Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH5465

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 52
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2007 is de aanvraag van eiseres voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) afgewezen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel. De gemeenteraad stelt ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast.

In de toelichting op de Verordening is, voor zover hier van belang, neergelegd dat louter de aantoonbare beperkingen van de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening terzake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 52

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres],

wonend te Heerlen, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 4 december 2007

Kenmerk: 31003/20071096-W/WS

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 januari 2009. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door E.R.T.A. Luijten, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door W.G. Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

Ter zitting is als getuige gehoord M.J. Vongehr, fysiotherapeut.

2. Overwegingen

Bij besluit van 7 november 2007 is de aanvraag van eiseres voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) afgewezen. Bij het bestreden besluit is het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard en is het primaire besluit gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel. De gemeenteraad stelt ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast.

Deze regels zijn door de raad van de gemeente Heerlen neergelegd in de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (hierna: Verordening). Eiseres verzoekt om een voorziening als bedoeld in artikel 22, onder a, van de Verordening.

Blijkens artikel 22, aanhef en onder a, van de Verordening kan de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorziening bestaan uit een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening.

Op grond van artikel 23 van de Verordening kan de aanvrager voor de in artikel 22, onder a, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (a) het gebruik van het openbaar vervoer of (b) het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.

In de toelichting op de Verordening is, voor zover hier van belang, neergelegd dat louter de aantoonbare beperkingen van de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening terzake.

Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2008 (LJN: BD6225), dat in het samenstel van de artikelen 7:12, eerste lid, 3:49 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) besloten ligt dat een besluit dat berust op het advies van een medisch adviseur, zodanig inzichtelijk gemotiveerd dient te zijn dat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Voorts ligt daarin besloten dat, indien de belanghebbende het medische advies op een of meer punten concreet onderbouwd weerspreekt, het niet met de in artikel 3:9 van de Awb neergelegde vergewisplicht in overeenstemming is dat het bestuursorgaan daaraan zonder meer voorbijgaat door te volharden in de - enkele - verwijzing naar het advies.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn primaire besluit baseert op het advies van

J. Pourier, arts GGD, van 23 oktober 2007. Uit het advies blijkt dat deze arts eiseres heeft gezien op het spreekuur en dat hij schriftelijke inlichtingen heeft ontvangen van de behandelende sector. Uit het advies blijkt voorts dat op 2 oktober 2007 van G. Geboers, revalidatiearts, schriftelijk inlichtingen zijn ontvangen en dat deze door de GGD-arts in het advies zijn betrokken. De GGD-arts heeft geconcludeerd dat er geen medische indicatie is voor een vervoersvoorziening. Er is, aldus het advies, sprake van niet objectiveerbare klachten. Uit het medisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een lichamelijke aandoening die de klachten van eiseres kunnen verklaren. Er is geen lichamelijke aandoening aanwezig waaruit blijkt dat er beperkingen zijn in het bereiken, in- en uitstappen en het gebruik van het openbaar vervoer. Dit wordt ook door eiseres zelf bevestigd, omdat ze (toevoeging rechtbank: tijdens het gesprek heeft aangegeven dat ze) met de bus van haar thuisadres naar een vriendin is gegaan en vandaar met de fiets naar het gebouw van de GGD is gekomen, aldus het rapport van de GGD-arts.

Voormelde GGD-arts heeft in zijn reactie van 18 februari 2008 op het door eiseres gestelde en de in beroep overgelegde stukken geconcludeerd dat er geen reden is om het gegeven advies te herzien. De overgelegde stukken bevatten geen nieuwe medische informatie. Blijkens deze reactie was bij het eerste advies ook informatie betrokken van de huisarts

- waarvan het advies als zodanig geen blijk geeft -, hetgeen eiseres niet betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de betrokken arts zijn advies van 23 oktober 2007 deugdelijk en op inzichtelijke wijze onderbouwd. Verweerder mocht bij zijn besluitvorming op dit advies, dat ook op deugdelijke wijze tot stand is gekomen, afgaan. Hetgeen dienaangaande door eiseres naar voren is gebracht, heeft de rechtbank niet ervan overtuigd dat het professionele oordeel van de GGD-arts niet gevolgd kan worden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt

