Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH9063

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
03-703420-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-Promis- Verdachte wordt veroordeeld voor het opstellen van valse arbeidsovereenkomsten en valse werkgeversverklaringen alsmede voor het (tegen betaling) verstrekken van valse loonstroken. De personen, ten behoeve van wie de stukken waren opgesteld/verstrekt, waren niet daadwerkelijk bij verdachte in dienst. Het hiermee verkregen wederrechtelijk voordeel zal worden ontnomen tot aan een bedrag van € 14.850,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703420-05

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 maart 2009

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. R.J.H. Vlecken, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 maart 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: alleen of met anderen arbeidsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst om deze als echt en onvervalst te gebruiken, dan wel alleen of met anderen valse arbeidsovereenkomsten heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad;

Feit 2: alleen of met anderen werkgeversverklaringen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst om deze als echt en onvervalst te gebruiken, dan wel alleen of met anderen valse werkgeversverklaringen heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad;

Feit 3: alleen of met anderen valse salarisspecificaties heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie:

De gedingstukken geven de rechtbank aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de officier van justitie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in verband met de vraag of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 16 augustus 2005, nu op die dag een doorzoeking werd verricht in de woning van verdachte.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop door de bevoegde autoriteiten is gehandeld. Bij de berechting van een strafzaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden. Immers de strafzaak tegen verdachte is niet afgerond met een eindvonnis in eerste instantie op of voor 16 augustus 2007. Redenen of omstandigheden waarom de redelijke termijn in de onderhavige zaak op meer dan twee jaar zou moeten worden gesteld, waarbij gelet moet worden op de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van verdachte, de houding van het openbaar ministerie en de positie van verdachte, zijn de rechtbank niet gebleken. Zulks geldt te meer nu het zogenaamde eindproces-verbaal op 15 maart 2007 werd gesloten.

In het arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad beslist dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf.

De rechtbank zal de overschrijding in de strafmaat verdisconteren.

Er is geen reden tot schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich op de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. In de visie van de officier van justitie heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] steeds eenzelfde constructie gebruikt om mensen te voorzien van fictieve arbeidscontracten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 primair, 2 primair en 3 wettig en overtuigend bewezen, gelet op de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 december 2005, pagina 625 en 626;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 december 2005, pagina 631;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 16 augustus 2005, pagina 397 tot en met 400;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 3 oktober 2005, pagina 424 en 425;

• het geschrift, te weten een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [werknemer 1] d.d. 6 september 2002, pagina 403 tot en met 406;

• het geschrift, te weten een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [medeverdachte 3] d.d. 5 juni 2003, pagina 426 tot en met 429;

• de geschriften, te weten werkgeversverklaringen d.d. 9 oktober 2002 ten name van [werknemer 1], pagina 241 en 242;

• de geschriften, te weten salarisspecificaties ten name van [werknemr 1] d.d. 9 september 2002 tot en met 2 januari 2005, pagina 72 tot en met 99;

• de geschriften, te weten salarisspecificaties ten name van [medeverdachte 3] d.d. 8 september 2003 tot en met 17 juli 2005, pagina 430 tot en met 432 en 439 tot en met 461.

De hiervoren vermelde bewijsmiddelen zijn slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De rechtbank stelt ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde namen, te weten [werknemer 3], [werknemer 4] en [werknemer 5], vast dat alleen verdachte hierover belastend heeft verklaard. Nu de verklaring van verdachte in dit opzicht niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund, dient verdachte hiervan partieel te worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in het tijdvak van 6 september 2002 tot en met 5 juni 2003 in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens een arbeidsovereenkomst - telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader, telkens valselijk en in strijd met de waarheid een arbeidsovereenkomst opgesteld waarin in strijd met de waarheid werd vermeld, zakelijk weergegeven, dat de in die arbeidsovereenkomst genoemde persoon (te weten respectievelijk [werknemer 1] en [werknemer 2]) als werknemer in dienst was van [werkgever], en heeft hij, verdachte, telkens die arbeidsovereenkomst bij de vermelding "paraaf werkgever" voorzien van een paraaf, althans van een handtekening welke moest doorgaan voor de paraaf, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

2.

