Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH6089

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
311485 CV EXPL 08-4416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tandartskosten minderjarige. Geneeskundige behandelingsovereenkosmt. Kind is voor ziektekosten verzekerd op polis van vader (gedaagde), maar deze was niet bij het verstrekken van de opdracht tot de in geding zijnde behandeling betrokken. Artikel 7:461 BW; de moeder, zo staat vast, was de opdrachtgever.

Beroep van tandarts op onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen slaagt niet. De betreffende wettelijke bepalingen (artikel 1:245 lid 3 BW juncto artikel 1:247 BW en artikel 1:392 BW) regelen de onderlinge aanspraken (tussen ouders en kinderen) inzake de (vergoeding van) kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen, doch op die bepalingen kunnen niet, althans niet zonder meer, aanspraken van derden zoals eiser gegrond worden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 245
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Burgerlijk Wetboek Boek 1 329
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 461
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2009/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 311485 CV EXPL 08-4416

typ: RK

Vonnis d.d. 18 februari 2009

in de zaak van:

[eiser]

wonend te [woonplaats]

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.J.V.M. Batta, deurwaarder te Maastricht

tegen:

[gedaagde],

wonend te [woonplaats]

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.J.M. Bongaarts, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Door partijen zijn achtereenvolgens de navol¬gende proces¬stukken gewisseld:

-exploot van dagvaarding d.d. 17 oktober 2008 met drie, deels meervoudige, producties in fotokopievorm;

-conclusie van antwoord van gedaagde in persoon;

-conclusie van repliek;

-conclusie van dupliek, waarbij voornoemde mr. Bongaarts zich als gemachtigde heeft gesteld.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

de vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen vast dat [dochter], de dochter van gedaagde, geboren op [1991], op 23 mei 2006, 29 juni 2006 en op 16 januari 2007 tandheelkundige behandelingen bij eiser heeft ondergaan. De kosten, voor een bedrag van in totaal € 319,70, zijn onvergoed gebleven.

de vordering

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert eiser de veroordeling van gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 493,26, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 319,70 vanaf 15 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening, alles onder verwijzing van gedaagde in de proceskosten.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 319,70 hoofdsom, kosten tandheelkundige behandelingen

€ 84,31 tot 15 oktober 2008 vervallen wettelijke rente over de hoofdsom

€ 89,25 vergoeding van buitengerechtelijke kosten inclusief btw.

het verweer en de grondslag van de vordering

Gedaagde stelt zich primair op het standpunt dat eiser, omdat dochter [dochter] ten tijde van de behandelingen minderjarig was, naast de toestemming van de moeder, ook zijn toestemming nodig had om de behandelingen uit te voeren. Eiser heeft ten onrechte verzuimd die toestemming (ook) aan gedaagde te vragen.

Subsidiair stelt gedaagde de door eiser bij exploot van dagvaarding overgelegde facturen nimmer te hebben ontvangen. Deze facturen waren niet aan hem maar aan [dochter] gericht. Pas door ontvangst van een brief van de deurwaarder van 23 mei 2007 werd hem duidelijk dat er buiten hem om een behandeling had plaatsgevonden. Gedaagde acht zich geen partij ‘in deze vordering’ en gaat er van uit dat eiser zijn vordering zal ‘afhandelen’ met zijn feitelijke opdrachtgever.

Bij repliek heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat [dochter] zich op 23 mei 2006 met haar moeder tot hem heeft gewend. Eiser heeft een behandelplan voorgesteld dat gericht was op het behouden van een gaaf en gezond gebit. De moeder van [dochter] heeft toestemming gegeven voor de behandeling en de toestemming van gedaagde mocht worden verondersteld, omdat sprake was van een verrichting die niet ingrijpend van aard was.

De facturen zijn aan [dochter] zelf gericht, doch geadresseerd aan het adres van [gedaagde], hetgeen immers toen ook het adres van [dochter] was. In eisers praktijk worden de facturen sinds de invoering van het nieuwe zorgstelsel aan de patiënt zelf gericht ‘om verwarring te voorkomen ten aanzien van de zorgverzekeraar’. Zo kunnen nota’s per patiënt worden gedeclareerd, aldus eiser.

Bij dupliek stelt gedaagde zich op het standpunt dat de onderhavige behandeling meer was dan een niet-ingrijpende verrichting. Tevens stelt gedaagde dat het vreemd is dat de facturen aan [dochter] zelf zijn verstuurd, nu niet [dochter] maar híj een zorgverzekering heeft afgesloten. [dochter] heeft kennelijk de voor haar bestemde post mee naar haar kamer genomen voordat haar vader van zijn werk thuis kwam. De in mei en juni 2007 verzonden aanmaningen waren wel (mede) aan gedaagde gericht, naar aanleiding waarvan hij telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van deurwaarderskantoor Batta. Hoewel hij van mening was (en is) dat zijn ex-echtgenote (de moeder van [dochter]) de nota’s dient te betalen omdat zij blijkbaar buiten zijn medeweten om de onderhavige behandeling had geregeld, is in dat gesprek de mogelijkheid besproken de kosten alsnog bij de zorgverzekeraar te declareren. Daarvoor had gedaagde de originele nota’s nodig en die waren niet in zijn bezit en ook niet in het bezit van de deurwaarder. Hij wees derhalve op de mogelijkheid dat de tandarts de nota’s zelf bij de zorgverzekeraar kon declareren. Aangezien gedaagde daarna lange tijd niets meer hoorde, nam hij aan dat de tandarts de nota’s inmiddels zelf bij de verzekeraar had gedeclareerd. Toen gedaagde bij de onderhavige dagvaarding voor het eerst kennis nam van de nota’s was de termijn om deze bij de verzekeraar te kunnen declareren inmiddels verstreken.

de beoordeling

Eiser stelt, expliciet dan wel impliciet, dat hij [dochter] heeft behandeld op basis van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:461 BW is de opdrachtgever degene die de hulpverlener (in dit geval eiser) loon verschuldigd is. Dat het hier zou gaan om een niet-ingrijpende verrichting zodat de toestemming van gedaagde verondersteld mocht worden doet, wat daar overigens ook verder van zij, aan dit laatste niet af.

Vaststaat dat gedaagde niet betrokken is geweest bij het verstrekken van de opdracht aan eiser tot het verrichten van tandheelkundige handelingen ten behoeve van [dochter]. Gedaagde is dan ook niet te beschouwen als partij bij de tot stand gekomen overeenkomst.

De vordering zal dan ook bij gebrek aan een contractuele grondslag worden afgewezen.

Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter op dat voor zover eiser een beroep heeft willen doen op de wettelijke onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen, dat beroep niet kan slagen. Die onderhoudsplicht geeft eiser als derde niet zonder meer een recht op voldoening van zijn kosten door gedaagde: de betreffende wettelijke bepalingen (artikel 1:245 lid 3 BW juncto artikel 1:247 BW en artikel 1:392 BW) regelen immers de onderlinge aanspraken (tussen ouders en kinderen) inzake de (vergoeding van) kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen, doch op die bepalingen kunnen niet, althans niet zonder meer, aanspraken van derden zoals eiser gegrond worden. Eiser heeft naar alle waarschijnlijkheid wél een vordering op de met gezag belaste ouder die de opdracht gaf. Wellicht kan deze met gezag belaste ouder op grond van de wettelijke bepalingen inzake onderhoudsplicht zelf wel aanspraken jegens gedaagde geldend maken, maar eiser staat daar als derde buiten.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiser tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde tot op de datum van dit vonnis begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting, in aanwezigheid van de griffier.