een bedrag van € 762,52 bij [gedaagde] in rekening gebracht.

x. Deze factuur heeft [gedaagde] evenmin voldaan.

de beoordeling

Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat zij een machtiging tot automatische incasso zou hebben verstrekt ten aanzien van (giro)rekeningnummer [giro] en dat dit (ten onrechte) niet door T-Mobile is gebruikt bij het innen van de gefactureerde bedragen, kan haar niet baten. De kanton¬rechter stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van [gedaagde] zelf is om zorg te dragen voor betaling van de in rekening gebrachte abonnementsgelden. De stelling van [gedaagde] dat zij een ander rekeningnummer zou hebben opgegeven, is door haar op geen enkele manier van een nadere onderbouwing voorzien en gaat eraan voorbij dat op de diverse aan haar gerichte facturen het nummer [giro] is vermeld dat - naar zij erkent - ook een door haar aangehouden rekening betreft. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om de machtiging waaruit anders zou blijken (in kopie) bij de gedingstukken te voegen, dan wel te refereren aan een expliciete (schriftelijke) afspraak met T-Mobile. Dat T-Mobile een fout zou hebben gemaakt bij de afschrijvingen door het hanteren van een onjuist rekeningnummer, is dan ook op geen enkele manier aangetoond of zelfs maar aannemelijk gemaakt. T-Mobile kan evenmin een verwijt worden gemaakt ten aanzien het verzenden van de facturen naar het studentenhuis van [gedaagde]. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] in verband met haar verblijf in het buitenland (tijdelijk) een ander adres heeft opgegeven, bijvoorbeeld het adres van haar ouders. De omstandigheid dat [gedaagde] de door T-Mobile verzonden facturen eerst in augustus 2007 onder ogen heeft gekregen, dient voor haar eigen rekening en risico te blijven. Het is de verantwoordelijkheid van [gedaagde] zelf om tijdens haar afwezigheid zorg te dragen voor (hulp bij) de afwikkeling van aan haar gerichte post.

Voor zover “Orange” ten onrechte bedragen van haar rekening heeft afgeschreven, staat voor [gedaagde] de weg open om deze als onverschuldigd betaald terug te vorderen. In elk geval is deze provider (of zijn rechtsopvolger) geen partij in dit geding.

Nu is komen vast te staan dat [gedaagde] met betaling van de abonnementsgelden in gebreke is gebleven, kon T-Mobile op grond van het bepaalde in artikel 11.1 sub a juncto artikel 11.3 van de algemene voorwaarden de overeenkomst met [gedaagde] eenzijdig ontbinden.

De achterstallige abonnementsgelden ad € 225,45 te vermeerderen met de contractuele rente hierover naar 1% per maand, alsmede de op grond van artikel 8.4 van de algemene voorwaarden gemaakte administratiekosten ad € 15,00, komen gelet op het bovenstaande voor toewijzing respectievelijk vergoeding in aanmerking.

Verder heeft Lindorff aangevoerd dat T-Mobile schade heeft geleden door de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst. T-Mobile heeft volgens Lindorff immers kosten gemaakt in verband met het aansluiten van de abonnee op het telecommunicatienetwerk. Daarnaast zijn kosten gemaakt voor het gratis ter beschikking stellen van een mobiele telefoon, welke kosten alleen kunnen worden terugverdiend indien daarvoor een vaste vergoeding wordt betaald in de vorm van abonnementsgelden. T-Mobile heeft zich dan ook genoodzaakt gezien om de door haar geleden schade vast te stellen op de tot 21 december 2008 resterende abonnementskosten ad € 762,52.

De kantonrechter is, ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) van 27 juni 2000 (NJ 2000/730, Océano) en 26 oktober 2006 (NJ 2007/201, Mostaza Claro), ambtshalve verplicht - althans bevoegd - tot toetsing van bedingen in algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten op het eventueel onredelijk bezwarende karakter.

In EG Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is onder meer bepaald:

“Artikel 3

Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

(…)

De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

In de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG is opgenomen onder e) dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt bedingen die tot doel of tot gevolg hebben:

“de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.”

Onder o) is opgenomen dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt bedingen die tot doel of tot gevolg hebben:

“de consument te verplichten al zijn verbintenissen na te komen, zelfs wanneer de verkoper zijn verbintenissen niet nakomt”.

