Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH5020

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
137434 / OT RK 09-205
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de uit artikel 1:261 lid 2 BW voortvloeiende plicht voor bureau jeugdzorg tot het overleggen van een indicatiebesluit op de effectuering waarvan het verzoek tot uithuisplaatsing dient te zijn gericht, heeft bureau jeugdzorg nog niet voldaan. Gelet op het stadium waarin deze procedure verkeert en het belang dat bureau jeugdzorg aan de uithuisplaatsing van de minderjarige hecht, had dit wel van bureau jeugdzorg mogen worden verwacht.

Er is met betrekking tot de opvoedingssituatie van de minderjarige sprake van zorgelijke signalen, die in het kader van de lopende ondertoezichtstelling tot nader onderzoek nopen met betrekking tot de vraag of er aanleiding is tot uithuisplaatsing van de minderjarige. De noodzaak van nader onderzoek kan echter, buiten een spoedeisende situatie die de kinderrechter op dit moment niet aanwezig acht, niet als zelfstandige grond voor uitplaatsing dienen. de kinderrechter trekt de bij eerdere beschikking gegeven machtiging uithuisplaatsing in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 25 februari 2009

Zaaknummer: 137434 / OT RK 09-205

BESCHIKKING OP VERZOEK MACHTIGING UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarig kind], geboren te [geboortegegevens kind],

verder te noemen: [de minderjarige],

kind van:

[moeder], wonende te [adres moeder],

verder te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Kikken.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 4 februari 2009 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uitgesproken voor de duur van drie maanden, en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg.

Bij beschikking van 6 februari 2009 is de beslissing ten aanzien van de ondertoezichtstelling gehandhaafd. De machtiging tot uithuisplaatsing is niet gehandhaafd en is ingetrokken.

Op 9 februari 2009 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, verder te noemen: bureau jeugdzorg, wederom een verzoekschrift tot machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg ingediend ten aanzien van voornoemde minderjarige.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 februari 2009 meerbedoelde machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken met aanhouding van de beslissing ten aanzien van de resterende termijn.

Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld ter zake te worden gehoord ter zitting van 20 februari 2009.

De kinderrechter heeft de zaak in aanwezigheid van belanghebbenden ten tweeden male behandeld ter zitting van 24 februari 2009 te 6222 CN Maastricht, Populierweg 84A.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

Het kind verblijft sinds 4 februari 2009 in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg te Sittard.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

Bureau jeugdzorg heeft verzocht een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft bureau jeugdzorg verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering. Ter zitting van 24 februari 2009 heeft bureau jeugdzorg een faxbericht van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) overgelegd. Bureau jeugdzorg heeft voorts – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

Bureau jeugdzorg heeft contact gehad met verschillende hulpverleners. Uit deze contacten is volgens bureau jeugdzorg gebleken dat er sprake is van een bedreigende situatie voor het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige].

Bureau jeugdzorg heeft ter zitting verklaard dat de moeder tekortschiet in de verzorging van [de minderjarige].

Op het kinderdagverblijf van [de minderjarige] is geconstateerd dat [de minderjarige] erg onverzorgd was en eenmaal was er sprake van blauwe plekken op de billen van [de minderjarige].

Op het consultatiebureau is de moeder haar afspraken niet nagekomen. De moeder heeft ruzie gemaakt met de verpleegkundige van het consultatiebureau over de vereiste inentingen. [de minderjarige] loopt achter met haar inentingen.

Voorts heeft bureau jeugdzorg verklaard dat de moeder verschillende problemen heeft met haar uitkering en haar huisvesting.

De sociale dienst heeft tegenover bureau jeugdzorg verklaard dat de uitkering van de moeder stopgezet is. De woningcorporatie heeft tegenover bureau jeugdzorg verklaard dat voor de moeder een huisuitzettingsprocedure in gang gezet is, onder meer wegens vervuiling van de woning. Buren van de moeder zijn een handtekeningenactie gestart om de moeder uit haar woning te laten verwijderen, vanwege de overlast veroorzaakt door de moeder.

