Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH5627

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
317188 CV EXPL 08-5313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verweer dat de administatie van de zorgverzekeraar 'kennelijk te wensen over laat' is onvoldoende. "Gelet op de duidelijke inhoud van de specificatie van de vordering (genoemde productie 1 bij repliek) had het op de weg van gedaagde gelegen om, indien hij de juistheid daarvan met succes had willen betwisten, zijn verweer van een toegespitste onderbouwing te voorzien, bijvoorbeeld door kopieën van betalingsbewijzen in het geding te brengen, doch dit heeft hij ten enenmale nagelaten."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 317188 CV EXPL 08-5313

typ: RK

Vonnis d.d. 11 maart 2009

in de zaak van:

COÖPERATIE VGZ-IZA-TRIAS U.A.,

gevestigd te Gorinchem,

eisende partij,

gemachtigden: mr. E.L.B. Hundscheidt en F.H.M. Bazuin, deurwaarders te Rotterdam

tegen:

[gedaagde partij],

wonend te [adres],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.P. Ruysink, advocaat te Bunde.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de navol¬gende proces¬stukken gewisseld:

-exploot van dagvaarding d.d. 6 november 2008;

-conclusie van antwoord met twee producties in fotokopievorm;

-conclusie van repliek met zeven, deels meervoudige, producties in fotokopievorm;

-conclusie van dupliek.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING

Bij voormeld exploot van dagvaarding vordert eiseres de veroordeling van gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 839,13, vermeerderd met de wettelijke rente over € 660,63 vanaf de eerste dag van elke respectieve premiemaand waarvan eiseres betaling vordert, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening en onder verwijzing van gedaagde in de proceskosten.

De vordering is als volgt opgebouwd:

€ 660,63 hoofdsom (achterstallige premie over de periode 1-1-2006 t/m 31-12-2006)

€ 178,50 vergoeding van buitengerechtelijke kosten, inclusief btw.

Gedaagde betwist niet met eiseres een (zorgverzekerings)overeenkomst te hebben gesloten, maar stelt bij antwoord van mening te zijn dat hij aan eiseres niets meer verschuldigd is.

Eiseres heeft vervolgens een specificatie van de hoofdsom als productie 1 aan de conclusie van repliek gehecht. Volgens die specificatie was gedaagde over het gehele jaar 2006 in totaal (na verrekening no-claim) € 996,21 aan verzekeringspremie verschuldigd, waarop drie betalingen (13 april 2006 ad € 148,80, 12 mei 2006 ad € 163,78 en 12 januari 2007 ad

€ 23,00) van in totaal € 335,38 in mindering zijn gebracht, zodat nog € 660,63 aan achterstallige premie resteert.

Bij dupliek stelt gedaagde zich niet langer op het standpunt dat hij niets meer aan eiseres verschuldigd is, doch voert hij, voor zover (enigszins) relevant, slechts aan dat de administratie van eiseres ‘kennelijk te wensen over laat’ en dat die ‘geen betrouwbare basis kan vormen voor een veroordeling’.

Ter adstructie van die stellingen verwijst gedaagde naar producties 5 en 6 bij repliek; die laatste productie is een brief van 12 februari 2008 waarin vermeld staat dat de hoofdsom

€ 675,63 bedraagt en het saldo € 883,88, allebei bedragen die in het exploot van dagvaarding niet vermeld staan en waarvoor, volgens gedaagde, geen logische verklaring is te vinden.

Nog daargelaten dat een alleszins logische verklaring voor de verschillen van de in de productie 6 bij repliek genoemde bedragen met die zoals thans gevorderd gelegen kan zijn in reeds vervallen rente en incassokosten is het verweer van gedaagde ook overigens volstrekt onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de duidelijke inhoud van de specificatie van de vordering (genoemde productie 1 bij repliek) had het op de weg van gedaagde gelegen om, indien hij de juistheid daarvan met succes had willen betwisten, zijn verweer van een toegespitste onderbouwing te voorzien, bijvoorbeeld door kopieën van betalingsbewijzen in het geding te brengen, doch dit heeft hij ten enenmale nagelaten.

De kantonrechter zal de vordering dan ook toewijzen met dien verstande dat eiseres omtrent de aan de procedure voorafgegane incasso(pogingen) onvoldoende (gespecificeerd en gedocumenteerd) heeft gesteld om daaruit te kunnen concluderen dat werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan.

Daarmee is niet komen vast te staan dat de door eiseres bedoelde werkzaamheden en kosten verder strekten dan de verrichtingen en kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv. een voorziening geven. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

De renteclaim is, ook voor wat betreft de reeds vervallen rente, onbetwist gebleven en is dus eveneens toewijsbaar.

Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij tot betaling van de aan de zijde van eiseres gevallen proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

Veroordeelt gedaagde om aan eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 660,63, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van verzuim van elke premiemaand waarvan eiseres thans betaling vordert tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot de datum van dit vonnis begroot op € 445,44, bestaande uit € 200,00 aan salaris gemachtigde, € 153,00 aan vastrecht en € 92,44 aan explootkosten.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter, en uit¬gesproken ter openbare civiele terechtzitting, in aanwezigheid van de griffier.