In het kader van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6:233 aanhef en sub a BW vormt het feit dat een beding is opgenomen in de bijlage bij artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 93/13/EEG, een indicatie dat er sprake is van een onredelijk bezwarend beding.

Bij het op grond van de algemene voorwaarden in rekening brengen van de resterende termijnen als schadevergoeding kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding zoals hiervoor bedoeld. Tegenover de verplichting tot betaling van de vaste abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst, staan vanaf datum ontbinding immers geen diensten meer van T-Mobile. Of daadwerkelijk sprake is van een onevenredig hoge schadevergoeding en een onredelijk bezwarend beding dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Er zal derhalve antwoord moeten worden gegeven op de vraag of T-Mobile aan [gedaagde] een onevenredig hoge boete als schadevergoeding heeft opgelegd ter delging van beweerdelijk geleden schade per datum ontbinding overeenkomst.

Zoals reeds onder punt ii. is vastgesteld, bedroeg de tussen partijen op 21 december 2006 overeengekomen contractsduur 24 maanden.

De overeenkomst strekte tot het geregeld doen van verrichtingen en moet daarom worden gezien als een overeenkomst zoals die is omschreven in artikel 6:236 aanhef en sub j BW.

Volgens het bepaalde in artikel 6:237 aanhef en sub k BW brengt dit mee dat de consument bij een contractsduur van meer dan een jaar de mogelijkheid behoort te worden geboden om de overeenkomst in elk geval na een jaar op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van ten hoogste drie maanden.

Met het oog daarop is kennelijk in artikel 10.2 van de algemene voorwaarden bepaald:

”De klant kan de Overeenkomst tegen en na het verstrijken van de minimale contractperiode schriftelijk opzeggen (….)”.

De minimale contractsduur bedraagt volgens artikel 10 lid 1 van de algemene voorwaarden twaalf maanden.

Hieruit volgt dat [gedaagde] de overeenkomst - indien deze niet per 14 mei 2007 was ontbonden - tegen 20 december 2007 had kunnen opzeggen.

T-Mobile, althans Lindorff, is daaraan voorbijgegaan en heeft de nog resterende contractsperiode na de ontbinding als schadevergoeding gevorderd.

Nu Lindorff verder niet heeft toegelicht op grond waarvan zij een schadevergoeding tot het beloop van de resterende termijnen tot 21 december 2008 zou kunnen vorderen, moet er van uitgegaan worden dat [gedaagde] de overeenkomst als zij niet door T-Mobile was ontbonden, tegen de eerst mogelijke datum, te weten 20 december 2007 zou hebben opgezegd en vloeit hieruit voort dat er geen gronden zijn waarop ook over de periode na 20 december 2007 schadevergoeding gevorderd zou kunnen worden.

Op grond hiervan oordeelt de kantonrechter dat aan [gedaagde] slechts het gederfde abonnementsgeld tot aan het einde van het eerste contractsjaar of wel 20 december 2007 als schadevergoeding in rekening kan worden gebracht.

Die schade becijfert de kantonrechter op € 235,27 (exclusief btw, zijnde zeven termijnen ad

€ 33,61), te vermeerderen met de contractuele rente naar 1% per maand vanaf 1 juni 2007 tot aan de dag van algehele voldoening.

Nu Lindorff de schade ten aanzien van het door T-Mobile aan [gedaagde] ter beschikking gestelde mobiele telefoontoestel, onvoldoende concreet heeft gesteld, kan hiervoor in het onderhavige geval geen (afzonderlijke of extra) vergoeding worden toegewezen.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft Lindorff onvoldoende gemotiveerd en gespecificeerd toegelicht welke incassoactiviteiten zij voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft verricht. Hierdoor is niet voldoende komen vast te staan dat Lindorff werkzaamheden heeft verricht of kosten heeft gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

[gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding dienen te dragen.

BESLISSING

Veroordeelt [gedaagde] om aan Lindorff tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 475,72, te vermeerderen met de contractuele rente naar 1% per maand over de gevorderde (deel)bedragen minus de administratiekosten (€ 15,00), vanaf de respectieve verzuimdata tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Lindorff begroot op € 444,13, waaronder een bedrag van € 200,00 voor salaris van de gemachtigde.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.