op 9 oktober 2002 in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, een werkgeversverklaring - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader, valselijk en in strijd met de waarheid een werkgeversverklaring opgesteld waarin in strijd met de waarheid werd vermeld, zakelijk weergegeven, dat de in die werkgeversverklaring genoemde persoon (te weten [werknemer 1]) als werknemer in dienst was van [werkgever] en die werkgeversverklaring onder de vermelding "Ondergetekende verklaart namens de werkgever dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld" voorzien van een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van de werkgever, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

3.

in het tijdvak van 6 september 2002 tot en met 17 juli 2005 in Nederland, meermalen, opzettelijk heeft afgeleverd een valse salarisspecificatie, waarin in strijd met de waarheid was vermeld, zakelijk weergegeven, welk loon de in die specificatie genoemde werknemer (te weten respectievelijk [werknemer 1] en [werknemer 2]) in de periode waarop die specificatie betrekking had, zou hebben genoten - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij, verdachte, wist dat dit geschrift telkens bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

een vals geschrift als ware het echt en onvervalst afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen. De officier van justitie heeft in zijn strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Indien geen sprake zou zijn geweest van overschrijding van de redelijke termijn, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn gevorderd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert een strafmaatverweer. Hij brengt naar voren dat verdachte moeite had met het ordenen van zaken. De oorzaak is gelegen in zijn verleden, zoals uit het voorlichtingsrapport d.d. 7 mei 2008 blijkt. Ook wordt de psychische problematiek waarmee verdachte te maken heeft in het rapport beschreven. Verdachte is thans in behandeling bij de Mondriaan.

De raadsman brengt voorts naar voren dat verdachte openheid van zaken heeft verschaft en verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelwijze.

De raadsman verzoekt ten slotte in de strafmaat rekening te houden met de lange duur van de onderhavige strafzaak.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van arbeidsovereenkomsten en één werkgeversverklaring en het afleveren van valse salarisspecificaties. Met zijn handelwijze heeft verdachte mensen de mogelijkheid gegeven om middels een fictief arbeidscontract een legaal inkomen te verkrijgen, zonder dat daadwerkelijk werkzaamheden door hen werden verricht. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij door het afsluiten van fictieve arbeidsovereenkomsten op een makkelijke manier geld kon verdienen. Verdachte heeft zich hierbij niet gerealiseerd wat de gevolgen van zijn handelen waren. Voornoemde documenten hebben namelijk een belangrijke bewijsfunctie in het maatschappelijk verkeer, waarin van de echtheid van de documenten moet kunnen worden uitgegaan. Door de handelwijze van verdachte is afbreuk gedaan aan de waarde die deze documenten in de dagelijkse praktijk hebben. Dit zal de rechtbank ten nadele van verdachte meewegen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het strafblad van 18 februari 2009 van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte bij vonnis d.d. 28 februari 2005 en 14 maart 2005, respectievelijk gewezen in de zaak met het parketnummer 03/450227-04 en 03/403643-04 is veroordeeld tot straf en nu opnieuw is schuldig verklaard aan strafbare feiten die voor die datum zijn gepleegd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken werden opgelegd. De rechtbank acht een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren op zijn plaats.

Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank recht gedaan aan de ernst van de feiten en wordt verdachte tevens de mogelijkheid geboden zijn leven op te pakken en te werken aan zijn persoonlijke problematiek. Verdachte heeft namelijk ter terechtzitting verklaard in behandeling te zijn bij de Mondriaan. Bovendien heeft hij verklaard dat hij terug wenst te keren in het arbeidsproces.

Met het voorwaardelijke element in de straf wil de rechtbank verdachte doordringen van de ernst van de door hem gepleegde feiten en hem duidelijk maken dat hij niet in herhaling moet vervallen.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake termijnoverschrijding (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358) dient bij een overschrijding van meer dan twaalf maanden naar bevind van zaken te worden gehandeld. De rechtbank acht een strafvermindering op het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf van 20% recht doen aan de termijnoverschrijding in de onderhavige strafzaak. De rechtbank zal gelet op het voorgaande overgaan tot oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met behulp van welke het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij haar beslissing deze voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen opgevat, waarop het voorgaande van toepassing is.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

2 2 Documenten: salarisstroken ten name van [werknemer 2], [adres], [woonplaats],

periode7-8/05;

