Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH5030

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 138
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening ingediend hangende beroep tegen besluit van 22 december 2008 tot ongegrondverklaring van bezwaar tegen ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker. Bij besluit van 9 februari 2009 is het besluit van 22 december 2008 herroepen, maar het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker gehandhaafd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van 9 februari 2009 is aan te merken als een besluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Nu dit besluit niet (geheel) tegemoet komt aan de bezwaren van verzoeker, zal het door hem ingestelde beroep mede tegen dit besluit gericht worden geacht. Hoewel de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in de voorlopige voorzieningprocedure, acht de voorzieningenrechter het uit een oogpunt van proceseconomie aangewezen het onderhavige verzoek (thans) gericht te achten tegen het besluit van 9 februari 2009. Afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Procedurenummer: AWB 09 / 138

Uitspraak

in het geding tussen

[naam],

wonend te [woonplaats], verzoeker,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 februari 2009

Kenmerk: 2008007697 / MD

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2008 heeft verweerder verzoekers bezwaren tegen zijn besluit van 15 oktober 2008 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de eisen van geschiktheid waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen en dit rijbewijs ongeldig verklaard.

Verzoeker heeft tijdig tegen het besluit van 22 december 2008 beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te treffen. Verzocht is te bepalen dat verzoeker hangende het beroep gebruik kan maken van zijn rijbewijs.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit heeft verweerder het besluit van 22 december 2008 herroepen, verzoekers bezwaren (alsnog) gedeeltelijk gegrond verklaard maar het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker gehandhaafd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 februari 2009, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door H.P. Ruysink, advocaat te Bunde.

Verweerder heeft zich - met bericht - niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover in dezen van belang, is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van de indiener van het verzoek bij een onverwijlde voorziening tegen de belangen die zijn gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard en niet bindend in de bodemprocedure.

Verzoeker verkoopt vanuit een friteswagen frites en heeft in verband hiermee een rijbewijs nodig. Verzoekers rijbewijs is ingevorderd. De voorzieningenrechter acht, gelet ook op hetgeen verzoeker dienaangaande ter zitting heeft verklaard, genoegzaam aangetoond dat verzoeker gelet op het vorenstaande een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat het besluit van 9 februari 2009 is aan te merken als een besluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Nu dit besluit niet (geheel) tegemoet komt aan de bezwaren van verzoeker, zal het door hem ingestelde beroep mede tegen dit besluit gericht worden geacht. Hoewel de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in de voorlopige voorzieningprocedure, acht de voorzieningenrechter het uit een oogpunt van proceseconomie aangewezen het onderhavige verzoek (thans) gericht te achten tegen het besluit van 9 februari 2009. Voorts overweegt hij als volgt.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), voor zover thans van belang, doen de daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in voornoemd artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: Regeling) besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. In die bijlage is in paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen, een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

Uit het dossier blijkt dat verzoeker op 18 maart 2008 is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van de WVW 1994. Bij het daarop verrichte ademonderzoek is bij verzoeker een ademalcoholgehalte geconstateerd van 820 µg/l. Op grond daarvan is verzoeker de verplichting opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hij heeft tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar geen beroep ingesteld. Het onderzoek naar de geschiktheid is op 9 augustus 2008 verricht door een arts, onder supervisie van een psychiater.

Het thans in geding zijnde besluit van 9 februari 2009 strekt de facto tot handhaving van het besluit van 15 oktober 2008 waarbij verweerder op basis van de resultaten van het onderzoek het rijbewijs van verzoeker ongeldig heeft verklaard. Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij het psychiatrische onderzoek bij verzoeker de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld. Op grond daarvan is paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 op verzoeker van toepassing, zodat hij ongeschikt is tot het besturen van een motorrijtuig, aldus verweerder.