Bureau jeugdzorg stelt voorts dat bij de moeder sprake is van gedragsproblematiek, blijkende uit een duidelijk patroon – of juist het ontbreken hiervan – in de leefwijze van de moeder. Dit wordt volgens bureau jeugdzorg bevestigd door huisarts [R.], het raadsonderzoek uit 2006 verricht door de Raad voor de Kinderbescherming te Middelburg, en het feit de moeder opgepakt is geweest voor winkeldiefstal.

Ten slotte heeft bureau jeugdzorg te kennen gegeven bij een afwijzing van het verzoek, en de hieruit volgende terugkeer van [de minderjarige], niet voor de veiligheid van [de minderjarige] in te kunnen staan. Alvorens [de minderjarige] thuisgeplaatst zou kunnen worden, dient er volgens bureau jeugdzorg eerst onderzoek te worden gedaan naar de pedagogische vaardigheden van de moeder in samenhang met de overige problematiek.

3.3

De advocaat heeft namens de moeder als volgt verweer gevoerd:

Het spoedverzoek een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen is volgens de moeder gebaseerd op twee pijlers: ten eerste zou de woning van de moeder tot een mate van onbewoonbaarheid vervuild zijn. Ten tweede zou de moeder met een escalatie de crisisopvang hebben verlaten.

De advocaat heeft namens de moeder een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat de moeder de crisisopvang heeft verlaten in onderling overleg met de hulpverleners van de crisisopvanginstelling, aangezien niet kon worden voldaan aan de hulpvraag van bureau jeugdzorg.

De advocaat heeft beaamd dat de woning van de moeder op 6 februari 2009 nog niet geheel schoon was, maar dat in onderling overleg met bureau jeugdzorg de moeder tot maandag 9 februari 2009 de tijd is gegeven om de woning alsnog helemaal schoon te maken. Bureau jeugdzorg heeft nagelaten op deugdelijke wijze te controleren of de woning van de moeder schoon was – volgens de advocaat van de moeder heeft geen controle meer plaatsgevonden in de woning van de moeder – waarna op 9 februari 2009 een tweede spoedverzoek tot uithuisplaatsing is ingediend. De woning van de moeder was echter wel degelijk voldoende schoon, hetgeen voorafgaand aan de zitting van 20 februari 2009 door de advocaat persoonlijk enkele malen is geconstateerd.

Met betrekking tot de gestelde tekortschieting van de moeder in de verzorging van [de minderjarige], verklaart de moeder dat zij [de minderjarige] nooit heeft mishandeld. De blauwe plekken die door het kinderdagverblijf zijn geconstateerd, zijn volgens de moeder mogelijk veroorzaakt door een val van [de minderjarige].

De moeder betwist dat er op het consultatiebureau sprake is geweest van escalatie of ruzie. De moeder is slechts in discussie gegaan over welke inentingen verplicht zijn. De verplichte inentingen zijn vervolgens in goed overleg bij [de minderjarige] toegediend.

Met betrekking tot het door bureau jeugdzorg gestelde negatieve patroon in de leefwijze van de moeder, verklaart de moeder dat in april 2008 de toenmalige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] juist niet verlengd is omdat het goed ging en voortduren van de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk werd geacht.

Huisarts [R.] is niet de huisarts van de moeder en de moeder verklaart nog nooit door hem te zijn onderzocht.

De moeder verklaart met betrekking tot de financiële problemen dat haar uitkering niet is stopgezet. Er is sprake van verzuim aan de zijde van de moeder, maar de sociale dienst heeft de moeder vooralsnog de kans gegeven om dit verzuim te herstellen. De moeder heeft nog op 17 februari 2009 een brief ontvangen waarin haar recht op bijstand en de betaling hiervan op 23 februari 2009 bevestigd wordt.

In het kader van de dreigende huisuitzetting heeft de advocate verklaard dat de moeder hiervan niet op de hoogte is en dat de dreiging hiervan evenmin gebleken is uit het bestaan van aan de moeder betekende aanmaningen of dagvaardingen en dergelijke.

De moeder heeft beaamd dat er sprake is van problemen met haar directe buren, doch dat deze problemen zijn terug te voeren op het feit dat meerbedoelde buren liever familieleden in de woning van de moeder terecht hadden zien komen. De eenkennigheid van de directe buren ten opzichte van niet-Maastrichtenaren heeft hier volgens de moeder ook toe bijgedragen. De moeder verklaart dat verschillende andere buurtbewoners tegenover de moeder verklaard hebben zich te schamen voor het gedrag van de directe buren van de moeder ten opzichte van de moeder.

