Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2009:BH4500

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
137871
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gegrond verklaring beroep tegen verlenging opgelegd huisverbod.

Samenloop van het strafrechtelijke en het bestuursrechtelijke traject.

Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROCES-VERBAAL

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Zaaknummers:

137871 / KG ZA 09-67 voorlopige voorziening

137908 / FA RK 09-249 hoofdzaak

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2008 als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb

in het geding tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats verzoeker],

verder te noemen; verzoeker,

gemachtigde mr. F.M. van Venrooij-Nieuwenhuis,

en

de burgemeester van de gemeente [X],

zetelende te [X],

verder te noemen: verweerder,

gemachtigden: mr. M. Boesten en mr. N. Niessen,

in welke zaak belanghebbende is:

- [naam belanghebbende], wonende te [X].

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing:

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van 13 februari 2009;

- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,- aan hem wordt vergoed door de gemeente [X];

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 98,-, te betalen door de gemeente [X] aan verzoeker;

- veroordeelt de gemeente [X] tot het betalen van schadevergoeding aan verzoeker ten bedrage van € 450,-.

Gronden

Bij faxbericht, bij de rechtbank ingekomen op 20 februari 2009, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de beschikking van verweerder 13 februari 2009, waarbij het aan verzoeker bij beschikking van verweerder van 6 februari 2009 met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegde huisverbod is verlengd met ingang van 16 februari 2009, tijd 13.30 uur, tot 4 maart 2009, tijd 13.30 uur. Bij faxbericht van dezelfde datum heeft verzoeker tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend dat strekt tot beëindiging van het voortduren van het huisverbod.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak. Dit brengt mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening, zodat dit verzoek niet-ontvankelijk is.

Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het beroep heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen.

In het bestreden besluit heeft verweerder de volgende overwegingen aan de verlenging van het huisverbod ten grondslag gelegd:

a. Er is nog geen hulpverleningstraject gestart voor de uithuisgeplaatste;

b. Het is niet duidelijk of de uithuisgeplaatste bereid is mee te werken aan het plan van aanpak voor het gezin;

c. De grote problemen van het gezin die meespeelden in het ontstaan van het geweldsdelict zijn niet opgelost.

Ad a) Dat met de voor verzoeker aangewezen hulpverlening nog geen aanvang is gemaakt is volgens verweerder te wijten aan het feit dat verzoeker, wegens het huiselijk geweld dat aanleiding is geweest tot de oplegging van het huisverbod, twintig dagen in strafrechtelijke detentie heeft verbleven. Deze detentie leverde volgens verweerder een beletsel op voor de toegang van de door verweerder in het kader van de toepassing van de Wth te organiseren hulp aan verzoeker.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit een omstandigheid is die niet in redelijkheid niet aan verzoeker kan worden tegengeworpen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wth komt naar voren dat verweerder, zo mogelijk binnen 24 uur na oplegging van het huisverbod, voor alle betrokkenen, inclusief de uithuisgeplaatste, hulp in gang dient te zetten. Uit de wetsgeschiedenis komt voorts naar voren dat een samenloop een strafrechtelijk met het bestuursrechtelijke traject denkbaar is. Deze samenloop dient zich volgens de voorzieningenrechter echter te beperken tot de situatie waarin de pleger van het huiselijk geweld na een korte detentie (verblijf in politiecel en/of inverzekeringstelling) weer op straat komt te staan en het ernstige vermoeden als bedoeld in artikel 2 van de Wth nog immer bestaat.

Ad b) Uit de stukken, waaronder in het bijzonder het Vroeghulp Interventierapport van de Mondriaangroep, komt naar voren dat verzoeker zich coöperatief opstelt en openstaat voor hulpverlening in het gezin.

Ad c) Ook dit argument wordt geloochenstraft door het voornoemde Vroeghulp Interventierapport, waarin ervoor is gepleit het huisverbod op te heffen. Dat dit rapport is opgesteld in het kader van de beoordeling van de vraag of er nog aanleiding is de voorlopige hechtenis van verzoeker nog langer te doen voortduren en daarmee niet is uitgebracht in het bestuursrechtelijke traject, staat er niet aan in de weg dat de voorzieningenrechter dit standpunt als feitelijk gegeven mede in de beoordeling betrekt.

De voorzieningenrechter acht ten slotte relevant dat, naar tussen partijen niet in geding is, verzoeker na de opheffing van de voorlopige hechtenis in een penibele situatie is komen te verkeren, in die zin dat hij geen geld heeft en hij voor verblijf en niet kan terugvallen op een sociaal netwerk. Daarbij komt dat verzoeker lijdt aan epilepsie. Dat verzoeker zich voor opvang niet heeft gewend tot de maatschappelijke opvang voor verslaafden in Roermond, acht de voorzieningenrechter begrijpelijk. Aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting is niet vast te stellen dat verzoeker lijdt aan alcoholverslaving. Verzoeker heeft benadrukt – zonder te ontkennen dat hij zich hier af en toe niet aan houdt – dat hij voorzichtig moet zijn met alcoholgebruik, omdat dit zich dit niet verdraagt met de medicatie die hij voor zijn epilepsie moet innemen.

De hoogte van de door de gemeente [X] aan verzoeker te vergoeden proceskosten is gesteld op het door verzoeker gevorderde bedrag (de door hem betaalde eigen bijdrage).

Het bedrag van de door de gemeente [X] aan verzoeker te betalen immateriële schadevergoeding is bepaald aan de hand van het aantal dagen dat verzoeker, gelet op deze uitspraak, onrechtmatig in zijn vrijheid is beperkt. Aangezien de verlenging van het huisverbod is ingegaan op 16 februari 2009 en heeft voortgeduurd tot en met 24 februari 2009, stelt de voorzieningenrechter het aantal dagen vast op negen. Het door verzoeker geëiste tarief van € 50; per dag komt de voorzieningenrechter redelijk voor. Het bedrag van de schadevergoeding is dan ook vastgesteld op € 450,-.

Hoger beroep

Partijen is ter zitting meegedeeld dat zij tegen de uitspraak in de hoofdzaak (nummer 137908 / FA RK 09-249) binnen zes weken hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften

Van dit proces-verbaal wordt ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, van de Wth een afschrift gezonden aan: [naam belanghebbende], de politie van de gemeente [X] en de Stichting Bureau Jeugdzorg.

Ondertekening

Dit proces-verbaal is ondertekend door de voorzieningenrechter. De griffier is verhinderd het proces-verbaal te ondertekenen.

w.g. mr. R.E. Bakker