3 1 Document: arbeidsovereenkomst tussen [werknemer 2] en [werkgever]

4 1 Document: arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en[werknemer 1] ;

5 1 Document: werkgeversverklaring van [werkgever]

betreffende [werknemer 1];

6 1 Papier: kopie paspoort [werknemer 1];

7 1 Papier: opschrift "loon overmaken wk.33-34-35-36";

8 4 Papieren: kopieen productiestaat projectnaam 22076 Stein;

9 1 Papier: kopie paspoort [werknemer 3];

10 1 Document: werkgeversverklaring d.d. 30-01-2004 [werkgever] m.b.t. [werknemer 3];

11 1 Document: werkgeversverklaring d.d. 29-1-2004 m.b.t. [werknemer 4];

12 1 Document: arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer 4] d.d. 1 oktober 2003;

13 1 Papier: schrijven SVB d.d. 18 maart 2004;

14 1 Document: arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer 5] d.d. 1 september

2004;

15 3 Papieren: kopieen loonstroken periode 7,8 en 9 van 2005;

16 1 Papier: loonstrook van [werknemer 5] periode 8 van 2005.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. J.H. Klifman en

mr. C.M.J. van den Acker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 maart 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 6 september 2002 tot en met 1 september 2004 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een arbeidsovereenkomst - (telkens) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging

met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid

een arbeidsovereenkomst opgesteld waarin in strijd met de waarheid werd vermeld, zakelijk weergegeven, dat de in die arbeidsovereenkomst genoemde persoon (te weten respectievelijk [werknemer 1], [werknemer 2], [werknemer 3], [werknemer 4] en/of [werknemer 5]) als werknemer in dienst was van [werkgever], en/of heeft hij, verdachte, (telkens) die arbeidsovereenkomst bij de vermelding "paraaf werkgever" voorzien van een paraaf, althans van een handtekening welke moest doorgaan voor de paraaf, althans de handtekening van de werkgever, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 6 september 2002 tot en met 1 september 2004 in de gemeente(n) Sittard-Geleen, Heerlen en/of Landgraaf, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad een vals(e) arbeidsovereenkomst, waarin in strijd met de waarheid werd vermeld, zakelijk weergegeven, dat de in die arbeidsovereenkomst genoemde persoon (te weten respectievelijk [werknemer 1], [werknemer 2], [werknemer 3], [werknemer 4] en/of [werknemer 5]) als werknemer in dienst was van [werkgever] - (telkens) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift (telkens) bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

2.

hij op of omstreeks 9 oktober 2002 en/of op of omstreeks 30 december 2004 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een werkgeversverklaring - (telkens) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid een werkgeversverklaring opgesteld waarin in strijd met de waarheid werd vermeld, zakelijk weergegeven, dat de in die werkgeversverklaring genoemde persoon (te weten respectievelijk [werknemer 1] en/of [werknemer 3]) als werknemer in dienst was van respectievelijk [werkgever ] en/of van [werkgever b]

en/of heeft hij, verdachte, (telkens) die werkgeversverklaring onder de vermelding "Ondergetekende verklaart namens de werkgever dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld" voorzien van een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van de werkgever, althans namens de werkgever gezet, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2002 en/of op of omstreeks 30 december 2004 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meermalen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad (een) vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring, waarin in strijd met de waarheid stond vermeld, zakelijk weergegeven, dat de in die werkgeversverklaring genoemde persoon (te weten respectievelijk [werknemer 1] en/of [werknemer 3]) als werknemer in dienst was van respectievelijk [werkgever] en/of van [werkgever b] - (telkens) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het/zij (telkens) echt en

onvervalst;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak van 6 september 2002 tot en met 11 september 2005 in de gemeente(n) Sittard-Geleen, Heerlen en/of Landgraaf, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals(e)

salarisspecificatie, waarin in strijd met de waarheid was vermeld, zakelijk weergegeven, welk loon de in die specificatie genoemde werknemer (te weten respectievelijk [werknemer 1], [werknemer 2], [werknemer 3], [werknemer 4] en/of [werknemer 5]) in de periode waarop die specificatie betrekking had zou genieten, althans zou hebben genoten - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit geschrift (telkens) bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.