De moeder betwist te lijden aan een borderline stoornis en heeft er ter zitting op gewezen dat deze stelling is gebaseerd op het raadsonderzoek van tweeënhalf jaar geleden, waarin is gerefereerd aan een door de crisisdienst bij moeder vastgestelde borderline-stoornis. Volgens de moeder is een crisisdienst echter niet in staat om een dergelijke diagnose te stellen, omdat hier een gedegen psychologisch onderzoek aan vooraf dient te gaan.

Met betrekking tot de gestelde winkeldiefstal verklaart de moeder dat deze berust op een misverstand. Zij wilde een paar schoenen ruilen, maar was de kassabon vergeten mee te nemen. De politie heeft hierna het bestaan van de kassabon geverifieerd en heeft derhalve kunnen constateren dat er van winkeldiefstal geen sprake was.

Ten slotte is door de advocaat van de moeder gesteld dat indien onderzoek dient plaats te vinden naar de zorgen die bestaan omtrent de pedagogische vaardigheden van de moeder, een spoeduithuisplaatsing – als meest zware beschikbare middel – te vergaand is. Een dergelijk onderzoek zou ook in het kader van de ondertoezichtstelling plaats kunnen vinden.

4. Beoordeling

De kinderrechter overweegt als volgt.

Ten tijde van het nemen van de beschikkingen van 4 en 9 februari 2009 bestond er, gelet op de op dat moment voorhanden zijnde informatie, voldoende aanleiding om aan te nemen dat [de minderjarige] niet in een voor haar veilige, gestructureerde en stabiele leefsituatie verkeerde. Vooral de vervuiling van de woning van de moeder en de gestelde escalatie waarmee het vertrek van de moeder uit de crisisopvang gepaard zou zijn gegaan, baarden de kinderrechter zorgen, op grond waarvan de kinderrechter [de minderjarige] in haar belang voorlopig onder toezicht heeft gesteld en tot tweemaal toe een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend teneinde haar veiligheid te kunnen waarborgen.

Zoals al bij beschikking van 6 februari 2009 – waarbij de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing werd ingetrokken – door de kinderrechter werd uitgesproken, is de kinderrechter van oordeel dat bovenstaande overweging natuurlijk heeft meegespeeld bij de beoordeling van het verzoek tot het afgeven van een spoedmachtiging zonder verhoor van belanghebbende, en dat de in casu door bureau jeugdzorg verstrekte informatie op basis waarvan de kinderrechter zijn beslissing neemt correct behoort te zijn.

Reeds bij behandeling ter zitting van 6 februari 2009 is de kinderrechter gebleken dat er aanwijzingen waren dat de vermelding van de escalatie in de crisisopvanginstelling niet op waarheid berustte. In de door de advocaat van de moeder ingebrachte e-mail, afkomstig van RIMO, locatie Heugderlicht, d.d. 19 februari 2009, wordt bevestigd dat er nooit sprake is geweest van een escalatie tussen de moeder en de medewerkers van de opvang, en wordt verklaard dat de moeder zich in de crisisopvang getoond heeft als een zorgzame en beschermende moeder.

Voorts heeft de kinderrechter ter zitting van 24 februari 2009 in de woning van de moeder kunnen constateren dat alle vertrekken van de woning voldoende schoon zijn en dat er van de eerder door bureau jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming geconstateerde vervuiling geen sprake meer is. Wel was er sprake van een ernstig defect in de badkamer, dat volgens de moeder en haar advocaat spoedig zou worden verholpen. De kinderrechter overweegt dat de advocaat heeft verklaard voorafgaand aan de zitting van 20 februari 2009 de woning enkele malen bezocht te hebben en dat zij de woning reeds toen in de huidige staat aantrof.