Verzoeker kan zich met het besluit van 9 februari 2009 niet verenigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Maastricht van 2 december 2008 is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde overtreding van artikel 8 van de WVW 1994, aangezien de politierechter niet bewezen achtte dat verzoeker op 18 maart 2008 als bestuurder is opgetreden. Verzoeker stelt dat hij toen ook inderdaad niet heeft gereden. Volgens verzoeker heeft verweerder ten onrechte geen rekening hiermee gehouden. Volgens verzoeker mag het niet zo zijn dat reeds het feit dat men met de politie in aanraking is gekomen voldoende rechtsgrondslag biedt om een onderzoek naar de rijgeschiktheid in te stellen. De aanleiding voor het instellen van zo'n onderzoek moet volgens verzoeker zijn gelegen in een geconstateerd rijden. Uit het vonnis van de politierechter blijkt volgens verzoeker dat hij niet heeft gereden. Bovendien is verzoeker van mening dat het oordeel dat hij niet geschikt is voor het besturen van een motorrijtuig uitsluitend is gebaseerd op de vastgestelde bloedwaarden en niet tevens op andere omstandigheden. Ten aanzien van deze bloedwaarden heeft verzoeker aangevoerd dat de ASAT-waarde en MCV-waarde slechts licht verhoogd waren en dat de CDT-waarde niets zegt over het alcoholgebruik over het afgelopen jaar.

Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het onderzoek naar de rijgeschiktheid niet mocht worden gevorderd. Het gaat in deze zaak niet om een strafrechtelijke procedure, maar om een daarvan los staande bestuursrechtelijke maatregel die erop is gericht de ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk geachte deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen. Het in dezen door de politie opgemaakt proces-verbaal vormt voldoende grondslag voor het standpunt dat sprake was van een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994. Nu blijkt dat bij verzoeker een ademalcoholgehalte van 820 µg/l is geconstateerd, is op goede gronden besloten dat verzoeker zich diende te onderwerpen aan het onderzoek. Dat de politierechter niet bewezen achtte dat verzoeker heeft gereden betekent niet dat de wettelijke grondslag aan de bevoegdheid tot het vorderen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid is komen te ontvallen. In dit kader wordt voorts nog overwogen dat uit de toepasselijke wettelijke voorschriften niet voortvloeit dat het in artikel 8 van de Regeling genoemde adem- of bloedgehalte moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorvoertuig.

Het onderzoek door de psychiater heeft geleid tot de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin. In een geval waarin zo'n diagnose is gesteld, bestaat er enkel aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, zich inhoudelijk tegenspreekt of anderszins niet of niet voldoende concludent kan worden geacht, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren.

Wat betreft de gevonden bloedwaarden heeft verweerder, in reactie op hetgeen verzoeker hierover heeft aangevoerd, gesteld dat de bij verzoeker geconstateerde CDT-waarde van 6,5% sterk verhoogd is te achten, gezien de normaalwaarden (0-2,6%), en dat deze waarde ligt boven de grens van 3,4% waarboven volgens een beschouwing van een viertal klinisch chemici zonder verdere informatie alcoholmisbruik kan worden aangenomen. Verweerder heeft voorts verwezen naar het Diagnostisch Kompas waarin is gesteld dat een verhoogde CDT-waarde samen met een verhoogde yGT- of MCV-waarde vrijwel zeker wordt veroorzaakt door langdurig overmatig alcoholgebruik en opgemerkt dat bij verzoeker de MCV-waarde verhoogd was (102, normaalwaarden 80-100). Gelet hierop acht verweerder de (geringe) verhoging van de ASAT-waarde niet van overwegend belang. De voorzieningen¬rechter kan verweerder volgen in deze beschouwing over de gevonden bloedwaarden.

Naar aanleiding van verzoekers stelling dat verweerders conclusie dat hij niet over de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen beschikt enkel op de geconstateerde bloedwaarden berust, merkt de voorzieningenrechter op dat het verslag van de bevindingen van de psychiater niet enkel laboratoriumuitslagen bevat, maar nog andere, voor beantwoording van de vraag of bij verzoeker sprake was van alcoholmisbruik relevante gegevens, zoals het anamnestische gegeven dat verzoeker aangaf dat het alcoholgebruik sedert 18 maart 2008 niet was veranderd. De psychiater is mede op basis van die andere gegevens, vanuit zijn specialistische kennis, tot zijn conclusies gekomen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doen zich geen omstandigheden voor op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat verweerder zich niet op het psychiatrische rapport had mogen baseren.

Uit de door de psychiater gestelde diagnose volgt dat paragraaf 8.8 van de bijlage van de Regeling eisen geschiktheid 2000 van toepassing is, zodat verweerder het rijbewijs van verzoeker terecht ongeldig heeft verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is te achten dat het besluit verzoekers rijbewijs ongeldig te verklaren in de hoofdzaak de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek dient dan ook afgewezen te worden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van A.G.P.M. Zweipfenning als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2009.

w.g. A. Zweipfenning w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 maart 2009.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.