Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH4918

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
03/700217-08 (Vordering verlenging maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door de officier van justitie aan de vordering ten grondslag liggende stukken kunnen de toets van de daartoe door de wet gestelde vereisten naar het oordeel van de rechtbank nauwelijks doorstaan. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, sprake is van een met redenen omkleed advies van de raad voor de kinderbescherming en wettelijke aantekeningen, nu er een verslag van de uitvoerende instantie, te weten bureau jeugdzorg voorhanden is en zowel veroordeelde, zijn moeder, de raadsman, de getuige-deskundige en met hem de raad voor de kinderbescherming alle van mening zijn dat de maatregel betreffende het gedrag moet worden verlengd met 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700217-08 (Vordering verlenging maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige)

Deze beslissing is gegeven door de meervoudige rechtbank voor strafzaken in raadkamer, gegeven naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht d.d. 8 december 2008, ingekomen ter griffie op 10 december 2008, strekkende tot verlenging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige met 6 maanden van:

[J.],

geboren te [geboortedatum en plaats J.],

wonende te [adres J.]

hierna te noemen: [J.].

1. De stukken

De rechtbank heeft gezien:

- de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht d.d. 8 december 2008, ingekomen ter griffie op 10 december 2008, strekkende tot verlenging van de maatregel betreffende het gedrag van [J.] met 6 maanden,

- het advies van de raad voor de kinderbescherming d.d. 9 februari 2009, betreffende de verlenging van de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van 6 maanden,

- het evaluatieverslag omtrent het gedrag van [J.] van dhr. A.M.J.L. Meijers, jeugdreclassering, bureau jeugdzorg,

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 18 juli 2008, waarbij de maatregel betreffende het gedrag is opgelegd.

De rechtbank heeft voorts gelet op hetgeen tijdens de achter gesloten deuren gehouden behandeling in raadkamer van 28 januari 2009 en 16 februari 2009 omtrent de vordering van de officier van justitie en de persoon van [J.] naar voren is gekomen.

2. De procesgang

De rechtbank heeft de vordering behandeld tijdens de achter gesloten deuren gehouden behandeling in raadkamer van 28 januari 2009 en 16 februari 2009.

[J.], zijn moeder en de raadsman zijn op beide behandelingen in raadkamer verschenen.

Getuige-deskundige A.L.M.J. Meijers is eveneens op beide behandelingen in raadkamer verschenen.

Naar aanleiding van de achter gesloten deuren gehouden behandeling in raadkamer van

28 januari 2009 werd aan de officier van justitie opdracht gegeven tot het doen opmaken en het toevoegen aan het dossier van een verlengingsadvies door de raad voor de kinderbescherming en een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van [J.]. De behandeling in raadkamer werd daartoe geschorst.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verlenging van de maatregel met 6 maanden gevorderd, zulks met instandhouding van de voorwaarden zoals die in het vonnis van de rechtbank van 18 juli 2008 staan omschreven, met dien verstande dat de door [J.] reeds gevolgde therapieën niet opnieuw gevolgd dienen te worden.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat indien de verdachte niet of niet naar behoren aan de maatregel meewerkt vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden dient te worden toegepast.

4. Het standpunt van [J.], zijn moeder en de raadsman

[J.] stemt in met de verlenging van de maatregel. Hij heeft tijdens de behandeling in raadkamer verklaard dat het beter met hem gaat sinds de maatregel aan hem werd opgelegd. Tussen hem en zijn moeder gaat het beter, maar niet altijd. Er dienen grenzen aan hem gesteld te worden.

De moeder van [J.], [naam moeder], brengt tijdens de behandeling in raadkamer naar voren dat [J.] opstandig blijft. Hij is opvliegend en scheldt vaak. Wel is het gedrag van [J.] ten opzichte van 6 maanden geleden verbeterd.

De raadsman heeft betoogd dat de verlenging van de maatregel in het belang van [J.] is. Ook [J.] en zijn moeder staan achter de verlenging, aldus de raadsman.