De kinderrechter overweegt dat bureau jeugdzorg ter zitting verscheidene andere zorgsignalen heeft geuit, doch dat de moeder diverse van de geuite zorgen gemotiveerd heeft weten te weerleggen. Dit geldt in het bijzonder voor de door bureau jeugdzorg gestelde financiële nood van de moeder, de vermeende winkeldiefstal en de procedure tot huisuitzetting van de moeder. Dat de moeder zou lijden aan een borderline stoornis acht de kinderrechter, bij gebreke van recente medische gegevens, onvoldoende onderbouwd.

De kinderrechter voegt hier nog aan toe dat de emoties rond deze procedure hoog zijn opgelopen, zowel bij de moeder als bij de betrokken medewerkers van bureau jeugdzorg. De kinderrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de irritatie bij bureau jeugdzorg mede haar grond vond in het aandringen van de kinderrechter op een concretere onderbouwing van de door bureau jeugdzorg en de raad gestelde feiten. Op de noodzaak van deze nadere onderbouwing heeft de kinderrechter bureau jeugdzorg al in een vroeg stadium van de procedure gewezen. Tot op dit moment bevat het dossier echter niet meer stukken dan de verzoekschriften strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling en spoeduithuisplaatsing en een brief van de raad, waarin het standpunt van bureau jeugdzorg wordt onderschreven. Aan de uit artikel 1:261 lid 2 BW voortvloeiende plicht voor bureau jeugdzorg tot het overleggen van een indicatiebesluit op de effectuering waarvan het verzoek tot uithuisplaatsing dient te zijn gericht, heeft bureau jeugdzorg nog niet voldaan. Gelet op het stadium waarin deze procedure verkeert en het belang dat bureau jeugdzorg aan de uithuisplaatsing van [de minderjarige] hecht, had dit wel van bureau jeugdzorg mogen worden verwacht. De suggestie dat deze vertraging mede samenhangt met de viering van carnaval, in samenhang met de ter zitting van 20 februari 2009 door de gezinsvoogd gedane mededeling dat het bureau tijdens de carnavalsdagen dicht zou zijn, heeft de kinderrechter, zoals hij ook ter zitting van 24 februari 2009 heeft geuit, verbaasd. De reactie van de ter zitting aanwezige stafmedewerker van bureau jeugdzorg dat de kinderrechter onvoldoende respect heeft getoond voor een dierbaar stuk Limburgs erfgoed, acht de kinderrechter niet gepast.

Op grond van al het voorgaande is de kinderrechter, met bureau jeugdzorg en de raad van oordeel dat er met betrekking tot de opvoedingssituatie van [de minderjarige] sprake is van zorgelijke signalen, die in het kader van de lopende ondertoezichtstelling tot nader onderzoek nopen met betrekking tot de vraag of er aanleiding is tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]. De noodzaak van nader onderzoek kan echter, buiten een spoedeisende situatie die de kinderrechter op dit moment niet aanwezig acht, niet als zelfstandige grond voor uitplaatsing dienen. Hierbij verwijst de kinderrechter naar de uitspraak van 30 december 2008 (LJN: BG9520, Rechtbank Maastricht, 136122), waarbij geoordeeld werd dat de omstandigheid dat onderzoek naar de bestaande gezinssituatie gewenst is, alvorens thuisplaatsing kan worden overwogen, op zichzelf onvoldoende geacht dient te worden om de uithuisplaatsing te laten voortduren. De moeder heeft terecht doen aanvoeren dat een spoeduithuisplaatsing een zeer verstrekkende maatregel is, die inbreuk maakt op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op respect voor het gezinsleven. Deze inbreuk kan slechts worden gerechtvaardigd als op grond van deugdelijk onderzoek komt vast te staan dat er in het gezin sprake is van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van het kind die tot uithuisplaatsing noopt of er sprake is van een situatie waarin een dermate acute bedreiging van het kind ertoe leidt dat dit onderzoek niet kan worden afgewacht. Deze laatste situatie doet zich naar het oordeel van de kinderrechter in dit geval niet langer voor.

Op grond van het voorgaande trekt de kinderrechter de bij beschikking van 9 februari 2009 verleende machtiging tot uithuisplaatsing met toepassing van artikel 1:263 lid 4 Burgerlijk Wetboek met ingang van 25 februari 2009 in.

5. Beslissing:

Trekt de bij beschikking van 9 februari 2009 gegeven machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie tot plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg in.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 25 februari 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. G. Krabbendam, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.