De conclusie van de GGD-arts dat de klachten niet zijn te herleiden tot een medisch objectiveerbare oorzaak - hetgeen hier de onbetwiste maatstaf is -, kan de rechtbank niet voor onjuist houden. Het feit dat in de behandelende sector de diagnose fybromyalgie is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt hierbij op dat de bevindingen van

Vongehr, voornoemd, zoals ter zitting nog door hem is toegelicht, berusten op een behandelplan en het door eiseres zelf gepresenteerde klachtenpatroon. De diagnose is kortom niet gebaseerd op enige objectief medisch vast te stellen oorzaak. De omstandigheid dat de revalidatiearts de mening is toegedaan dat een vervoersvoorziening is benodigd, betreft geen medische beoordeling. Eiseres heeft niet met medisch-specialistische rapporten van bijvoorbeeld een psychiater of reumatoloog aangetoond dat haar lichamelijke en/of psychische klachten ten tijde in geding zijn te herleiden tot een medisch objectiveerbare oorzaak, die haar dusdanig beperken in het gebruik van openbaar vervoer dat zij aangewezen is op een collectieve vervoersvoorziening.

Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat met name steekt dat in het advies en de reactie - naar de mening van eiseres: onjuist - vermeld staat dat zij tijdens het spreekuur zou hebben aangegeven fietsend naar het gebouw van de GGD te zijn gekomen. Een en ander behoeft hier verder geen bespreking, nu dit geen afbreuk doet aan het gegeven dat de klachten geen objectieve oorzaak hebben, althans dat dit niet is aangetoond.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de GGD-arts in het geval van eiseres niet objectief of onzorgvuldig heeft gehandeld. De GGD-arts heeft in zijn reactie uiteengezet dat het medisch onderzoek heeft bestaan uit een anamnese en een inspectie van het looppatroon, het zitten en opstaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De omstandigheid dat eiseres het beschreven onderzoek niet als zodanig heeft ervaren, doet hieraan niet af. Van een verder medisch onderzoek kon worden afgezien, nu geen medisch objectieve onderbouwing aanwezig was voor de gestelde klachten.

De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de GGD-arts niet alle, ten tijde van de reactie voorhanden zijnde, medische informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling heeft meegenomen. Voor wat betreft de, na de reactie ingebrachte, brief van de huisarts van 28 december 2008, is de stelling ter zitting van verweerder, dat in die brief geen nieuwe informatie is vervat, onbetwist gebleven.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de medische situatie van eiseres aan een andere arts te doen voorleggen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 augustus 1997 (LJN: ZB7388), waarin is uitgesproken dat geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel valt aan te wijzen dat met zich brengt dat verweerder in de bezwaarfase zonder meer gehouden is een tweede onafhankelijk medisch onderzoek te doen instellen.

De omstandigheid op zich dat eiseres voorheen wel voor een vervoersvoorziening in aanmerking is gebracht alsmede de omstandigheid dat eiseres zelf de mening is toegedaan dat haar medische situatie is verslechterd, betekent niet dat eiseres zonder meer aanspraak heeft op een voorziening krachtens de Wmo.

De rechtbank stelt vast dat naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van eiseres van

15 juni 2007 de situatie van eiseres opnieuw is beoordeeld en concludeert dat eiseres ten tijde in geding niet zodanige - naar objectieve maatstaf gemeten - medische beperkingen had, dat zij voor haar vervoer was aangewezen op een collectieve vervoersvoorziening. Aan de door eiseres ingezonden stukken van medische aard kan niet een andersluidende conclusie worden verbonden.

Dit betekent dat het besluit van verweerder om de weigering van de aangevraagde voorziening te handhaven materieel juist is. Nu evenmin is gebleken dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen of dat een deugdelijke motivering ontbeert, kan het bestreden besluit in stand blijven. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Voor wat betreft de ter zitting aangestipte gewijzigde omstandigheden, merkt de rechtbank ter voorlichting aan eiseres op dat het haar vrijstaat een nieuwe aanvraag in te dienen.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J.N.F. Sleddens, voorzitter, en Y.J. Klik en E.V.L. Heuts, leden, in tegenwoordigheid van I.H.J. van Neer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2009.

w.g. I. van Neer w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 9 maart 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.