5. Het standpunt van de getuige/deskundige

De getuige-deskundige Meijers heeft tijdens de achter gesloten deuren gehouden behandeling in raadkamer op 28 januari 2009 en 16 februari 2009 onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

(naar aanleiding van 28 januari 2009)

In mijn evaluatieverslag van 19 november 2008 heb ik gerapporteerd over de ruzies tussen [J.] en zijn moeder. Bij dit soort ruzies gaat het om kleine dingen. [J.] kan zich dan niet beheersen en er volgt dan een woede-uitbarsting. Ik reageer snel op dit soort berichten. Het snel reageren op agressie van [J.] schijnt te werken.

Ik houd samen met [J.] en zijn moeder een wekelijkse evaluatie. Naast deze wekelijkse evaluatie ben ik nog drie keer voor een acute situatie naar het huis van [J.] en zijn moeder gegaan.

Ook op school doen zich incidenten voor. De woede-uitbarstingen van [J.] zorgen voor problemen. Hij is dan agressief naar leraren. Aan dit probleem wordt echter gewerkt.

Er zal een behandeling worden opgestart waarbij psychologenpraktijk Virenze is betrokken. [J.] zal dan leren hoe hij zijn woedegedrag kan herkennen en wat hij hiermee moet doen. Op dit moment is er nog geen probleeminzicht.

Het MST traject zal binnenkort gestopt worden. Dit traject duurt vijf maanden. Na afloop van de vijf maanden stopt het traject.

Hij moet zich laten aanspreken door volwassene. Indien er grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt en men spreekt hem hierop aan, dan verzet hij zich hiertegen. Het moment van bezinning volgt pas erna. Het moment van bezinning zou echter eerder moeten komen.

De verlenging van de maatregel tot gedragsbeïnvloeding van [J.] is noodzakelijk om de behandeling uit te bouwen. Hij is gespitst op het einde van de maatregel. Zijn gedrag kan gedurende de duur van de maatregel gecontroleerd worden. Bij het aflopen van de maatregel ben ik bang dat hij weer in zijn oude gedrag vervalt. Het gewenste gedrag moet erin worden geprent.

Over verdere invulling van de maatregel kan ik het volgende verklaren. De behandeling bij Virenze is goed. Ik heb er hoge verwachtingen van. Ik begeleid het ITB traject.

Mevrouw [v.O.] heeft zich bezig gehouden met de aanmelding voor een sociale vaardigheidstraining in het kader van het MST traject. Deze training vindt echter in groepsverband plaats. Ik heb [J.] daarom bij Virenze aangemeld voor een soortgelijke sociale vaardigheidstraining. Dit betreft een individuele training, waarbij men een andere werkwijze hanteert. Ik heb [J.] begin september aangemeld. De wachttijd is vervolgens 3 tot 4 maanden. De duur van de training is afhankelijk van de ontwikkeling van [J.]. Indien de training langer duurt dan de maatregel, dan kan de training voortgezet worden in het kader van de reguliere jeugdreclassering. Het is namelijk de bedoeling dat de begeleiding door Bureau Jeugdzorg blijft doorlopen.

(naar aanleiding van 16 februari 2009)

[J.] is op school minder goed gaan functioneren en hij is tegendraads. Op school is met hem hierover gesproken. Ik heb hier eveneens met [J.] over gesproken. Thuis is de situatie stabiel.

Als zijn moeder commentaar heeft op [J.] dan botst dat meteen. Er moet afzonderlijk met [J.] gesproken worden over wat wel en niet normaal is en waar hij op dient te letten. Hij moet de tijd krijgen om hier rustig over na te denken, zodat hij begrijpt waar hij mee bezig is.

6. Het standpunt van de raad voor de kinderbescherming

De raad voor de kinderbescherming adviseert op basis van “de voorliggende rapportages en evaluatieverslagen” - de rechtbank begrijpt: het evaluatieverslag van Meijers voornoemd - een verlenging van de maatregel betreffende het gedrag met 6 maanden. Een verlenging is in het belang van [J.].

