Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH6641

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
308915 CV EXPL 08-4040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Partijen twisten over hetgeen zij zijn overeengekomen met betrekking tot de toekenning en berekening van "extra" verlof. In de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar "de personeelsgids". Gelet op de gebruikte bewoordingen gaat de kantonrechter er van uit dat hiermee bedoeld wordt de personeelsgids die eiser bij het ondertekenen van zijn arbeidsobereenkomst overhandigd heeft gekregen. Niets duidt erop dat ook alle volgende personeelsgidsen geincorporeerd zijn. Zoals een en ander in voornoemde uitgave is verwoord, is er sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid in de regeling. Derhalve doet zich de vraag voor hoe eiser de regeling heeft mogen uitleggen.

Het moet ervoor worden gehouden dat eiser, ondanks de tekstuele tegenstrijdigheid, de regeling aldus had kunnen en moeten begrijpen dat er sprake was van opbouw van extra verlof "vanaf vijf dagen". Een nadere uitleg zou resulteren in een ongerechtvaardigde bevoordeling ten opzichte van de overige werknemers van gedaagde, waarvoor eiser geen (achteraf) verklaarbare bijzondere reden geeft, laat staan dat hij deze tegenover de betwisting van gedaagde bewijst."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 308915 CV EXPL 08-4040

typ: LE

Vonnis van 18 maart 2009

in de zaak van

[eiser],

wonend te [woonplaats],

eisende partij,

verder ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. K.C.T. Putman, jurist bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand

te ’s-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HSPRO MAASTRICHT B.V.,

statutair gevestigd te Maastricht en kantoorhoudend te Schinnen,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: HSPro,

gemachtigde: mr. L. Dreschler, jurist bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[eiser] heeft bij dagvaarding van 30 september 2008 een vordering ingesteld tegen HSPro en heeft zich daarvoor mede beroepen op zeven aan het exploot van dagvaarding gehechte producties in fotokopievorm.

HSPro heeft geantwoord onder overlegging van twee producties in fotokopievorm.

[eiser] heeft vervolgens voor repliek geconcludeerd.

HSPro heeft hier schriftelijk op gereageerd (dupliek).

Hierna is uitspraak bepaald.

2. MOTIVERING

a. het geschil

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad HSPro te veroordelen tot betaling van:

a. een bedrag van € 394,42 bruto (2,2 x 8 x € 22,41) aan (vergoeding van) opgebouwde, maar niet uitbetaalde vakantiedagen;

b. een bedrag van € 197,21 bruto (50% van € 394,42), dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan wettelijke verhoging over het gevorderde bedrag onder a.;

c. een bedrag van € 6.095,52 bruto (34 x 8 x € 22,41) aan (vergoeding van) opgebouwde, maar niet uitbetaalde extra verlofdagen;

d. een bedrag van € 3.047,76 bruto (50% van € 6.095,52), dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan wettelijke verhoging over het gevorderde bedrag onder c.;

e. de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

alles onder verwijzing van HSPro in de proceskosten.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat hij in de looptijd van zijn (inmiddels beëindigde) arbeidsovereenkomst meer vakantie- en/of verlofdagen heeft opgebouwd dan blijkt uit de verlofadministratie van HSPro. Hij beroept zich daarvoor op de in hoofdstuk 13 van de (bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst ter hand gestelde en als productie 3 bij dagvaarding overgelegde) personeelsgids opgenomen bijzondere verlofregelingen. [eiser] is dan ook van mening dat aan hem bij de eindafrekening te weinig vakantie- en/of verlofdagen zijn uitbetaald.

HSPro is van mening dat aan [eiser] een correcte eindafrekening is verstrekt.

De personeelsgids die door [eiser] is overgelegd, kan volgens HSPro niet als uitgangspunt worden genomen, omdat vanaf 2001 de in hoofdstuk 13 opgenomen regeling is gewijzigd. Vóór 2001 gold bij HSPro de regeling waarbij extra verlof kon worden opgebouwd “vanaf zeven dagen”. “Vanaf 2001” is deze regeling gewijzigd met als uitgangspunt een extra verlofopbouw “vanaf vijf dagen”. In de eerste uitgave van de personeelsgids in 2001 is volgens HSPro een omissie geslopen. Deze omissie is echter in hetzelfde jaar gecorrigeerd door middel van het uitbrengen van een aanvulling.

b. de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of niet-deugdelijk weersproken, en mede op grond van in dat opzicht niet betwiste producties staat tussen partijen het navolgende vast.

[eiser] is op 1 juni 2001 op grond van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur in dienst getreden van de rechtsvoorgangster van HSPro. Laatstelijk heeft hij de functie vervuld van “Project Engineer” tegen een loon van € 3.585,06 bruto per vier weken, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

De arbeidsovereenkomst is op 31 juli 2006 beëindigd. In augustus 2006 is de laatste loonbetaling met een afrekening van de resterende vakantiedagen ontvangen. HSPro heeft ter zake van vakantiedagen bij die gelegenheid een bedrag van € 6.654,77 bruto aan [eiser] uitbetaald.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst van [eiser] zijn ten aanzien van de opbouw van vakantie- en verlofdagen twee bepalingen opgenomen. Ten aanzien van de vakantiedagen bevat bladzijde 2 van het contract de passage:

“Het aantal vakantiedagen bedraagt 30 per vakantiejaar op jaarbasis bij een 40-urige werkweek. Indien de overeengekomen arbeidsduur minder dan 40 uur per week bedraagt, bouwt de werknemer vakantiedagen naar rato op. Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Vakantiedagen worden in beginsel opgenomen in overleg met Intertec Resources en de opdrachtgever en zoveel mogelijk overeenkomstig de geldende regeling bij de opdrachtgever.”