7. De beoordeling

De officier van justitie heeft de vordering tot verlenging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige ingediend binnen de daarvoor in artikel 77wd, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde termijn.

De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie genoodzaakt antwoord te geven op de vraag of de maatregel nog verlengd kan worden, nu deze maatregel formeel reeds op 29 januari 2009 is geëindigd. De rechtbank houdt het ervoor dat de wetgever heeft verzuimd om te voorzien in een regeling hieromtrent, zoals dat wel is gebeurd bij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) en die tot de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS), waarin is bepaald dat de plaatsing c.q. de terbeschikkingstelling van kracht blijft, zolang nog niet onherroepelijk op de vordering is beslist. Gelet hierop is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in zijn vordering, zodat de maatregel nog steeds kan worden verlengd.

De rechtbank dient bovendien de vraag te beantwoorden of de stukken in het dossier voldoen aan de vereisten van artikel 77wd, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat bij de vordering dient te worden overgelegd een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies van de raad voor de kinderbescherming en een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling die belast is met de uitvoering van de maatregel.

De officier van justitie is van mening dat aan deze eisen is voldaan. Het evaluatieverslag van dhr. Meijers van bureau jeugdzorg kan volgens de officier van justitie als afschrift van de aantekeningen worden gezien, nu bureau jeugdzorg de uitvoerende instantie is.

De raadsman is van mening dat wellicht niet helemaal aan de formele vereisten van de wet is voldaan. Hij brengt echter naar voren dat in de onderhavige verlengingsbeslissing in wettechnisch opzicht niet alles aan de orde moet worden gesteld, nu een verlenging in het belang van [J.] is.

De door de officier van justitie aan de vordering ten grondslag liggende stukken kunnen de toets van de daartoe door de wet gestelde vereisten naar het oordeel van de rechtbank nauwelijks doorstaan. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, aan die vereisten is voldaan, nu er een verslag van de uitvoerende instantie, te weten bureau jeugdzorg voorhanden is en zowel [J.], zijn moeder, de raadsman, de getuige-deskundige Meijers en met hem de raad voor de kinderbescherming alle van mening zijn dat de maatregel betreffende het gedrag moet worden verlengd met 6 maanden.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat het gedrag van [J.] aanleiding geeft tot verlenging van de maatregel en de verlenging bovendien in het belang is van de ontwikkeling van [J.]. De rechtbank zal de maatregel betreffende het gedrag van [J.] met 6 maanden verlengen met ingang van 29 januari 2009 onder dezelfde voorwaarden als in het vonnis van 18 juli 2008 staan omschreven.

De rechtbank stelt vast dat artikel 77wc van het Wetboek van Strafrecht, te weten de vervangende jeugddetentie, in het kader van een verlengingsbeslissing niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. De rechtbank houdt het ervoor dat ook hier sprake is van een omissie van de wetgever. De rechtbank zal, gelet op het doel en de effectiviteit van de maatregel, bevelen dat vervangende jeugddetentie voor de duur van 6 maanden zal worden toegepast, indien [J.] niet of niet naar behoren aan de maatregel meewerkt.

De vordering van de officier van justitie kan en zal derhalve volledig worden toegewezen.

8. Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen 77wc en 77 wd van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de maatregel betreffende het gedrag met 6 maanden met ingang van 29 januari 2009 onder dezelfde voorwaarden als in het vonnis van

18 juli 2008 staan omschreven en beveelt dat indien [J.] niet of niet naar behoren aan de maatregel meewerkt, vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden zal worden toegepast.

Deze beslissing is aldus gewezen door mr. Th.A.J.M. Provaas, voorzitter, kinderrechter,

mr. I. Dautzenberg en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 16 februari 2009.

Mr. I. Dautzenberg, rechter, en mr. C. Spronk, griffier, zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.