Ten aanzien van de opbouw van extra verlof staat op bladzijde 3 van het contract:

“De extra verlofregeling is gekoppeld aan het ziekteverzuim van de werknemer. E.e.a. staat omschreven in de personeelsgids.”

Ten tijde van het tekenen van zijn arbeidsovereenkomst (op 8 februari 2001) is aan [eiser] de Personeelsgids van Intertec Resources in de versie van januari 2001 ter hand gesteld. Bladzijde 18 van deze personeelsgids geeft in artikel 13.1 de “Extra verlofregeling” weer, die onder meer de volgende passages bevat:

“Deze verlofregeling is gekoppeld aan het ziekteverzuim van de werknemer.

Na één jaar dienstverband heeft men recht op zeven dagen extra verlof in het opvolgende jaar mits er geen ziekteverzuim is geweest. In men aan het eind van het eerste jaar nog geen heel jaar in dienst dan wordt 7/12 x het aantal maanden gehanteerd. Bijvoorbeeld bij 5 maanden resulteert dit in 7/12 x 5 = 3 dagen extra verlof (afgerond op 0,5 dag).…

Opbouw van extra verlof geschiedt volgens onderstaande tabel:

Extra verlof: * 1 jaar in dienst 5 dagen

* 2 jaar in dienst 1 dag extra 6 dagen

* 3 jaar in dienst 1 dag extra 7 dagen

* 4 jaar in dienst 1 dag extra 8 dagen

* 5 jaar in dienst 1 dag extra 9 dagen

* 6 jaar in dienst 1 dag extra 10 dagen… ”

Op 10 november 2008 - dus in de loop van deze procedure - heeft HSPro alsnog drie vakantiedagen aan [eiser] uitbetaald.

c. de beoordeling

Kernpunt van het geschil tussen partijen is wat zij precies zijn overeengekomen. [eiser] meent immers dat met betrekking tot de toekenning en berekening van “extra”verlof de oude regeling van toepassing is, terwijl HSPro meent dat de nieuwe regeling van toepassing is.

In de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst wordt (in relatie tot de extra verlofregeling) verwezen naar “de personeelsgids”. Gelet op de gebruikte bewoordingen gaat de kantonrechter ervan uit dat hiermee bedoeld wordt de personeelsgids die [eiser] bij het ondertekenen van zijn arbeidsovereenkomst overhandigd heeft gekregen. Niets duidt er immers op dat ook alle volgende personeelsgidsen geïncorporeerd zijn (en dus kunnen worden toegepast). Derhalve moet worden uitgegaan van de tekst die is opgenomen in de door [eiser] overgelegde uitgave van de personeelsgids.

Zoals een en ander in voornoemde uitgave is verwoord, is er sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid in de regeling. In de tweede alinea staat immers omschreven dat na één jaar dienstverband recht op zeven dagen extra verlof ontstaat in het opvolgende jaar mits er geen ziekteverzuim is geweest, terwijl in de tabel van de opbouw van extra verlof staat dat na één jaar vijf extra verlofdagen zijn opgebouwd. Derhalve doet zich de vraag voor hoe [eiser] de regeling heeft mogen uitleggen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het standpunt van [eiser] te volgen dat er sprake is van twee verlofregelingen. Gelet op de hiervoor reeds geciteerde openingszin moet worden uitgegaan van één regeling, namelijk een verlofregeling, gekoppeld aan het ziekteverzuim van de werknemer. Derhalve is er evenmin aanleiding om te veronderstellen dat [eiser] niet heeft gemerkt dat een omissie in de personeelsgids is geslopen. Uit de tabel blijkt duidelijk dat de regeling uitgaat van de opbouw van extra verlof “vanaf vijf dagen”. Bovendien heeft [eiser] niet weersproken dat HSPro in de discussie over dit onderwerp steeds het standpunt heeft ingenomen dat moet worden uitgegaan van vijf dagen en niet van zeven dagen extra verlof en evenmin dat HSPro in de onderneming dit standpunt heeft uitgedragen. De verlofopbouw van de andere werknemers van HSPro heeft dan ook met ingang van 1 januari 2001 (HSPro gebruikt de bewoordingen “vanaf 2001”) volgens deze nieuwe regeling plaatsgevonden. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat [eiser], nu hij pas in juni 2001 in dienst is getreden, ondanks de tekstuele tegenstrijdigheid, de regeling aldus had kunnen en moeten begrijpen dat er sprake was van opbouw van extra verlof “vanaf vijf dagen”. Een andere uitleg zou resulteren in een ongerechtvaardigde bevoordeling ten opzichte van de overige werknemers van HSPro, waarvoor [eiser] geen (achteraf) verklaarbare bijzondere reden geeft, laat staan dat hij deze tegenover de betwisting van HSPro bewijst.

Gelet op het vorenstaande dient de vordering van [eiser] te worden afgewezen.

[eiser] dient als volledig in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten, aan de zijde van HSPro tot op heden begroot op een bedrag van € 500,00 voor het salaris van de gemachtigde van HSPro.

3. BESLISSING

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van HSPro tot op heden begroot op een bedrag van € 500,00 voor het salaris van de gemachtigde van HSPro.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en uitgesproken in het openbaar in aanwezigheid van de griffier.